Serviërs houden zelfs kerkhof onder vuur Servische sluipschutters

Voorzichtig wordt een lichaampje op de achterbank van een rode auto - de ambulance - gelegd. Het meisje leeft nog, maar lang zal dat waarschijnlijk niet meer duren....

Van onze correspondent

Michel Maas

DOBROST

De Servische sluipschutter die dit kind in Dobrost heeft getroffen, zal trots zijn op zijn werk. Hij heeft het kleine ding geraakt van een heuveltop op meer dan een kilometer afstand van het dorp.

Tussen Dobrost en de sluipschutter staat alleen een groene haag, waarin helaas ook open plekken zitten. Volwassenen weten dat en mijden die plekken of ze rijden er met hun auto's vol gas voorbij, zodat de schutters in de meeste gevallen alleen de achterruiten treffen. Maar kinderen zijn niet zo voorzichtig en de sluipschuttergeweren zijn angstig nauwkeurig: nog geen tien centimeter is de kogelwond verwijderd van het hart van het kind.

Dobrost is een gehucht op de frontlijn tussen de Servische troepen en het Kosovo Bevrijdingsleger, het UCK. De lijn wordt gemarkeerd door twee wegen: de asfaltweg die in Servische handen is, en parallel aan die weg een pad van zand en keien dat door het UCK wordt gecontroleerd.

Tussen beide wegen ligt een niemandsland van niet meer dan tweehonderd meter breed, dat van bovenaf wordt bestreken door de Servische sluipschutters op hun heuveltop. Onderaan de heuvel zijn de Servische stellingen van waaruit mortieren en tanks huizen beschieten die nog verder weg zijn dan dit meisje van drie.

De dorpen aan de keienweg die door Dobrost voert en de eikenbossen erachter zijn 'bevrijd gebied'. Het gebied ligt tussen de stad Djakovica en de Albanese grens, en is doelwit van aanhoudende beschietingen van de Serviërs. Verbeten proberen zij het bevrijdingsleger af te snijden van Albanië, waar het zijn wapens vandaan haalt.

De dorpen Popoc en Ponosevac, die het dichtst bij de Albanese grens liggen, bestaan niet meer. Maar desondanks houden de Serviërs niet op ze te bestoken met granaten, omdat de puinhopen van de huizen nog steeds onderdak bieden aan soldaten van het UCK. Maar heel af en toe wagen de Serviërs zich binnen de muren van de dorpen zelf, aanvankelijk om te stelen wat van waarde was, en nu om in brand te steken wat nog overeind staat. In Popoc begint zaterdag, zonder dat een explosie geklonken heeft, een huis te branden. Dezelfde middag hangt ook boven Ponosevac een rookwolk.

De brand in Popoc is goed te zien vanuit Smolica, dat als een fort bovenop een tegenoverliggende heuvel ligt. Bijna aan alle kanten omsluiten de hoge muren van de Albanese boerenhoeves het dorp, dat nu al meer dan zes weken van alle kanten door Servische troepen wordt beschoten. Granaten van het zware geschut van Djakovica, kleiner kaliber van de legerbases in Babaj Bokes, Planik of van de mortieren op de stuwdam, en projectielen van de tanks die de Serviërs beneden aan de heuvel hebben gestationeerd houden vooral 's nachts de huizen van het dorp onder vuur. En de sluipschutters natuurlijk.

De soldaten van het UCK bewegen zich moeiteloos over onzichtbare paden en wandelen Smolica in en uit. In het dorp zijn in de muren die rond de boerenhoeves liggen nieuwe wegen uitgehakt, waarlangs de soldaten ongezien van de ene naar de andere kant van Smolica kunnen komen.

Overal zitten soldaten van het UCK die door kieren en gaten en vanuit zelf gegraven bunkertjes de vijand beneden in het oog houden. 'Ik hoop dat de Serviërs hier ooit binnenkomen. Ze zullen als ratten in de val zitten', grijnst een UCK-soldaat. Hij noemt zich tegenwoordig 'Uka', wat zoiets als 'wolf' betekent.

Uka is een van de reguliere soldaten van het UCK, hierheen gestuurd door het opperbevel om militaire acties uit te voeren. Zij zijn de 'echte' soldaten, anders dan de meeste mannen die de dorpen en de wegen hier bewaken en die deel uitmaken van de 'zelfverdedigingsgroepen': de door het UCK bewapende boeren die hun eigen huis bewaken.

Uka claimt bij een grote actie drie Servische tanks en twee pantserwagens te hebben vernietigd. 'Twee nachten hielden we ons schuil in de bosjes daar beneden naast de weg, en toen sloegen we toe.' Hij speelt met zijn automatisch geweer van Chinese makelij.

Op de binnenplaats van het hoofdkwartier ligt een klein kanon naast een driepoot, een 'Top' noemen ze het draagbare geschut. Antitankmijnen hebben ze ook, evenals antitankgranaten. 'Het UCK heeft zelfs piloten', grijnst hij. 'Nu nog vliegtuigen.'

Mannen lopen af en aan. Smolica is, ondanks zijn gehavende uiterlijk, een belangrijk commandocentrum en trainingskamp van het UCK. Aan manschappen heeft het bevrijdingsleger geen gebrek. Tweeëndertigduizend staan er al geregistreerd, en elke dag melden zich nieuwe jongens aan om dienst te nemen in het bevrijdingsleger. Probleem is dat maar voor de helft van die mannen wapens beschikbaar zijn.

Aarzelend vraagt Uka: 'Denk je dat de NAVO ons zal helpen met wapens?' Hij denkt zelf van niet, en hij vreest dat ze nog lang zullen moeten doorvechten voordat de Serviërs uit Kosovo verdreven zijn. Als hulp van buitenaf uitblijft, zullen ze die afdwingen, zegt hij. 'Dan hebben we geen andere keus dan de oorlog over de hele Balkan te verspreiden. Eerst naar Macedonië, dan Albanië, dan Montenegro. . .'

Hij wil de twee krijgsgevangenen tonen, maar die blijken net te zijn vertrokken. Twee Montenegrijnse soldaten uit het Joegoslavische leger die zich hebben overgegeven. Per satelliettelefoon hebben ze een oproep gedaan aan het Rode Kruis om de twee op te halen. Maar niemand kwam. Nu brengen ze hen zelf maar weg.

Zondag zullen de mannen opduiken aan de Albanese kant van de grens, waar ze worden overgedragen aan de OVSE - alweer een bewijs dat de Serviërs er nog altijd niet in geslaagd zijn de grens af te sluiten.

De beschietingen op Smolica gaan door. De soldaten ondergaan ze als een routine. Ze brengen de nacht door in de huizen, en ook de zeventig burgers die zijn achtergebleven overnachten in het dorp, in kelders. De huizen vertonen talloze gaten, geen muur en geen dak is meer heel, maar slachtoffers vallen er zelden.

Vrijdag is er net weer iemand gedood. Het versgedolven graf ligt in een van de achtertuinen. Niet op het kerkhof, want dat ligt in het zicht van de sluipschutters.

De dode is een jongen van twaalf. Hij speelde met een bal op de lege bovenverdieping van een kapotgeschoten huis. Een tankbemanning zag iets bewegen achter een gat in de muur. Door datzelfde gat vloog de granaat naar binnen die de jongen aan stukken reet. 'Zo zijn kinderen', zegt Uka, 'ze willen spelen, en dan letten ze niet op.' Hij weet niet eens de naam van de jongen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden