Schuld, boete en de rekening

'Wij doen het anders. Wij laten zien hoe het wel moet.' In een hartstochtelijk verlangen het goed te doen, beter dan met Indonesië, voerde het kabinet-Den Uyl Suriname naar de onafhankelijkheid....

De bekentenis van Jan Pronk, bijna twintig jaar later, staat in schril contrast met die conclusie. Van het gevoel dat de progressieve regering-Den Uyl een voorbeeldige dekolonisatie heeft verwezenlijkt, is niets over. Pronk, minister van Ontwikkelingssamenwerking onder Den Uyl en sinds 1989 onder Lubbers en Kok, drukt de tragiek uit van hoe het misgelopen is wanneer hij zegt: 'Het had een rechtse Nederlandse regering moeten zijn geweest die (over de onafhankelijkheid) had onderhan- deld. Een regering die van nature paternalistisch was.' Degene tegen wie Pronk dit verzucht (in een vorig jaar op de Amsterdamse televisie uitgezonden programma) is de in Suriname geboren publicist Anil Ramdas. Het is een buitengewoon boeiend gesprek, waarin de rollen zijn omgekeerd.

Ramdas meent dat Nederland veel te toegeeflijk is geweest tegenover de Surinaamse politici, je kon immers bij voorbaat weten dat ze er een puinhoop van zouden maken.

Pronk van zijn kant verontschuldigt zich zowat voor het feit dat de regering-Den Uyl Suriname heeft losgelaten: het was historisch onvermijdelijk, in 1975 kon je nu eenmaal met goed fatsoen geen koloniën houden. Nu denken we er anders over, mijmert hij, kleine landen moeten soms 'geschraagd worden door structuren van buitenaf'.

Rekolonisatie? vraagt Ramdas. Nee dat natuurlijk niet, antwoordt de minister van Ontwikkelingssamenwerking, waarna het woord 'gemenebest' aan zijn lippen ontsnapt. Die term wordt tegenwoordig wel vaker gebezigd in verband met Suriname. Uit pure wanhoop. In 1991 bijvoorbeeld, hielden vijftien in Nederland wonende Surinaamse intellectuelen een pleidooi voor het weer vastbinden van de navelstreng met Suriname.

In 1975 was Nederland per slot van rekening opgelucht van Suriname verlost te zijn. Vandaag zijn veel mensen - Surinamers en Nederlanders - ervan overtuigd dat de zelfstandigheid Suriname is opgedrongen. Surinamers werd niets gevraagd, de massa was tegen, de oppositie werd genegeerd.

De journalist John Jansen van Galen, die de besluitvorming over de Surinaamse onafhankelijkheid onderzocht en het resultaat onlangs publiceerde in zijn boek Kapotte plantage, vindt dat beeld te simpel.

'Langzamerhand sta ik alleen in die mening', zegt hij. 'Als we de onafhankelijkheid hadden willen opdringen, hadden we met de Antillen hetzelfde gedaan. We moesten wel afwachten of de Surinamers het zouden vragen. Door Den Uyl is het als een soort godsgeschenk opgevat dat ze dat deden.'

In Nederland bestond in die tijd brede overeenstemming over de wenselijkheid dat Suriname zich zou losmaken. Het was een combinatie van linkse idealen en rechts opportunisme. De PvdA tobde met een slecht geweten over Indonesië, voelde zich ongemakkelijk bij het bezit van een kolonie en wilde er zo snel en netjes mogelijk van af. Aan de rechterzijde van het politieke spectrum speelde mee dat Suriname als wingewest niet meer zo aantrekkelijk was en er interne sociale onrust broeide. Men herinnerde zich vrij recente onlusten op Curaçao. Met enorme tegenzin zond Nederland er mariniers op af, maar de regering moest er niet aan denken ook tot ingrijpen gedwongen te worden in Suriname met zijn gemengde bevolking van creolen, hindoestanen, Javanen en bosnegers.

Verder was de hoop de toenemende migratie uit de West te kunnen stuiten van niet geringe betekenis. De verslechterende sociaal-economische toestand, gevoegd bij de mogelijkheid om zich zonder belemmeringen in het welvarende Nederland te vestigen, veroorzaakten een groeiende stroom landverhuizers. Als Suriname eenmaal zelfstandig zou zijn, redeneerde men in Den Haag, raakten de Surinamers hun Nederlanderschap kwijt en kon er een beperkende toelatingsregeling worden ingevoerd.

Het progressieve regeerakkoord van het kabinet-Den Uyl legde het streven vast om op korte termijn de onafhankelijkheid te realiseren. Toen in Suriname de regering-Arron bij haar aantreden in februari 1974 beloofde om 'ultimo 1975' de soevereiniteitsoverdracht te hebben geregeld, was de kogel door de kerk.

Aan Surinaamse kant lag het minder eenvoudig dan de Nederlandse regering wou geloven. 'De enige groep die echt voor onafhankelijkheid werkte, was de radicale Partij voor een Nationale Republiek van Bruma', zegt de journalist Rudi Kross, die destijds in Nederland studeerde. Zelf was Kross in die tijd actief in de Nationale Partij Suriname (NPS) en pleitte hij samen met andere linkse studenten en jongeren voor dekolonisatie. In de NPS waren Kross en consorten een tamelijk marginale groep. In de verkiezingscampagne van de NPS in 1973 kwam het hele woord onafhankelijkheid niet voor.

Maar als gevolg van sociale onvrede boekte Bruma's partij winst en kwam in de regering. NPS-premier Arron voelde de hete adem van Bruma in zijn nek en deed - nogal onbesuisd - de toezegging Suriname naar de onafhankelijkheid te zullen leiden. De hindoestanen, die 17 van de 39 zetels in het parlement bezetten, protesteerden. Hun leider Lachmon verklaarde niet te zullen meewerken aan een tweederde meerderheid. De Hindoestanen verdienden hun geld vooral in de landbouw en handel en waren bang overvleugeld te worden door de Creolen die de banen bij de overheid in handen hadden.

Rudi Kross: 'De Hindoestanen vonden de Creolen knettergek. Je moet je zoveel mogelijk verweven met Nederland om vooruit te komen. Nu onafhankelijkheid? Dat is een utopie! Andere bevolkingsgroepen bewezen met hun gedrag dat ze hetzelfde idee waren toegedaan. Ze stemden met hun voeten. Zo kwam de pendel op gang tussen de schappen van de Hema en het heerlijk warme vaderland.'

De controverse tussen creolen en hindoestanen heeft het soevereiniteitsproces beheerst. Nederland wilde zich niet mengen in de interne aangelegenheden van Suriname en hield zich op de vlakte. Terwijl de hindoestaanse en de creoolse politici ruzieden, gingen de onderhandelingen tussen Nederland en Suriname in hoog tempo door.

Zo gebeurde het dat tienduizenden Hindoestanen de wijk namen naar Nederland aan de vooravond van de Surinaamse onafhankelijkheid, dat er in Paramaribo brand werd gesticht en men in de angstige verwachting leefde van uitbarstingen van etnisch geweld. Naarmate de datum naderde, werd de verwarring erger. De complete Surinaamse oppositie reisde naar Nederland, maar kreeg daar geen steun voor haar bezwaren tegen de ondemocratische gang van zaken. Op het nippertje - dank zij de stem van de Hindoestaanse afgevaardigde Hindori, die volgens kwade tongen was bewerkt door Den Uyl - stemde het Surinaamse parlement voor onafhankelijkheid.

Terwijl Paramaribo al versierd werd voor de feestelijkheden van 25 november, was men nog druk bezig met het in elkaar timmeren van de grondwet. Rudi Kross vond de procedures rond de overdracht een farce en zei hardop dat de hele zaak maar moest knappen. Kross nu, over de stemming van toen: 'Tegen Lachmon werd achter de hand gezegd: ''Kom op, er verandert niet zo veel. De gouverneur heet voortaan president en het statuut heet de grondwet.'' En de mensen zeiden: ''We hebben Nederland mooi te pakken. Weet je hoeveel guldens er in een miljard zitten?'' '

De Surinaamse regering had inderdaad een fiks bedrag in de wacht gesleept, want in totaal zegde Nederland ruim 3,5 miljard gulden toe. Tussen de Tweede Wereldoorlog en 1975 had Nederland ongeveer negenhonderd miljoen gulden, dus dertig miljoen gulden per jaar, in de Surinaamse economie gestoken. Bij het verdrag over de onafhankelijkheid werd een bedrag dat meer dan driemaal hoger lag afgesproken, te besteden in een korte periode van tien, hooguit vijftien jaar. Aan Nederlandse kant bestond grote twijfel over de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de gezamenlijke parlementaire zitting van de Tweede Kamer en de Surinaamse Staten, waarin Nederland Suriname zelfstandigheid verleende, verklaarde Pronk dat de regering een 'heel groot vraagteken' bij dit onderdeel van het verdrag zette. Maar, zo vervolgde hij, 'het zal nooit aan de Nederlandse regering mogen worden verweten (...) dat de profetie (...) dat dit te ambitieus is, waarheid zal blijken te zijn.'

Ter geruststelling van de Kamer zei Pronk dat men niet moest denken dat het bedrag 'de uitkomst van een politiek onderhandelingsproces zonder meer' was, met andere woorden: het was geen willekeurig resultaat van loven en bieden. Maar dat was een te mooie voorstelling van zaken. Tijdens de onderhandelingen ging Pronk aanvankelijk uit van een totaalbedrag van een miljard gulden, dat betekende over tien jaar uitgesmeerd honderd miljoen per jaar, hetgeen hij beoordeelde als de maximale investeringscapaciteit van Suriname.

Maar de Surinaamse delegatie trok zich op aan de cijfers met negen nullen die het Meerjaren Ontwikkelingsplan noemde. Hoe hoger het eindbedrag uitviel waarmee Arron thuiskwam, des te meer status hij zich verwierf en des te gemakkelijker hij de stap naar zelfstandigheid kon rechtvaardigen. Gebukt onder de last van een koloniaal schuldcomplex durfden de Nederlanders geen nee te verkopen. Allicht maakten de Surinamers daarvan gretig gebruik.

Pronk daarover tegen Ramdas: 'Zodra je zei dat je dacht dat ze het bij het verkeerde eind hadden, zeiden ze: ''Je bent op dezelfde manier koloniaal bezig.'' (...) We werden gechanteerd met onze eigen opvattingen over het koloniale tijdperk.'

Oorsponkelijk wilde Frank Essed, de bedenker van het Surinaamse ontwikkelingsscenario, dat Nederland zich mede-verantwoordelijk stelde voor de uitvoering van het hele plan. Maar daartegen verzette Den Uyl zich met alle macht: Nederland zou op die manier nooit van Suriname afkomen en financieel in een zwart gat springen. Met een bedrag ineens waren de verplichtingen tenminste helder.

Het ontwikkelingsverdrag dat tenslotte werd aangenomen, is een recept voor verkwisting gebleken. Tegen het plan rezen destijds al ernstige bezwaren. De Nederlandse Nationale Adviesraad voor Ontwikkelingssamenwerking waarschuwde voor eenzijdige nadruk op grote projecten en industrie en pleitte voor ontwikkeling van kleinschalige landbouw en nijverheid die werkgelegenheid en import-vervangende produktie konden scheppen.

Essed had zijn zinnen gezet op het openleggen van West-Suriname. Het leek een aanlokkelijk perspectief: er lagen enorme bauxiet- en houtvoorraden en aangrenzend bevond zich landbouwgebied. De bauxietwinning zou de motor van de ontwikkeling worden. Maar het project mislukte grandioos. De bauxietprijs kelderde, de plannen werden onuitvoerbaar. De kostbare spoorlijn door het oerwoud is aanlegd. Daarna is er niets meer gebeurd.

De spoorlijn 'van niks naar nergens' is een symbool van de verkrampte verhouding tussen Nederland en Suriname. Nederland vond de aanleg onverantwoord en wilde er niets mee te maken hebben. Maar toen Suriname de bouw had aanbesteed en de rekening (180 miljoen gulden) op tafel legde, besloot Den Haag zuchtend te betalen. In de loop van twintig jaar is er weinig veranderd.

Een paar weken geleden sprak de Kamer met minister Pronk over de verstrekking van voedselpakketten aan de verpauperde Surinaamse bevolking. Kamerleden uitten twijfel over de methode: leidt die niet tot 'pakketverslaving' en is ze niet erg fraudegevoelig, zeker aan de vooravond van verkiezingen?

De minister sprak sussende woorden en de Kamer schikte zich in het onvermijdelijke. Buiten de vergadering vertelde een ambtenaar na afloop dat Nederland de pakketten, waarvoor ruim een kwart van de bevolking in aanmerking komt, geen goed idee vindt, maar geen nee durft te zeggen. 'Bij elk ander ontwikkelingsland zou zo'n project worden afgewezen', erkende hij.

F. van Dam, die in de jaren zeventig als hoge ambtenaar toezicht hield op de besteding van de verdragsmiddelen voor Suriname (tegenwoordig werkt hij als ambassadeur bij de OESO in Parijs) heeft voor zichzelf geanalyseerd waarom het spaak liep. Een verwoestend effect op de jonge republiek had de regeling dat Surinamers nog vijf jaar lang de Nederlandse nationaliteit konden kiezen. Iedere Surinamer zat op de wip. Suriname liep leeg. Vooral mensen met kansen, het opgeleide kader, vertrokken.

Afspraken met ambtenaren moesten telkens worden hernieuwd, omdat die verdwenen en hun stoelen door anderen werden ingenomen. Boven het land is een zak geld van drie miljard gehangen, waarnaar druk gegraaid werd. 'Men praatte over projecten die er helemaal niet waren om maar een claim op het geld te kunnen leggen', zei Van Dam in een vorig jaar gemaakt vraaggesprek. Het patronage-systeem - gezagsdragers die hun eigen etnische groep, hun cliëntèle bedienden - werkte het graaien in de hand en belemmerde een verstandig beleid.

Volgens een andere betrokkene, die niet bij naam genoemd wil worden, is een combinatie van spilzucht en zuinigheid fataal geweest. Uit zuinigheid heeft Nederland de verdragsmiddelen niet waardevast gemaakt. Met als logisch gevolg dat Suriname het geld zo snel mogelijk wilde uitgeven, want elke dag uitstel betekende verlies aan koopkracht. Dat dit weinig bevorderlijk was voor de kwaliteit van projecten, spreekt voor zich.

In de Commissie Ontwikkelingssamenwerking Nederland-Suriname (CONS), die na de onafhankelijkheid de verdragsmiddelen moest toekennen, rezen permanent conflicten tussen de drie Surinaamse en de drie Nederlandse afgevaardigden. Tijdens de vergaderingen hing een merkwaardige sfeer, zo herinnert zich een ooggetuige. Als het hoog opliep, sloegen de Surinamers met een theatraal gebaar hun diplomatenkoffers dicht. Uiteindelijk kregen de Surinamers altijd hun zin, de steeds grotere bemoeienis van een gefrustreerde Pronk haalde niets uit.

Pronks opvolger, Jan de Koning, stond laconieker tegenover Suriname. Niet dat het iets uitmaakte. Toen De Koning een paar jaar minister was, had hij geen enkele illusie meer: 'Het wordt doormodderen tot de drie miljard hulpgeld is opgesoupeerd. En daarna zien we het wel.'

Na de decembermoorden van 1982 werd de hulp onmiddellijk stopgezet. Het levenspeil van Suriname zakte snel, de leegloop kreeg een nieuwe impuls. Het besteden van de verdragsmiddelen is in 1991 weer op gang gekomen. Dezelfde problemen, maar dan erger door een nog groter gebrek aan kader en een voortgeschreden politieke verloedering, doen zich gelden. 'We willen best besteden', zegt een Nederlandse ambtenaar vermoeid, 'als er maar projectvoorstellen zijn.'

Pogingen om de Nederlandse hulp te internationaliseren, zijn voor Suriname onbespreekbaar, want dan krijgt het land te doen met algemeen geldende, en dus strenge criteria. Alleen steun aan de betalingsbalans ligt stil, zolang het IMF geen gunstig rapport heeft uitgebracht. En zo blijft de verhouding Nederland-Suriname onvolwassen. Nederland speelt de rol van de ouder die schroomt om de adolescent te vertellen wat die moet doen; en Suriname is het kind dat zich flinker voordoet dan het is, tegen de ouder aan- schopt, maar zelfstandigheid niet aan kan.

De zuigkracht van Nederland is sterker gebleken dan de wil Suriname te ontwikkelen. De fatale fouten zijn twintig jaar geleden gemaakt en wat Nederland nog onderneemt om iets te herstellen, is tot mislukken gedoemd. Het opleiden van kader - Den Haag financiert - leidt ertoe dat de studenten in Nederland blijven, een voorstel om functies in Suriname te salariëren loopt stuk op ruzies over wie wel en wie niet voor een Nederlands loon in aanmerking mag komen.

Is de voormalige slavenkolonie nog wel levensvatbaar? Natuurlijk, zeggen de ambtenaren wier taak het is de verdragsmiddelen te besteden. Ze sommen de natuurlijke rijkdommen - het tropisch regenwoud, de vis, de kruiden, de mineralen, het goud, de landschappelijke schoonheid - op en rekenen als een projectonwikkelaar voor dat er heel wat van te maken is. Alleen, wie zal het aanpakken? En zal niet degene die z'n hand op de inkomstenbronnen legt, de boel plunderen en z'n eigen zak spekken? De gang van zaken rond de exploitatie van de bossen in West-Suriname, waar dubieuze contracten worden gesloten tussen de autoriteiten of hun familieleden en buitenlandse firma's, doen voor de toekomst weinig vrolijks vermoeden.

Het is een treurige conclusie van een zo goed bedoelde daad. En de tragische held is Jan Pronk, die bij de viering van de onafhankelijkheid zal schitteren door afwezigheid. Hij laat de honneurs over aan Van Mierlo. Pronk beseft dat het verlenen van vrijheid geen ware vrijheid heeft gebracht. In het al genoemde tweegesprek tussen hem en Anil Ramdas verwoordt hij het pregnant: 'Indonesië moest een strijd voeren. In die strijd werd Indonesië tot een natie gesmeed, met Nederland als vijandbeeld. Daar is het gelukt, terwijl ik vroeger vond dat het niet zo gemoeten had.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden