Schrijvers in zaken

Veel schrijvers schnabbelen graag. Ze schrijven een novelle voor bij het jaarverslag van een bedrijf. Of houden een lezing. Chic voor de opdrachtgever, lucratief voor de bemiddelaar....

MARGA MINCO doet het. Gerrit Komrij doet het. Thomas Rosenboom, Martin Bril, Cees Nooteboom, Joost Zwagerman, Connie Palmen, Lydia Rood, Manon Uphoff, Max Pam, Hugo Camps, Arnon Grunberg en Jessica Durlacher - die doen het ook allemaal, én natuurlijk Ronald Giphart. Al deze auteurs schrijven naast hun literaire of journalistieke werk weleens in opdracht van het bedrijfsleven en de overheid. Ze staan gezellig samen in het bestand van Paul Sebes, van het literair agentschap Sebes & Van Gelderen.

Doe eens wat anders, boek een schrijver!

Toch is het niet iets nieuws, de amourette tussen schrijvers en commercie. Een schrijver heeft, om met Gerard Reve te spreken, nu eenmaal 'een winkel'. Van royalty's kan slechts een enkeling leven. In het présubsidietijdperk moest een schrijver geld van zichzelf hebben, of een aardige mecenas, anders werd het sappelen. Louis Couperus leefde van familiekapitaal, maar schreef ook reclameboekjes voor de mode. Annie M.G. Schmidt schreef verhaaltjes waarin minstens één keer met de KLM werd gevlogen. Veel schrijvers onderhielden hun gezin met het schrijven van gedenkboeken en feestredes. Nieuw is dat het schrijven voor broodheren meestal geen bittere noodzaak meer is, maar een lucratieve nevenbezigheid. Niet iets om je voor te schamen. Zoveel schrijvers willen schnabbelen, dat er voor een bemiddelaar goed geld aan valt te verdienen.

Wie een columnist zoekt voor het bedrijfsmagazine, of een goedgebekte dagvoorzitter, wie zijn klanten een stijlvol nieuwjaarsgeschenk wil sturen, of het saaie jaarverslag wil opleuken met een novelle, kan Paul Sebes bellen. Hij zoekt de juiste schrijver bij het beoogde produkt. Die is niet moeilijk te vinden, zegt hij. Zijn bedrijf bestaat nu vier jaar en het loopt als een trein. Hij verzorgt ook de publiciteit voor auteurs - Donna Tartt, Ian Kershaw -, voor films en televisieseries. De helft van zijn omzet komt uit de bemiddeling tussen bedrijven en schrijver. 'Mijn succes', zegt Sebes, 'dank ik aan het feit dat ondernemers zich niet realiseren dat schrijvers gewone stervelingen zijn, met een telefoonnummer. Bedrijven vinden het wel chic, een echte schrijver. Maar ze kunnen vaak geen naam noemen. Kees van Kooten, Youp van 't Hek en Jan Mulder, die kennen ze van de tv. Maar Gerrit Komrij? Nee hoor. Mijn truc is om op de afdeling communicatie van een bedrijf dat ene meisje te vinden dat wél leest.'

Begin jaren negentig was Sebes publiciteitsmedewerker bij uitgeverij Prometheus/Bert Bakker. Regelmatig kreeg hij verzoeken uit het bedrijfsleven voor een van hun auteurs. 'Collega's antwoordden weleens: ''Dat doen ónze schrijvers niet.'' Maar ik dacht: nou, als er iemand met twintigduizend gulden langskomt, die mij vrij laat in wat ik schrijf, dan wist ik het wel als schrijver.'

De honoraria bij Sebes lopen uiteen van duizend euro voor een column, tot tien à dertigduizend euro voor een novelle, met uitschieters daarboven. De tekst blijft eigendom van de schrijver; Sebes vraagt 15 procent commissie. 'Kleine bedrijven vinden mij al gauw te duur. Ik zit hoog in de markt, maar ik lever ook alleen goede schrijvers.'

Bert Jalink, directeur van vd BJ/Communicatie Groep, uitgever van vijftig bladen in opdracht van derden, maakt al zo'n vijftien jaar gebruik van schrijvers met een 'mooie pen'. Uit 'persoonlijke interesse', maar ook om het niveau van de bladen en relatiegeschenken te verhogen. De schrijvers die voor hem werken zijn volkomen vrij, 'maar als het gaat om een jubileumboek voor de Suikerunie, dan willen we wel dat er zoetigheid voorkomt in het verhaal.'

Voor de eigen cliëntèle liet Jalink mooie boekjes maken, zoals Kleine Bolsjewieken - De kleuterjaren van Karel en Gerard (van het) Reve.

Jalink hielp Martin Bril en Heleen van Royen, columnisten bij respectievelijk de Volkskrant en Het Parool, aan een nog groter publiek. Bril heeft een column in Schipholland, dat verspreid wordt onder de onwonenden van de luchthaven. Alle rekeninghouders van de Rabobank kunnen lezen over Van Royens verhouding met 'geld' - een onderwerp waarover ze weet mee te praten. Lulu Wang spreekt de maatschappelijk bewuste medemens toe in het ledenblad van het Rode Kruis.

Natuurlijk is de honorering aantrekkelijk, zegt Jalink - voor een column betaalt hij minimaal 750 euro, en 'afhankelijk van de opdracht kan dat oplopen tot reclametarieven'. Maar zijn ervaring is dat schrijvers alleen met hem in zee gaan als ze iets in het onderwerp zien. 'Martin Bril is gefascineerd door de vliegwereld.' En ja, ook hij kiest, met het oog op de doelgroep, voor schrijvers van naam en faam. Goede schrijvers, maar 'niet te hoog'.

Goede schrijvers zonder grote mediabekendheid of schrijvers die zich weleens bezondigen aan 'hoog', valt zelden een commerciële klus in de schoot. Het verlangen naar de 'zelfreinigende werking van de commercie' in de literatuur, afgelopen voorjaar geuit door hoogleraar boekwetenschap Lisa Kuitert, wordt snel vervuld, zij het anders dan ze bedoelde. 'Ze mogen mij best wat vaker vragen hoor', verzekert Atte Jongstra. 'Ik vind het geweldig. Laatst een groep Haarlemse gemeenteambtenaren toegesproken over emotionele dynamiek. Je bereikt een totaal ander publiek dan met je boeken. Als morgen de Achmea Zorggroep vraagt om een verhaal over de verpleging? Volontiers! Ik ben geen genie dat in stilte schept, maar een dienstknecht met behoud van geestelijke identiteit. Het is een uitdaging om van werk in opdracht toch iets van jezelf te maken.'

Dichter Arie van den Berg beaamt dat. 'Schrijven is schrijven.' Hij heeft al jaren een bloeiende praktijk als tekstschrijver en ghostwriter, onder anderen voor politici. 'Ik schrijf gedichten, essays en kritieken, en ik geef les op de Schrijversschool Amsterdam. Maar een brochure voor een bedrijf levert al gauw tweeduizend euro op, vijf, zes keer zoveel als een recensie.' Zijn gedicht over de ijsvogel, in opdracht van de Nederlandse Bank geschreven voor op het tientje van Jaap Drupsteen, was het best betaalde gedicht ooit: hij kreeg er, na stug onderhandelen, achtduizend gulden voor. Het werd zo'n vierhonderd miljoen keer afgedrukt.

Anders dan de meeste collega's werkte Van den Berg jarenlang in het bedrijfsleven. Daar verloor hij zijn gêne voor het zakelijke. Maar in zijn freelance-bestaan leerde hij bij: 'Ooit redigeerde ik het jaarverslag van wat ik maar een groot consumptief bedrijf zal noemen. Het was slecht geschreven, maar ik was er in anderhalf uur mee klaar. Ik declareerde, volgens uurtarief, negenhonderd gulden. ''Ben je nou gek?'', reageerde de publiciteitsmedewerker, ''anderhalf uur, dat nemen we hier niet serieus. Maak er maar twintig van.'' Zo verdiende ik twaalfduizend gulden in anderhalf uur.' Toch schrijft Van den Berg alleen 'commercieel' als het nodig is. Nu hij een projectbeurs heeft van het Fonds voor de Letteren, werkt hij rustig in de luwte.

Is de subsidie van het Fonds voor de Letteren - toch bedoeld om schrijvers zonder kopzorg te laten werken - dan niet toereikend? 'Dat moeten de schrijvers zelf bepalen', vindt Sylvia Dornseiffer, directeur van het Fonds. 'Onze beurzen voorzien in een aanvullend inkomen, bedoeld om een bepaalde tijd voor het schrijven vrij te maken. Het gros van de schrijvers heeft een parttime-baan; anderen willen liever alleen schrijven. En ja, dat ze dan graag flink verdienen in het bedrijfsleven, kan ik begrijpen.'

De maximale projectbeurs van het Fonds bedraagt ruim 68 duizend euro, op te nemen in twee tot vier jaar. Overschrijdt het belastbaar jaarinkomen van de auteur de 34 duizend euro, dan vervalt de subsidie. 'Uiteindelijk wil iedereen leven van zijn werk', zegt Dornseiffer. 'Als dat lukt, is het prachtig. Zo'n schrijver als Kees van Beijnum, van wie nu de roman De oesters van Nam Kee wordt verfilmd, heeft dankzij beurzen zijn talent kunnen ontwikkelen.'

En die andere, niet-commerciële instelling die schrijvers helpt aan neveninkomsten, de Stichting Schrijvers, School en Samenleving, die schrijvers 'uitzendt' naar scholen, bibliotheken en bedrijven, is die nu overbodig? Natuurlijk niet, zegt directeur Margreet Ruardi. Op hoogtijdagen wordt het kantoor vierhonderd keer gebeld, en de meeste verzoeken worden gehonoreerd; in 2001 werden vierduizend contracten afgesloten. Bovendien, corrigeert zij, 'zijn wij er niet in de eerste plaats om schrijvers aan bijverdiensten te helpen, maar om de belangstelling voor hun werk te vergroten.'

Van de vijfhonderd auteurs op Ruardi's lijst worden sommigen nooit gevraagd, en anderen altijd. Iedere bibliotheek wil Geert Mak of Connie Palmen. De grens ligt voor Ruardi bij puur entertainment. 'Herman Koch die vertelt over Jiskefet, prima, dat is ook zijn geschreven werk. Maar verkleed als lullo, voor gierende groepen, nee.'

De tarieven van SSS - minimaal 225 euro voor een optreden, vaak meer - zijn niet concurrerend met het bedrijfsleven. 'Toen ik 750 gulden voor een optreden ging vragen, werd ik nooit meer gebeld', zegt Atte Jongstra.

Manon Uphoff vindt het optreden op scholen 'heel leuk, vooral als het kinderen zijn die niet van lezen houden'. Maar bezoekjes aan bibliotheken vallen haar weleens zwaar. 'Daar zit je dan, aan een formicatafel, onder een tl-buis, tegenover mensen die je hologig aanstaren. Soms is het verschrikkelijk slecht georganiseerd. Dan denk je: de subsidie moest zeker op.'

Uphoff is blij dat ze nu van het schrijven kan leven. Binnenkort verschijnt van haar een novelle via Sebes, voor adviesbureau P2, een bedrijf dat eerder de novelle 'Zes sterren' van Joost Zwagerman in rood fluweel gevat bij het jaarverslag voegde. Voor Uphoff geldt: 'Voor wie je ook schrijft, de norm is dat je dingen maakt die je zelf goed vindt.' Wel kijkt ze of haar opdrachtgever 'redelijk met mensen en de wereld omgaat. Voor Shell werk ik niet'. Als het bedrijf iets verbiedt - 'geen seks bijvoorbeeld, of geen geweld' - dan gaat het niet door. Haar 'eigen' publiek komt niets te kort, vindt ze, want na een tijdje mag het nevenwerk gewoon worden uitgeven.

In zo'n geval krijgt een uitgever dus een tweedehandsje. Maar nee, Peter Nijssen, hoofdredacteur van De Arbeiderspers, heeft er geen moeite mee dat de door hem uitgegeven roman Zes sterren in een eerdere versie een bedrijfsgeschenk was. 'Joost Zwagerman kwam door die opdracht op het idee voor een mooie roman. Hij heeft het verhaal volkomen herschreven en uitgebreid.'

Wel acht Nijssen het gevaar aanwezig dat AP-auteurs buitenshuis 'floddertjes' produceren, waardoor hun reputatie keldert. Een gunstig effect is ook mogelijk, denkt hij: dat AP-schrijvers met commercieel werk een enorm publiek bereiken, dat vervolgens hun werk koopt. Paul Sebes noemt dat effect een van de 'nobele drijfveren' achter zijn bedrijf: 'Mensen die nooit in een boekhandel komen, krijgen zo toch prachtige literatuur in huis.'

Schrijvers blij, opdrachtgevers blij, agent blij, en dit alles ter verheffing van het publiek. Het pact tussen literatuur en bedrijfsleven lijkt iedereen gelukkig te maken. Toch kan het weleens raar lopen. Bijvoorbeeld: in het schrijversbestand van Paul Sebes zitten ook journalisten. Sebes organiseert tevens publiciteit voor schrijvers en acteurs, en biedt dan interviews aan; die komen bij 'zijn' journalisten terecht. Hugo Camps, die ook werkt voor Sebes, interviewde actrice Kitty Courbois voor Elsevier, waar hij in loondienst werkt; Sebes deed de publiciteit voor Kitty Courbois, hoofdrolspeelster in de film Monte Carlo.

Is dat niet lastig, zo'n dubbel belang? 'Och nee', zegt Camps. 'Ik zit alleen maar bij Sebes omdat ik nogal chaotisch ben. En ik heb nog nooit durven zeggen: betaal mij duizend gulden. Dat mag Paul nu doen. Kitty Courbois? Ja, dat is zo'n prachtige vrouw, die wilde ik al heel lang interviewen - die wil ik elke dag wel interviewen. Kijk, ik schreef het voor Elsevier. Als ik er extra geld mee had verdiend, voor mezelf, dan was er sprake van een belang. Waar hebben we het over? Ik heb drie keer iets gedaan voor Sebes. Een supportersclubje toespreken, in een panel zitten. Ach, het is allemaal ijdelheid.'

Daar heeft de schrijver die thuis schept, die jarenlang in afzondering werkt aan die ene definitieve roman - die dan misschien niet eens door de critici wordt opgemerkt - geen last van. Zijn ze er nog, de schrijvers die hun gunsten níet verlenen aan de hoogste bieder?

Jawel, ze zijn er, als je goed zoekt. Dick Schouten, schrijver van zes romans, waaronder De hoogvlieger (1998), peinst er niet over. 'Vijfduizend euro voor een verhaal? Nooit. Al zouden ze vijf miljoen bieden. Het moet loepzuiver blijven. Als je er nu toch voor hebt gekozen je hele leven bezig te zijn met woorden en zinnen, stel de eisen dan hoog. Je moet verschoond blijven van inmenging. Simpel.'

Vijf jaar geleden, toen zij debuteerde, koesterde Manon Uphoff hetzelfde ideaal: 'Schrijven, slechts mijn werk toegewijd zijn, heel romantisch. Nu heb ik gemerkt dat je ook trouw kunt blijven aan jezelf en er toch geld mee kunt verdienen. Laten we eerlijk zijn. Het allerleukste is zoveel boeken te verkopen, dat je er goed van kunt leven. Zolang dat niet zo is, ben ik op deze manier ook gelukkig.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden