Schrijver Meïr Shalev beschouwt nederzettingen op westelijke Jordaanoever als tumor in Israëls vlees 'Israël zou een leider à la Mozes moeten hebben'

Twee staten, Israël en Palestina, met daartussen een grens en paspoortcontrole. Alleen dat zal volgens de Israëlische schrijver Meïr Shalev tot vrede leiden....

ANET BLEICH

Van onze verslaggeefster

Anet Bleich

JERUZALEM

'Bibi Netanyahu is de meest idiote leider in het hele Midden-Oosten. Hij is stom, incapabel. Hij gaat door met het vredesproces, maar op zo'n manier dat de tegenzin ervan afdruipt. Zijn eigen aanhang stelt hij ook teleur, omdat hij zijn beloften aan hen evenmin waarmaakt. Hij weet gewoon niet hoe hij beslissingen moet nemen.

'Ken je dat gezegde van die joodse moeder die een niet al te slimme zoon had? Zij zei altijd: als het niet mijn zoon was, moest ik erom lachen. Begrijp je? Als Bibi niet mijn leider was, zou ik over de vloer rollen van het lachen. Maar dat is hij wel, en daarom moet ik huilen.'

Meïr Shalev hoort met Amos Oz, David Grossman en A. B. Yehoshua tot de grote vier van de Israëlische literatuur. Zijn roman De Vier Jaargetijden verscheen in het Nederlands en volgende maand volgt een essaybundel, Vooral over de Liefde, bij uitgeverij Vasalucci.

Zijn literaire werk is sterk persoonlijk getint, gaat in hoofdzaak over de verhoudingen tussen verschillende generaties in één familie. Zijn politieke meningen en hartstochten kan hij kwijt in een wekelijkse column in het dagblad Yediot Ahronot.

'Ik zou er niet aan moeten denken een roman te schrijven over de liefde tussen een Israëlische officier en een Palestijnse. Dat is me te gekunsteld, te geforceerd politiek', grinnikt Shalev, terwijl hij ondertussen zorgzaam roert in een pannetje kippensoep. We bevinden ons in de woonkeuken van zijn flatje in West-Jeruzalem; zoon Michaël zit achter de computer, mevrouw Shalev komt even later vermoeid binnenstappen. Ze is stewardess bij El-Al en net terug uit Rome.

Ondertussen praat hij vrolijk door. 'Neem koning David, toch een van de grootste politici die het joodse volk ooit heeft gekend. Maar als je die bijbelse verhalen een paar duizend jaar later leest, zijn volgens mij zijn liefdesperikelen veel interessanter.'

Over de politieke situatie is hij minder opgewekt. Als er geen schot komt in het vredesproces, acht hij een nieuwe oorlog mogelijk. 'En die zal anders zijn dan alle vorige; hij zal niet worden uitgevochten aan het front, terwijl de steden betrekkelijk veilig zijn. Er zullen raketten aan te pas komen, het zal vreselijk zijn voor de burgers.'

In theorie ziet Meïr Shalev nog steeds een uitweg, die hij op haast bezwerende toon bepleit. 'Twee staten, Israël en Palestina, met daartussen een grens, paspoortcontrole, douane, alles wat erbij hoort. We ontruimen de nederzettingen op de Westoever en geven de bewoners een behoorlijke compensatie. En dan maar hopen dat het tussen ons en de Palestijnen over vijftig jaar net zo wordt als nu tussen Nederland en Duitsland: vrije doorgang, maar geen grote liefde.'

- Over vijftig jaar pas?

Shalev: 'O, waarschijnlijk duurt het nog langer. Dit is niet alleen een politieke kwestie, ieder complex dat je maar kunt bedenken, speelt er een rol in. Het is zo'n beetje begonnen met de vernederende verdrijving van Ismaïl uit Abrahams tent. Ik beschouw het in wezen als een gruwelijke strijd tussen familieleden. Alleen als het ons lukt om de religieuze hartstochten van de politiek te scheiden, zie ik nog enige hoop.

'Mijn grootste zorg is dat ik op dit moment niet zie hoe we het voor elkaar kunnen krijgen de nederzettingen te ontruimen en de bewoners terug te brengen naar het oude Israël. Dat had van meet af aan onderdeel moeten vormen van Oslo.

'Want de manier waarop Israëli's en Palestijnen nu door elkaar heen wonen op de westelijke Jordaanoever, dat is pas echt gevaarlijk. Het leidt tot fricties, spanningen, bloedvergieten, terreur. Die nederzettingen zijn voor Israël als een grote tumor in ons vlees. Om te overleven moet je dan soms helaas een been amputeren. Maar hoe krijg je ze weg? Ik ben bang dat het alleen zal gaan na nog een oorlog.'

- Zou je in principe niet de stelling kunnen verdedigen dat er niets tegen is als joden willen wonen op plaatsen die hun op religieuze gronden dierbaar zijn?

'Het zijn fanatici, die mensen in Hebron bijvoorbeeld. Ze hebben voor zichzelf een soort getto gecreëerd, maar er is een groot verschil met de oude joodse getto's in Europa. Daar peinsde niemand erover z'n niet-joodse buren te verdrijven. Dat is precies wat ze in Hebron wel willen.'

- Veel Israëli's zijn bang dat als bijvoorbeeld Oost-Jeruzalem aan de Palestijnen wordt gegeven, ze net als vóór 1967 niet meer bij de Klaagmuur kunnen komen.

'Natuurlijk ben ik ook niet voor het optrekken van een nieuwe, ondoordringbare muur, dwars door Jeruzalem. Ik wil graag in de Palestijnse staat op bezoek, als toerist. Ik wil met alle plezier m'n paspoort laten zien, aan de grens. Dat zou me helemaal niet het gevoel geven dat ik zwak ben, of vernederd word.

'Luister, om vrede te bereiken, in twee staten, zullen we allebei, Israëli's en Palestijnen, veel moeten opgeven. Dit is niet een soort flower power-vrede. Dat misverstand kom je in Europa veel tegen: wát leuk, al dat handenschudden met Arafat. Roerend, als Palestijnen en Israëli's elkaar zoenen en omhelzen. Maar dat willen wij helemaal niet.

'Ik wil Arafat niet kussen, ik vind het een onaangename man, die verantwoordelijk is voor heel wat erge dingen, neem alleen maar de moord op die arme oude joodse invalide op de Achille Lauro. Wat ik wel wil, is praten met Arafat over de oplossing van het conflict. Mijn credo luidt: make peace, not love.

'En wat Jeruzalem betreft: in het meest extreme geval zeg ik: liever geen Klaagmuur dan oorlog. Een beroemd citaat in Israël dateert van vlak na de oorlog van '67; de Klaagmuur was bevrijd door het Israëlische leger. De moeder van een van de omgekomen soldaten zei: ''Ik had liever mijn zoon gehad.''

'We hadden meteen na de Zesdaagse Oorlog, één, twee jaar na '67, moeten proberen vrede te sluiten. Ik was negentien en had dezelfde ideeën als nu. Maar er heerste destijds zo'n euforie. Mijn vader heeft maanden niet met me willen praten, omdat ik tegen hem zei wat ik nu zeg. Zo kwaad was hij.'

- Wat was het precies voor euforie?

'Over de militaire triomf, de grote Messiaanse overwinning. Moshe Dayan bijvoorbeeld zei toen: ''We zijn teruggekeerd bij onze heiligste plaatsen en we gaan daar nooit meer weg.'' Er is één ding dat me bevalt aan het joodse messianisme en dat is de automatische neiging van de joden om zodra zich een Messias aandient te zeggen: nee, die is het niet. Maar als mensen zeggen dat de Zesdaagse Oorlog een voorteken was van de komst van de Messias, neem me niet kwalijk zeg, op zulke noties kun je toch geen staat bouwen. Zo primitief'

- Is dat Messiaanse gevoel intussen niet weggeëbd; dat leeft toch alleen bij een klein groepje fanatici?

'Welnee. Ja, de mensen die al bezig zijn het kleed te naaien voor de priester van de toekomstige Tempel, dat is een minuscuul groepje. Maar ik vind het ook fanatisme om te zeggen: ''We kunnen ze de Westoever niet geven, omdat Abraham daar begraven ligt.'' En toch gelooft half Israël daarin.'

- Ligt dat niet een slag anders? Heeft die houding van grofweg de halve Israëlische bevolking niet minstens zoveel te maken met een diep wantrouwen of vrede wel mogelijk is? Met reële angst voor terreur en met traumatische angst die zijn wortels heeft in de joodse geschiedenis?

'Je kunt niet eeuwig met trauma's blijven leven. Ik ben een optimist, ik hoop altijd dat het goed zal komen. Ook in kleine dingen. Als Michaël veel te laat thuiskomt uit school, denkt zijn moeder dat er iets gebeurd is, terwijl ik zeg: hij is bij een vriendje gaan spelen.

'Ik wil niet permanent leven met de holocaust als slagschaduw boven m'n hoofd. Het is goed dat we de holocaust nog ieder jaar herdenken. Maar ik wil niet elke ochtend wakker worden met het angstige gevoel dat mijn kind misschien een nieuwe Anne Frank wordt. Veel mensen voelen het wel zo. Ze zijn bang voor de mogelijkheid van een nieuwe genocide tegen het joodse volk. Hier.

'Als ik me een enkele keer angstig afvraag of we zullen blijven bestaan, zeg ik tegen mezelf: juist de ongelijkwaardige, spanningsvolle manier waarop we nu met de Palestijnen verkeren, is levensgevaarlijk. Ik weet het niet, misschien geven we wel uiting aan een soort doodsverlangen.

'In elk geval beleeft het joodse volk nu een van de meest kritieke, beslissende, belangrijke momenten uit zijn geschiedenis van duizenden jaren. We zouden een leider moeten hebben van het formaat van een Mozes of koning David. En wie hebben we? Bibi.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden