Schrijver Bernlef

In het omvangrijke oeuvre van schrijver Bernlef (71) zijn ouderdom en vergankelijkheid telkens terugkerende thema’s. ‘In wezen gaat het allemaal om de liefde, de dood......

Zijn moeder speelde haar hele leven piano. Ook in het bejaardenhuis nog; daar begeleidde ze het koor. Op een gegeven moment, ze was al in de negentig, viel het Bernlef op dat er steeds hetzelfde muziekstuk op de piano stond. ‘Mam, speel je niet meer?’, vroeg hij. Ze antwoordde: ‘Ik kan het nog wel, maar ik voel er niets meer bij.’ Bernlef: ‘Toen dacht ik: nu gaat het niet de goede kant op.’ De schrijver glimlacht, ietwat verontschuldigend. Dat je de noten niet meer kunt lezen als je zo oud bent, kun je je nog wel voorstellen. Maar dat je het gevoel ervoor kwijtraakt* ‘Ze was ook steeds minder geïnteresseerd in muziek. In het bejaardenhuis had ze een cd-speler. We zetten nog weleens een cd op. Maar na een minuut of tien zei ze dan: ‘Hou maar op.’’

Wat erg, dat je gevoel verdwijnt voor iets waarvan je altijd zo hebt gehouden. ‘Ja. Ja. Terwijl het muziek was die ze van haver tot gort kende en die ze voor het grootste gedeelte ook zelf had gespeeld. Mozart, Schubert, Chopin, de hele boel. Bach was de eerste die afviel.’ Hij schiet in de lach: ‘Dáár moest ze helemaal niks meer van hebben.

‘Net of je een taal hebt gesproken die je stukje bij beetje kwijtraakt. Je hoort ’m nog wel, maar de woorden zijn veranderd in betekenisloze klanken.’ Hoe was het voor u, om dat mee te maken? ‘Ik zei niet meteen: ‘God, mam, wat erg en hoe komt dat nou.’ Op die manier praat je ook niet met je moeder. Maar ik dacht bij mezelf, en zei ook tegen mijn zus: ‘Er is iets in haar hersens gebeurd wat toch een stapje op weg naar het einde is.’’

Hij denkt na. ‘Een maand geleden is ze overleden, op haar 94ste. Ik was ook wel opgelucht dat het voorbij was. Het laatste jaar gleed ze helemaal weg. Ze was niet dement, maar had een paar TIA’s gehad, dus ze kon niet meer spreken. Op het laatst vegeteerde ze alleen nog maar. Ze at ook nauwelijks meer. Dan wordt het wel een zinloze onderneming. Hoewel je nooit*’ Bernlef steekt een sigaret op; het glazen asbakje begint al aardig vol te raken.

‘Dat is toch het raadselachtige. Want ze bleef me herkennen. Ze wilde ook telkens wat zeggen. Dan maakte ze aanstalten voor een zin, maar die kwam er niet. Wat gaat er nog in haar hoofd om?, vroeg ik me af. Nobody knows. Dat maakt die hele euthanasie-kwestie ook tot zo’n lastig onderwerp. Omdat je echt niet weet wat je naar die andere wereld helpt – wat gaat er nog in die hersens om?’

Aan het eind van het gesprek zegt Bernlef (71), opgewekt: ‘Dat is een vervelende bijkomstigheid van de Boekenweek. De komende tijd ben ík degene die bekeken wordt. Terwijl ik veel liever kijk en luister naar anderen.’

U bent altijd bezig geweest met het thema ouderdom, met vergankelijkheid. ‘Ik ben een geboren melancholicus, denk ik.’

Ouderdom is het thema van de Boekenweek 2008, die woensdag begint. Bernlef schreef het Boekenweekgeschenk De pianoman, gebaseerd op de verwarde man die een paar jaar geleden in Engeland opdook en een mediahype veroorzaakte. Hij sprak geen woord, maar tekende, en speelde piano. Uitgeverij Querido bundelde voor de Boekenweek Bernlefs verhalen over oude mensen, Het begin van tranen. Ook verscheen er een heruitgave van zijn grootste succes, de roman Hersenschimmen (1984), waarin hij van binnenuit beschrijft hoe een man dementeert. Deze ‘geriatrische bestseller’ (zoals een recensent eens opmerkte) was zijn doorbraak naar het grote publiek.

U beschreef het proces van een desintegrerend brein zo geloofwaardig, dat lezers dachten dat u in een vorig leven dement geweest moest zijn. ‘Er zijn lezers die ervan uitgaan dat schrijvers mensen zijn die iets beleven en daar vervolgens over schrijven. Die hebben er geen notie van dat er ook nog zoiets bestaat als literaire verbeelding. Ze verzinnen de gekste theorieën om dat idee over realisme maar in stand te houden voor zichzelf: er móét iets achter zitten. Alsof ze anders het gevoel hebben dat ze bij de neus worden genomen.

‘Toen het boek was verschenen, bleek dat vooral de familieleden van dementerende patiënten met veel vragen zitten waarop artsen en verpleegsters geen antwoord hebben. Hersenschimmen suggereert een antwoord. En misschien biedt het daardoor ook troost. Dat je het gevoel hebt dat je dementie beter begrijpt. Maar ik weet het echt niet, hoor. Het is geen medisch handboek.’

Inmiddels zijn er meer dan een half miljoen exemplaren verkocht – nog steeds worden er jaarlijks vijfduizend Hersenschimmen verkocht. De productieve schrijver – hij heeft inmiddels 85 titels op zijn naam staan: ‘Zoals een vertegenwoordiger van Querido tegen mij zei: ‘Over jou hoeven we ons geen zorgen meer te maken. Jij bent een merk!’ Hij bedoelde het als een compliment. Ik vond het een beetje merkwaardig om te horen.’ Hartelijke lach.

Veel van uw werk gaat over mensen die elkaar kwijtraken: door dementie, omdat een van de twee overlijdt, omdat iemand spoorloos raakt. ‘Het is onvermijdelijk dat in een lange verhouding een van de twee eerder doodgaat dan de ander. En daarvoor is iedereen ook terecht bang. Als de ander overlijdt, sterft ook een deel van jou af. Omdat je die herinneringen niet meer met elkaar kunt delen. Dat halve woord, waaraan je altijd genoeg had, is verdwenen.’ Het kan zo, ineens, voorbij zijn. ‘Ik heb het laatst met mijn vrouw Eva gehad, in Parijs. We waren elkaar in Centre Pompidou kwijtgeraakt. Ik dacht ten onrechte dat ze geen geld bij zich had en de naam van het hotel niet wist. Zij dacht dat ik al was vertrokken en ging naar het hotel. Ik bleef maar rondhangen in Centre Pompidou en liet haar omroepen. Gelukkig had ik een kaartje van het hotel bij me. Bleek dat zij al een uur in de lobby zat te wachten. Halve hotel op z’n kop natuurlijk.’ Want u bent ook ouder – er kon van alles gebeurd zijn. ‘Daarom. Het personeel van het hotel had gelukkig nog net niet de ziekenhuizen gebeld. Niemand heeft het er graag over, maar het is een reële angst.’

En u leeft al heel lang samen met Eva Hoornik. U schijnt al na een maand met haar getrouwd te zijn. ‘Nou, ik had haar wel een paar maanden eerder leren kennen. In 1960. Eva werkte voor het Haarlems Dagblad en moest me interviewen. Op het Boekenbal kwamen we in gesprek met een verslaggever van Het Vrije Volk. Wij, met een slok op: ‘We gaan trouwen.’ De dochter van de dichter Ed. Hoornik: dat was nieuws natuurlijk. Dus het stond de volgende dag in de krant. Maar mijn ouders wisten van niks. En die lazen Het Vrije Volk. Dat was even een pijnlijk moment. Ze hadden Eva zelfs nog nooit gezien.’ Waarom wist u zo snel dat u met elkaar wilde trouwen? ‘Ja* dat weet ik niet. Dat is dan dat je denkt: ‘Ja, zíj.’ En zij dacht waarschijnlijk hetzelfde van mij. We hebben daar niet veel woorden aan vuil gemaakt, nee.’

Denkt u er bij het ouder worden vaak over na, dat u haar kunt kwijtraken? ‘Het zijn meer van die bewustzijnsmomenten, die eventjes bij je opkomen. Als zij ergens anders is. Dat je niet weet waar ze heen is. Ik ben niet zo’n zorgelijk type, maar het flitst altijd eventjes door je hoofd. Altijd. Dat is zo.’ Ook als jongere auteur kon u al goed het gevoel beschrijven van twee mensen die elkaar verliezen.

‘Ja. ja.’ Korte stilte. ‘Het zijn waarschijnlijk wel een soort obsessies, die je hebt. Je bent ermee bezig omdat je dan de essentie van het menselijk bestaan het scherpst voor de lens krijgt. Ik had het er gisteren nog over met mijn dochter. Ik zeg: ‘Eigenlijk gaat het maar om een handvol dingen in het leven, waaraan iedereen in de loop van honderden jaren zijn eigen draai heeft gegeven. Maar in wezen gaat het allemaal om de liefde, de dood* De rest is franje.’

‘Ik dacht: wat wil ik nog lezen? Dat is ook zoiets waarbij je stilstaat als je ouder wordt. Ineens wist ik: de essays van Montaigne. Zo’n onafhankelijke denker, van zo lang geleden. Die lees ik nu, elke keer een paar hoofdstukjes. Dan besef ik weer: de wereld is enorm veranderd, maar de manier waarop mensen reageren op het leven en op elkaar verschilt niet zoveel.’

De liefde, de dood; waarom draait het nog meer? ‘Nou ja: ook genieten van de wonderlijke dingen van het bestaan. De ervaring om in een bos te lopen, of een wandeling te maken langs de kust. Het zijn ook geluksmomenten natuurlijk.’ Je kunt je afvragen of mensen genoeg stilstaan bij de geluksmomenten die ze hebben. ‘Ja* Of ze jagen ze op een te bewuste manier na. Laten zich leiden door allerlei clichés over geluk. Dan gaan ze met zijn tweeën naar een tropisch eiland. All in. Met zo’n ober die voortdurend drankjes rondbrengt. En dan kijken ze elkaar aan en zeggen ze: ‘Voel jij je nou gelukkig?’ Nou nee, eigenlijk niet dus. Geluk kun je niet organiseren. Dat overkomt je. En het kan ’m zitten in iets heel kleins.’

Hij vertelt over zijn allereerste gedicht, in de bundel Kokkels. In het begin somt hij alle ‘instrumentaria’ op waarmee je zelfmoord kunt plegen. (‘Een soort geintje’) Vervolgens legt hij in twee regels uit hoe je zo’n touw of mes kunt gebruiken. Boven het gedicht staat een opdracht. Waar hij die vandaan heeft, weet de schrijver ook niet meer: ‘The more you think of dying, the better you will live.’ Zo.

Ironische blik: ‘Voor een jongen van 21 een nogal wijsneuzerige opmerking, ja. Maar een besef van vergankelijkheid maakt ook wel dat je heel bewust met de dingen omgaat, omdat je weet dat ze eenmalig zijn.

Later: ‘Het is niet zo dat ik altijd maar heb gedacht: ‘O, alles gaat voorbij.’ Maar dat je je sterk realiseert dat alles voorbij gaat, is natuurlijk typisch het kenmerk van een melancholicus. De een heeft dat gevoel meer dan de ander.’

U bent ontzettend trouw in vriendschappen, vertelde een bekende. ‘Ja. Ik heb niet een groot scala aan vrienden, maar ben heel trouw aan degenen die ik heb.’

En u bezit de ‘betrouwbaarheid van een Zwitserse klok’, in alles, zei hij. ‘Ik ben inderdaad zeer punctueel. Die eigenschap heb ik van mijn vader.’ Uw manier van schrijven is heel precies, bijna kaal. Geen woord te veel. ‘In veel boeken zie ik allemaal beeldspraak en literair gedoe. Zo willen auteurs laten doorklinken hoe origineel zij de werkelijkheid zien. Niets gaat zo snel vervelen en raakt zo snel verouderd als juist dat soort originaliteit. Dus daar ben ik heel karig in – maar er zijn ook lezers die dat saai vinden.

‘Mijn boeken zijn overal in de wereld vertaald. In Duitsland lopen ze niet. En dat begrijp ik ook wel. De Duitsers houden van een bloemrijke, literaire stijl, met verwijzingen naar de cultuur en naar het verleden, en met citaten uit de klassieke oudheid. Ik heb wel eens gezegd: ‘Harry Mulisch is de enige Duitse schrijver die in het Nederlands schrijft.’ Zijn romans begrijpen de Duitsers meteen – dat filosofische en zo. Terwijl: Duitsers die een boek van mij lezen, vertrouwen het niet helemaal. Die denken: is het zo eenvoudig?’

Schemert uw karakter ook door in uw manier van schrijven? ‘Absoluut. Mijn zus en ik zijn secundair reagerende mensen. Dat heeft met onze opvoeding te maken. Met gevoelens liep je niet te koop. Als er bij ons thuis al eens onenigheden waren, bespraken mijn ouders die in de keuken, zonder de kinderen erbij. Ik heb nooit geleerd ruzie te maken. Daardoor ben je toch onthand als je in een conflict terechtkomt. Ik heb de neiging de problemen te omzeilen. In het ergste geval door maar helemaal niet te reageren.

‘Al dat opkroppen. Al die mensen in die boeken van mij, die kroppen alles maar op.’ Er wordt weinig uitgesproken in uw boeken, ja. Lachend: ‘Helemaal niet goed.’ Dan: ‘Het heeft ook voordelen. Ik heb geleerd scherp naar anderen te luisteren.’

Geen man van grote emoties? ‘Die zijn er wel, maar die zitten ergens onder de oppervlakte. In het echte leven heeft het nadelen. Ik had duidelijker moeten zijn, denk ik dan. ‘Meer straight. Gewoon moeten zeggen waar het op staat.’

Even later: ‘Ook politiek gesproken ben ik iemand van het compromis. Mijn vriendjes waren vroeger voor Cuba en Mao en de Vietcong en ik vond het allemaal maar niks. Ik zag al meteen dat het zou eindigen in dictatuur en onderdrukking.

‘Ik lijk op mijn grootvader. Zo’n man die meedoet aan een demonstratie, maar dan wel een kwartier later vertrekt, zodat-ie alleen loopt. De meute wandelt voor hem uit, hij loopt 500 meter daarachter. Solidair, maar op afstand.’ Klák, doet zijn aansteker

Uw vrouw zegt nooit, als het gaat om elkaar kwijtraken: stop eens met dat gerook? ‘Ze doet het zelf!’ Schalkse oogopslag: ‘Maar nu hebben we dit. Jahaaa*’ Hij pakt een smalle koker, wriemelt er een elektronische sigaret uit.

‘Ach, mijn generatie bestaat uit allemaal rokers, hè. En het is ook het beroep. Ik was laatst bij de dokter. Die vroeg (vrolijke stem): ‘En, hoe is het met de nicotine?’ Ik zeg (sombere stem): ‘Ja, hoe is het met de nicotine?’ De dokter zegt: ‘Ik hoor het al. Die schrijvers zijn echt hopeloos.’

Ik heb altijd het gevoel dat de geest veel minder snel veroudert dan het lichaam. Meteen: ‘Ja! Soms begrijpen jongeren dat niet. Nu ben ik op de leeftijd gekomen dat jongelui in de tram – niet veel, moet ik zeggen – beleefd vragen: ‘Wilt u zitten, meneer?’ Vaak zeg ik: ‘Nee hoor, is helemaal niet nodig. Ik moet er zó uit!’

‘Maar je hebt geen goed inzicht in hoe je op anderen overkomt – dat weet je niet precies. Ik weet wel zeker dat mijn geest absoluut geen 71 is. De geest veroudert niet mee; dat is gewoon zo. Neurologen zeggen ook: die hersenen veranderen wel, maar ze verouderen niet. Ja, totdat je op zo’n hoge leeftijd komt dat je begint te lijden aan aderverkalking, of dat je echt problemen krijgt met het functioneren van de hersenen.’

Om zich heen ziet hij de ‘eerste vrienden vallen’ – ze gaan dood. ‘Die hebben minder geluk gehad dan ik. Het maakt je kwetsbaarder. Godsamme, who’s next?, denk je dan. En toen mijn moeder stierf – mijn vader was al eerder overleden – stond ik plotseling in de vuurlinie. Ik ben de oudste van de familie, nu.’ Denkt u daar veel over na? ‘Ik moet mijn testament eens maken. Maar ik stel het steeds uit. Ik moet mijn archief op orde brengen, want straks gaan er allemaal mensen in zitten graaien. Er is allerlei rommel die ik moet weggooien. Dat neem ik me voor en dan denk ik de volgende dag: ach dat verleden, dat kan wel even wachten, ik ben nu in het heden bezig.

Ik schuif het van me af. ‘Maar het is zo: deze maatschappij lijdt sterk aan de verdringing van een onafwendbare toekomst. Dat vind ik niet verstandig. Er is natuurlijk geen ontkomen aan het eindpunt van een leven. Ik heb het altijd raar gevonden dat we zo gericht zijn op het jeugdige. Ik vind dat niet zo’n gezonde ontwikkeling.’

Hij pakt zijn nepsigaret. Straks zit er niets anders op, in café en restaurant. De schrijver moppert wat op het betuttelende kabinet. Op de ‘bemoeizucht.’ Op premier Balkenende, die tegen een Amerikaanse televisiedominee heeft gezegd hoe belangrijk religie voor hem is.

Zuchtend: ‘Nou ja, ik geloof het ook wel. Die man meent het ook.’ U bent niet religieus, maar in uw boeken zit soms iets mystieks. Een eland die ineens verschijnt, bijvoorbeeld. ‘Jawel, ja. Ik geloof niet op de traditionele manier, dat het leven wordt geleid door een hogere instantie. Laat staan dat je na je dood nog voortleeft. Maar wat atheïsten vaak vergeten is dat het leven zelf natuurlijk totaal wonderlijk is. Laatst was er een documentaire van National Geographic, over hoe een tweeling, een drieling en een vierling groeien in de baarmoeder. Als je ziet hoe die om elkaar heen drijven, hoe die wenkbrauwtjes beginnen te groeien* Ongelooflijk wonderlijk. Als atheïst moet je toch wel een hart van steen hebben om níét te zeggen: ‘Dit is op zijn minst bijzonder merkwaardig, allemaal.’’

Bij de crematie van Bernlefs moeder begon zijn oudste kleindochter ineens vreselijk te snikken. ‘Eva vroeg: ‘Waarom moet je zo huilen?’ Mijn kleindochter zei: ‘Opeens dacht ik dat jullie ook opa en oma zijn. En ook dood kunnen gaan.’’

Hij is even stil. ‘Dat vond ik zó lief, hè. Ja.’ Heel raar, toen hij voor het eerst in zijn moeders huis kwam, nadat ze was overleden. ‘Net of het interieur op je af stormt.’ Tijdens het opruimen vond hij een prachtige foto van zijn moeder, op haar 20ste, in een jurkje met pofmouwtjes. Een ontroerende foto van een jong meisje – hij ademde onschuld uit. ‘Die heb ik laten uitvergroten en op haar kist gezet. Dat vond ik belangrijk. Toch van: zo is het ooit begonnen, voordat het leven bezit van haar nam.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden