Schrijven in de breedte

In beschouwingen van zijn werk ligt de nadruk vaak op de herkenbare realiteit. Dat A.F.Th. van der Heijden nieuwsfeiten in zijn romans verwerkt, dat klopt....

door Arjan Peters

Neem bijvoorbeeld de wieldop. In de novelle Weerborstels van A.F.Th. van der Heijden, uitgebracht als Boekenweekgeschenk 1992 en als intermezzo inpasbaar in de romancyclus De tandeloze tijd, vertelt zijn alter ego Albert Egberts over het stormachtige leven van zijn vijf jaar jongere neef Robby. Die hield van auto's en motoren, die hem de snelheid gaven waarmee hij het leven naadloos in de dood kon laten overgaan: reeds op zijn 21ste reed Robby zich dood.

Daarvan doet Albert Egberts verslag, met bevreemding en lichte jaloezie: want zíjn bestaan wordt veeleer getekend door onmacht, impotentie en stilstand. Hij moet zijn tegengestelde verlangen eerst nog maar eens in praktijk zien te brengen: 'Zo te leven... altijd... niet vooruit, op de rails van de aardse tijd, die naar de dood leidden... maar buiten die tijd, op een zijspoor... een leven niet in de lengte, maar in de breedte' (De gevarendriehoek, 1985).

Waar Albert Egberts naar zoekt, dat brengt zijn geestelijk vader majestueus in praktijk: de boeken van Van der Heijden, vanaf zijn debuut Een gondel in de Herengracht (1978) onder het pseudoniem Patrizio Canaponi, ontspruiten stuk voor stuk aan de behoefte de lineaire tijd te doorbreken, door van de rails te stappen en het stom voorttikkende leven om te keren en uit te breiden. De ongrijpbaar geachte tijd wordt onder de handen van Van der Heijden een mythische sprookjeswereld vol gruwel en grandeur. Onvermoeibaar stelt hij zijn barokke verteltalent in dienst van dat doel, zodat de 'tandeloze tijd' waarin Albert Egberts (Geldrop, Koninginnedag 1950) volwassen wordt, weer geur, kleur en smaak verkrijgt.

Die wieldop dus. Die vervult in de epiloog van Weerborstels een magische rol. Robby heeft zich doodgereden tegen een boom. Op de krantenfoto van het ongeluk ziet Albert Egberts, 'het was maar een kleinigheid', dat van het linker voorwiel de dop ontbreekt. En dan stelt hij zich voor hoe die glanzende discus alles heeft gespiegeld, als een traan in de donkere nacht: die dop heeft weet van het 'niemandsmoment, waarin het de zielen is vergund hun biezen te pakken en stilletjes die smeerboel van uiteengereten lichamen te verlaten'. En daarna ving de wieldop de lichten op van de politiewagens, de ambulance, de takelwagen. In het adembenemende slot ziet Albert er zelfs 'met de ogen dicht' Robby's schedel in terug, waarop vroeger zijn weerborstels zaten. 'Hij is niet dood.' Dat is de laatste zin. Met een machtig gebaar heeft Van der Heijden de snelheidsduivel vastgegrepen en zijn eigen literaire universum binnengetild. Dáár kan Robby weer herleven, elke keer als een lezer zich buigt over zijn abrupt afgebroken - en daardoor onbedoeld gestileerde - geschiedenis buigt.

Een onopgemerkte wieldop wordt de drager van leven. In beschouwingen over Van der Heijdens werk wordt dikwijls ingezoomd op de herkenbare realiteit (van Geldrop, Nijmegen, Amsterdam; de zaak over de gestorven kraker Hans Kok die in Advocaat van de hanen uit 1990 is verwerkt, de zaak over de vermeende moordenares Annie E. die in Het Hof van barmhartigheid uit 1996 opduikt), alsof het de schrijver er slechts om te doen zou zijn spraakmakende nieuwsfeiten over te hevelen naar een roman met een kop en een staart.

Maar het oeuvre is ook anders open te breken, zodat de schijnwerpers op zijn rijke literaire talent worden gericht: zet alle magische momenten op een rij, en duidelijk wordt waarom Van der Heijden die bekende gegevens spiegelt en vervormt. Hij wil met zijn cyclus niet alleen de 'temps perdu' van een working class hero terugroepen, maar maakt die tijd intenser en zwanger van symboliek, dankzij zijn artistieke roeping.

In het autobiografische requiem De sandwich (1986) vertelt hij over zijn geheugenkunst: 'Elke min of meer omlijnde herinnering bleek op den duur terug te brengen tot een woord, of een kleine groep van woorden.' Die kernwoorden roepen een repertoire van beelden op. Het worden scènes, verhalen, materiaal waarmee hij de tijd te lijf kan: 'Inmiddels ben ik er zo een die aan een paar afgekorte woorden en een geplette mug in een zakagenda van twaalf jaar oud voldoende heeft om hele etmalen te reconstrueren, tot in de kleinste uithoeken en de kleinste uurtjes - met overigens het wrange besef dat waar voorbije gebeurtenissen herkauwd worden, niets nieuws geschiedt. De zoete deugd der vergetelheid ken ik eigenlijk alleen door de alcoholische roes, als die tenminste grondig genoeg was om zwarte gaten te laten vallen.'

Dat nieuwe, dat moet Van der Heijden door hard werken zelf tot stand zien te brengen. In De gevarendriehoek droomt Albert op zijn zesde dat God hem de zon gaf, een gouden schijf 'die vrij in de ruimte hing', een 'gouden spiegel' die verblindend licht uitstraalt. Het is misschien niet eens zo vermetel Van der Heijden een religieus mythomaan te noemen.

Aanstaande maandag wordt hij vijftig. In portefeuille heeft hij zeven delen van zijn nieuwe cyclus Homo Duplex, waarin hij onder de naam AFTH naar verluidt hedendaagse voetbalrellen verknoopt met Antigone en Oidipous van Sofokles: dwars door de tijden heen. Niet vooruit, maar in de breedte. Wie in hem dán nog steeds een kopiist van het dagelijks leven wil blijven zien, moet haast wel van kwaden huize komen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden