Schoonheid van het onvoltooide

Wie het begin eenmaal heeft, kan vandaar recht op zijn doel afgaan, of zich laten afleiden door wat hij onderweg tegenkomt....

Het begin is het moeilijkst. Zo veel verschillende mogelijkheden dringen zich op dat kiezen haast onmogelijk is. Maar is er eenmaal een begin, dan is dat meteen vaak het beste deel. Eerste zinnen, eerste liedjes, eerste pasjes, eerste oefeningen, jeugdzonden, kalverliefdes, proefritjes, curtainraisers - het kan niet anders of die hebben een levenslange voorgeschiedenis. Hoe lang dat leven tot dan toe heeft geduurd maakt niet eens zo veel uit.

Daarna komt onvermijdelijk het vastleggen. Wat volgt moet zich altijd op enigerlei wijze verhouden tot dat begin. Door het spoor te volgen, af te wijken, uit te breiden, tegen te spreken, voort te borduren, te ontkennen, te verleggen, te bezweren. De eerste kreet, de eerste melodie zet de toon voor al wat volgt - ook als dat een dissonant is. Daaraan ontsnappen is niet mogelijk.

Daarmee heeft het begin een plek. Wat daarna gebeurt, hangt helemaal af van de persoon om wie het gaat. Want wat bezielt de persoon die zojuist begonnen is. Wat wil hij bereiken, hoe kijkt hij tegen de zaken aan?

Om daar zicht op te krijgen hebben we tegenstellingen nodig. Die ontstaan als we de mensheid in tweeën klieven. De vertrouwde dichotomieën volstaan daarbij niet. De oerverdeling in mannen en vrouwen schiet in een tijd van mannelijke vrouwen en vrouwelijke mannen ernstig tekort. Die in jong en oud doet geen recht aan leeftijd als relatief begrip. Je kunt immers middelbaar geboren worden, en je leven lang van de jeugd niets willen weten. Ook rijk en arm voldoen niet. Materie is geen absoluut gegeven, maar een kwestie van waarneming en verhoudingen.

En belangrijker is: al die dichotomieën zijn statisch, ze brengen niets in beweging. Met hun hulp komen we nooit voorbij het begin. Een dynamisch onderscheid moet gemaakt worden, een tweedeling die helpt een heldere kijk op de medemens en diens bedoelingen te krijgen.

Zo'n onderscheid is dat tussen doel en proces.

Ogenschijnlijk liggen doel en proces in elkaars verlengde. Het klinkt zo simpel: je neemt je iets voor, kiest een route, trekt je schoenen aan en gaat door totdat je je doel hebt bereikt. Kwestie van volhouden.

In werkelijkheid gaapt er een afgrond tussen beiden.

Omdat je er van twee kanten in kunt tuimelen, is het goed je van die afgrond bewust te zijn. De doelgerichten denken in hun haast om het doel te bereiken over de kloof te kunnen springen, maar tuimelen als ze er bijna zijn achterover, omdat ze onderweg haltes hebben overgeslagen. Welke haltes dat zijn, daarover komen we zo dadelijk te spreken.

De procesmensen doen het heel anders. Ze nemen de tijd, genieten met een strootje tussen de tanden van het uitzicht, en vergeten al doende waarheen ze eigenlijk op weg waren. Hun lot is het voorover in de afgrond te tuimelen, met de blik in de verte gericht.

Proces en doel worden verbonden door een denkbeeldige lijn. Een strakke rechte streep voor de doelgerichten, een parcours vol bochten, lussen en verdikkingen voor de procesmensen. Het kan heel verhelderend zijn te proberen de mensen die je kent en ontmoet ergens op die lijn een plek te geven. Er is plaats genoeg voor iedereen.

Z

o zijn er onderwegkunstenaars en eindkunstenaars. In De Wording, een veelbekroonde tv-documentaire van Cherry Duyns uit 1988, werd dat inzichtelijk gemaakt. Vijf kunstenaars werden tijdens hun scheppingsproces op de voet gevolgd. Armando werd voor de gelegenheid gefilmd door een transparant doek. Vanuit het perspectief van het schilderslinnen zag je de schilder kijken, klodders verf op het doek werpen, de kwast er doorheen vegen, weer kijken, afstand nemen. Armando was een man in beweging. Hij wist niet waar dit alles precies toe zou leiden; hij was onderweg, en daar ging het hem om. Carel Visser, Reinbert de Leeuw, Ida Gerhardt - alle kunstenaars in de documentaire vertoonden een vergelijkbare beweeglijkheid. Heel duidelijk was dat te zien bij Hans van Manen, die werd gevolgd bij het maken van een choreografie. Het puur ambachtelijke van zijn werkwijze werd getoond: eindeloos vaak naar de te gebruiken muziek luisteren en dan van seconde tot seconde, van pas naar pas de dans bedenken en monteren. Van Manen vertrekt zonder zijn eindpunt te kennen. Zijn enige houvast is de muziek en de zelfopgelegde dwang: één minuut dans per dag.

Het is razend interessant het scheppingsproces - hoe ellendig het woord ook klinkt - mee te maken.

Van Manen in de studio is beter dan een Van Manen op het podium. Omdat naast het resultaat ook het denkwerk zichtbaar is, het proces van proberen en verwerpen, het wikken en wegen dat aan alle kant en klare kunst voorafgaat. Dan zie je de nonchalance waarmee de mooiste vondsten worden weggewoven, je ziet de schijnbare willekeur van de besluiten, je proeft de opwinding over wat op het punt staat te gebeuren. Hier is niets bezig iets te worden. Dezelfde opwinding kan ontstaan bij Poetry International, waar ter plekke gedichten worden vertaald. Of bij het samenspel van muzikanten die een compositie net niet helemaal zorgvuldig hebben kunnen instuderen.

Van oudsher worden de halffabrikaten in de kunst ook wel gekapitaliseerd. Zoals schilders hun schetsen en voorstudies verkopen, zo worden van popmuzikanten de outtakes, demo's, live- en studio-opnamen uitgebracht. De voorstudies van Good Vibrations van The Beach Boys, een van de best geproduceerde nummers uit de popgeschiedenis, zijn indringender dan het eindresultaat. Filmregisseurs brengen tegenwoordig op dvd hun alternatieve scènes uit, zodat de kijker niet alleen weet wat hij heeft, maar ook wat hij moet missen.

Studioconcerten, workshop-optredens, jeugdzonden die eigenlijk niet gepubliceerd hadden mogen worden, studies, modellen in klei voor beelden in brons - ze brengen je dicht bij de kunstenaar. Het odium van onvoltooidheid dat daar omheen hangt, gunt je de illusie van nabijheid. Als het vernis nog niet is aangebracht, de soundmix nog niet achter de rug is, de laatste correctie nog moet worden uitgevoerd, dan ervaar je kunst in alle beweeglijkheid die bij het wordingsproces hoort. Nu nog is de schepping vluchtig, niet gefixeerd. Straks, als de regisseur de laatste aanwijzingen heeft gegeven, als de eindredacteur het manuscript heeft gladgetrokken, als de producer de balans heeft gevonden, dan ben je als publiek definitief op afstand gezet. Dan zal alles avond na avond hetzelfde zijn, dan staat het beeld ongenaakbaar in de galerie te glanzen.

We bevinden ons nu nog met één been in een tijd waarin andermans werk geïncorporeerd mag worden. Neem een Disney-figuur, een soepblik, een flard uit I've got the power, een paar maten van Beethovens negende of een vers uit de Ilias en doe er je eigen ding mee. Het eindfabrikaat van de een is brandstof voor de ander. Die tijd van ongebreideld citeren, toeëigenen, samplen, bewerken, zeg maar de typisch postmoderne vaardigheden, is sterk procesgericht. Het verzamelen van al dat materiaal is nog zeker zo belangrijk als het eindresultaat.

G

eleidelijk begint zich een volgend stadium af te tekenen. Het onderweg zijn duurt lang en is inspannend, bovendien weet je maar nooit of je wel zult aankomen. Waarom zou je niet gewoon bij het eindstation beginnen? Je begint als beroemdheid, en doet daarna eventueel de vaardigheden op die nodig zijn om beroemd te blijven. Het samenspel van media en bedrijfsleven is inmiddels zo verfijnd, dat die mogelijkheid soms binnen bereik komt. Het is de meestertruc van Idols, maar ook van het miraculeuze damesstrijkkwartet Bond Shine, van schrijfster Lulu Wang, van actrice Katja Schuurman, van de Spice Girls, van Schwarzenegger als gouverneur van Californië: eerst incasseren, dan pas kijken of je de kwaliteiten hebt. Zo krijgt de ultieme omkering gestalte, waarbij het aankomen voorafgaat aan het onderweg zijn.

Het andere uiterste is veel mooier: een kunstwerk dat lang geleden als een bebloed stipje aan de horizon verscheen, nadien eindeloos vaak veranderde en nu zichzelf niet meer zou herkennen, verweerd en gedeukt van de lange reis door de tijd die het heeft gemaakt.

Dat is het verhaal van een van de beroemdste liedjes aller tijden, dat begint met de St. Louis Globe Democrat, die op de dag na kerstmis van het jaar 1895 meldde dat William Lyons, een loonwerker, de avond tevoren in de bar van Bill Curtis, op de hoek van de Elfde en Morgan Street in St. Louis, door Lee Sheldon van de pakjesdienst in zijn onderbuik was geschoten. De goede vrienden haden het samen op een drinken gezet. Toen het gesprek op politiek kwam, kregen ze onenigheid, waarop Lyons Lee de hoed van het hoofd had getrokken. Lee vroeg zijn hoed terug, kreeg niet meteen zijn zin, greep naar zijn revolver en haalde de trekker over. Nadat Lyons dodelijk gewond was ineengezakt op de kroegvloer griste Lee de hoed uit diens handen en wandelde kalm de deur uit.

Tot zover niets bijzonders. In de negentiende eeuw waren moord en doodslag aan de orde van de dag, zeker in de morsige kroegen van grote steden, waar dagwerkers hun loon vergokten. Toch was die scène van hooguit een halve minuut, waarin Sheldon schoot, zijn hoed uit de handen van zijn stervende vriend pakte en wegliep, het begin van een lang verhaal. Lee Sheldon was niet zomaar een man, zijn bijnaam was Stag Lee. En William Lyons, zijn slachtoffer, werd ook wel Billy DeLyon genoemd. Dat maakte Lee tot leeuwentemmer en zijn daad tot de grondstof van mythen.

Het verhaal van Stag Lee werd meegenomen door het water van de Mississippi en spoelde uiteindelijk aan in New Orleans. Onderweg veranderde zijn naam in Stagolee, Stag-O-Lee, Stackolee, Stack-A-Lee, Skeeg O'Lee en Staggerlee. Staggerlee shot Billy, shot the boy so bad, dat stond vast. Maar verder was het verhaal zo vloeibaar als maar kan zijn. Naarmate de tijd vorderde, werd Staggerlee slechter en slechter. Hij groeide uit tot de ultieme snoodaard van de blues, zo slecht dat in de zomer de vliegen niet rond zijn hoofd wilden cirkelen, en dat er in de winter geen sneeuw op zijn huis wilde vallen. En hij was zo gevaarlijk, dat rechercheur Baio, die nooit te beroerd was om achter de meisjes van plezier zonder papieren aan te jagen, hem niet durfde te arresteren.

S

teeds meer details duiken op. Zo zou Staggerlee verzot zijn geweest op Stetson hoeden. Door de vieze ramen van zijn krot aan Market Street in St. Louis kon je een heel rijtje zien hangen. De citroenkleurige was voor door de week, de zwarte met twee witte ogen erop droeg Stag op zondagen. De mooiste was er een met de kleur van ossenbloed, die gemaakt zou zijn van de huid van een mensetende panter, die door de duivel levend was gevild.

De ruzie ging trouwens niet over politiek maar over valsspelen. Later kreeg Lyons een vrouw, Delia, die, omdat de politie werkeloos toekeek, dan maar zelf thuis een revolver was gaan halen om Staggerlee mee in het kruis te schieten. Maar er zijn ook versies waarbij Staggerlee intrekt bij Lyons' vrouw, eigenhandig de politieman doodschiet die hem wil arresteren en uiteindelijk de duivel van zijn troon stoot om de macht over te nemen.

Staggerlee blijft veranderen, zo lang er over hem wordt gezongen - met begrip, met woede, met afkeer. Al die honderden Staggerlee's zijn in staat tot een koelbloedige afrekening, want dat is een familietrek. En allemaal zijn ze terug te voeren op die kerstnacht in St. Louis, waar in een luizige kroeg een moord werd gepleegd waarvan amper iemand ooggetuige was.

Er was een begin, maar het eind is niet in zicht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden