Schoolplein begeerte

Seksueel misbruik van kinderen is waarschijnlijk van alle tijden. Alleen werd er vroeger anders mee omgegaan. Meestal werd de zaak in der minne geschikt....

'Ontucht door onderwijzers', luidt de titel van een artikel dat de Groningse psychiater S. van Mesdag in 1920 in het Tijdschrift voor Strafrecht publiceert. Hij beschrijft daarin uitvoerig negen ontuchtzaken waar onderwijzers bij betrokken zijn.

C. bijvoorbeeld, een 35-jarige 'normalen man', die 'bij sterke begeerte' de meisjes uit zijn klas betast. Twee keer krijgt hij een waarschuwing, de derde keer bemoeit de schoolopziener zich ermee en volgt ontslag.

Of J., 'een enigszins nerveuzen man', die zich anderhalf jaar lang vergrijpt aan vier veertienjarige knapen uit zijn klas. Hij wordt opgepakt, maar bij gebrek aan bewijs vrijgelaten, waarna hij op zijn nieuwe school met de ontucht verder gaat. 'Verschillende jongens betastten hem wederkeerig en brachten hem tot ejaculatie, zoo maar onder de les.'

J. was in zijn dorp een gezien persoon, schrijft Van Mesdag. 'Hij stichtte verschillende vereenigingen, en wel een landbouwvereeniging met boerenleenbank, een werkliedenvereeniging, een kiesvereeniging en twee drankbestrijdersvereenigingen, de eene voor mannen, de andere voor vrouwen.' Ook de populariteit van onderwijzer C. wordt benadrukt. 'Een zeer gezocht medewerker aan plaatselijke feestjes, altijd vroolijk, maar ook altijd netjes.'

Die opmerkingen zijn niet zonder betekenis. Van Mesdag meent dat ontslag, 'verwijdering uit het verleidende milieu', de beste straf is voor een ontuchtige onderwijzer. Hij is dan niet alleen zijn baan kwijt, en alle aanspraken op pensioen, maar verliest ook zijn gezag, zijn maatschappelijk aanzien, zijn positie als directeur van de toneelvereniging. Gevangenisstraf werkt niet verbeterend, aldus de psychiater. 'De cel kan hun kracht tegen de verleiding niet grooter maken.'

Die opvatting vindt ook dertig jaar later nog weerklank. Een rechtszaak is niet in het belang van de onderwijzer, noch van de leerlingen, stelt de Amsterdamse zenuwarts dr A. J. de Leeuw-Aalbers in een lezing op 4 maart 1950 voor het Psychiatrisch-Juridisch Gezelschap. De carrière en het gezin van de onderwijzer zouden gebroken zijn. En de leerlingen zouden geschaad kunnen worden door het uitvoerige verhoor en de gevolgen van hun aangifte voor de onderwijzer, die zij volgens De Leeuw-Aalbers ook veel liefde toedragen.

Zij adviseert scholen die met een ontuchtzaak te maken hebben min of meer de zaak intern op te lossen. Ontslag is niet altijd nodig. Schakel een psychiater in en verplicht de onderwijzer zich onder behandeling te laten stellen. Die oplossing wordt ook nu soms als de meest elegante gezien. Vorige week kwam een omvangrijke ontuchtzaak op de Amersfoorste Guido de Brès-scholengemeenschap aan het licht. Een 45-jarige aardrijkskundeleraar had jarenlang seksuele spelletjes met leerlingen gedaan; in twee gevallen zou van verkrachting sprake zijn geweest. . De rector erkende dat de leiding van de school al in 1990 op de hoogte was van de praktijken van de leraar. De zaak was toen stil gehouden omdat ontslag of een juridische procedure de psychische problemen van de docent zou verergeren.

Toen de leraar drie jaar later bekende met de ontucht te zijn doorgegaan, volgde ontslag, maar opnieuw geen aangifte. Politie-onderzoek zou voor leerlingen en ouders verschrikkelijk zijn geweest, aldus de rector. De zaak ging in de doofpot, dat was tenslotte ook minder gênant voor de school.

De sterk afkeurende reacties die de afgelopen week van meerdere kanten op die beslissing gekomen zijn, maken duidelijk dat het intern oplossen van een ontuchtzaak niet meer geaccepteerd wordt. 'Openheid is nodig omdat duidelijk is geworden welke desastreuze gevolgen seksueel misbruik voor de slachtoffers kan hebben', meent prof H. Baartman, hoogleraar preventie en hulpverlening inzake kindermishandeling aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. 'We zijn er veel meer dan vroeger van doordrongen dat het voor de verwerking van dat trauma nodig is dat openheid wordt betracht.'

Toch zijn de adviezen van Van Mesdag en De Leeuw-Aalbers om justitie in ontuchtzaken er buiten te houden in het licht van hun tijd gezien begrijpelijk, vindt Baartman. 'Het woord doofpot is op hun tijd niet van toepassing. Ik heb de indruk dat seksueel misbruik toen weliswaar niet als bagatel werd afgedaan, maar toch als minder ernstig werd beschouwd.'

Die indruk lijkt te worden gestaafd door Van Mesdags beschrijving van de 'slechts geringe moreele verontwaardiging' die ontstond toen in een dorp uitlekte dat de onderwijzer ontucht had gepleegd met een meisje uit zijn klas. De plaatselijke geestelijke schakelde justitie in.

'Maar de bevolking van het dorp nam dit den geestelijke zeer kwalijk en koos beslist partij voor den onderwijzer, van wie men hield omdat hij hulpvaardig was. En de moeder van het aangerande meisje vergaf het hem graag; 't was wel niet goed wat hij gedaan had, maar 't beteekende toch ook alweer niet zooveel, want hij had het vroeger, toen zij zelf nog op school ging, ook wel met haar gedaan, maar daar was haar toch verder ook al niets van overkomen.'

Toch betekent de geringe ophef die vroeger over ontucht werd gemaakt niet dat het weinig voorkwam. Wetenschappers reppen sinds het midden van de vorige eeuw in boeken en artikelen van talrijke ontuchtzaken. Vergelijkbaar cijfermateriaal ontbreekt echter.

De Fransman Ambroise Tardieu is de eerste die in 1857, in zijn boek Etude médico-légale sur les attentats aux moeurs, een systematische beschrijving geeft van het verschijnsel seksueel misbruik. Tardieu was ervan overtuigd dat seksueel misbruik van kinderen in Frankrijk enorm toenam. Hij leidt uit ambtelijke statistieken af dat tussen 1830 en 1850 het aantal slachtoffers is verdrievoudigd.

'Nog triester is het te moeten vaststellen dat banden des bloeds, in plaats van dat ze een barrière vormen tegen deze misdadige ontsporingen, deze dikwijls juist lijken te bevorderen', schrijft Tardieu in de laatste editie van zijn werk uit 1878. 'Vaders misbruiken hun dochters, broers hun zusters. Ik krijg dergelijke zaken in toenemende mate onder ogen.' Collega's van Tardieu in Duitsland en Engeland stelden vast dat hun land rond de eeuwwisseling hetzelfde beeld te zien geeft als Frankrijk.

In Nederland is psychiater Van Mesdag een van de eersten die het onderwerp aansnijden. 'De feiten worden vrij zeker meer bedreven dan men over 't algemeen weet. 't Is mij bekend uit de mededeelingen van een rechterlijken ambtenaar, dat in een bepaalde streek van ons land, waarin hij werkzaam was geweest, dat kwaad epidemisch heerschte, zonder dat de Justitie, die dat wist, vat kon krijgen op de daders, die elkaar onderling steunden en leerden hoe in geval van nood heen te glippen door de mazen van het net, indien de Justitie dat over hen trachtte te werpen.'

Opmerkelijk genoeg treedt na die periode van openhartigheid een lange periode van betrekkelijke stilte in, waarin weinig over seksueel misbruik geschreven wordt. Die stilte wordt pas eind jaren zeventig definitief verbroken, als de publiciteit over ontucht en incest losbarst.

Opmerkelijk is dat deze nieuwe golf van openheid over seksueel misbruik een vergelijkbare tegenbeweging oproept als de eerste golf hondervijftig jaar geleden. Toen Tardieu en zijn collega's rond 1860 begonnen te schrijven over seksueel misbruik van kinderen, overheerste, net als in de jaren tachtig, aanvankelijk een gevoel van medelijden met kinderen, die beschermd moesten worden tegen hun ouders.

Maar onder invloed van een aantal geruchtmakende ontuchtzaken, waaronder Oude Pekela en de Bolderkar-affaire, groeide de afgelopen jaren ook het besef dat ouders, leraren, pastores en oppassers beschermd moeten worden tegen lichtgelovige hulpverleners en valse aangiften van kinderen.

Diezelfde overtuiging ontstond honderd jaar geleden nadat bekend werd dat ontucht met kinderen op grote schaal voorkwam. Baartman citeert in zijn artikel in de bundel Gebaande paden de Franse medicus Fournier, die in 1880 een lezing hield voor de leden van de Academie voor Geneeskunde. 'We hebben van doen met treurige zaken en slechte mensen', zei hij. 'Waar ik op doel is de simulatie van seksueel misbruik van jonge kinderen.' Brouardel, opvolger van Tardieu, betoogde een paar jaar later dat hysterie een belangrijke rol speelt in de produktie van valse beschuldigingen, omdat hysterici niet schromen leugenachtige verhalen te verzinnen om zichzelf interessant te maken.

De Franse opvattingen werden overgenomen door de Nederlandse publicist en columnist F. van Raalte, die in 1911 het boekje Over de waarde van het getuigenis van kinderen publiceerde. Van Raalte zegt zich ernstig zorgen te maken over het grote aantal valse beschuldigingen van ontucht waarmee met name onderwijzers en leraren te maken krijgen.

De ondertitel van zijn boek, Slechte kinderen en slechte ouders, geeft aan wat volgens Van Raalte veelal de oorzaak is van die onjuiste aantijgingen: wraakzucht van leerlingen of ouders. Hij geeft talrijke voorbeelden. Een leerlinge blijft zitten, de moeder klaagt de onderwijzer aan wegens seksueel misbruik. Een onderwijzer laat een leerling voor straf een uur nablijven, de ouders 'insinueeren niet meer of minder dan homosexueel misdrijf'. De elfjarige Betsy beschuldigt haar onderwijzer ervan haar te hebben meegenomen naar 'het hok', waar hij 'gemeen met haar zou hebben gedaan'. De hoofdonderwijzer zoekt de zaak uit en ontdekt dat Betsy alles verzonnen heeft omdat ze kwaad is op de meester.

Kinderen zijn suggestibel en denken over het algemeen niet na over de gevolgen die hun getuigenis hebben kan, schrijft Van Raalte. Daarvan wordt volgens hem de onderwijzer gemakkelijk de dupe. 'Het schijnt ons niet ondenkbaar dat een zwak man door de suggestie van al die getuigenissen ten slotte toegeeft te hebben bedreven wat hij in werkelijkheid niet bedreef. Wie weet hoeveel onschuldig wordt geleden ten gevolge van kinderpraatjes.' Allen die met kinderen in aanraking komen, vooral onderwijzers, staan met een voet in de gevangenis, concludeert hij.

Een dergelijke opmerking lijkt nu nogal overdreven. Toch heeft de hausse aan ontucht- en incestzaken die de afgelopen jaren in de publiciteit kwamen, dezelfde keerzijde. De toegenomen openheid over seksueel misbruik vormt, net als een eeuw geleden, een voedingsbodem voor valse beschuldigingen.

Vier jaar geleden constateerden H. Crombag, P. van Koppen en W. Wagenaar in hun boek Dubieuze Zaken dat volgens de meest realistische schatting tien procent van de aangiften van seksueel misbruik onwaar is. 'Overbekend is het geval van de gescheiden vrouw die om een bezoekregeling te frustreren haar ex-man van incest beschuldigt', schrijven ze.

Twee jaar geleden werd in Nederland de Werkgroep Fictieve Herinneringen (WFH) opgericht, een organisatie van en voor ouders die zeggen ten onrechte door hun volwassen zoon of dochter van incest te worden beschuldigd. Zestig ouderparen hebben zich als lid aangemeld, hun aantal groeit nog steeds.

De WFH werd opgericht naar analogie van de Amerikaanse False Memory Syndrome Foundation. In Groot-Brittanië, Scandinavië en Australië bestaan zusterorganisaties. Het probleem waar de ouders mee te maken hebben, is dat van de recovered memories; tijdens een therapie herinnert hun volwassen zoon of dochter zich plotseling dat hij of zij in de jeugd seksueel misbruikt is en sleept vervolgens ouders of grootouders voor de rechter.

Zo wordt A. de Jong door haar dochter beschuldigd van seksueel misbruik. 'Ze beweert dat ze haar eerste kind kreeg toen ze acht jaar oud was en dat ze dat heeft moeten doden. Wat mij verbaast, is dat de therapeut niet verder zoekt. Wie hebben haar in die tijd gekend? Waar is de juffrouw van de tweede klas? En niemand vraagt zich af of hier misschien sprake is van een medisch unicum. Nee, er wordt wel weer een draai aan gegeven.'

In Amerika groeit het aantal zogeheten retractors. Veel zogenaamde slachtoffers beseffen na de therapie dat hun aantijgingen onjuist zijn en klagen vervolgens hun therapeut aan wegens het 'inplanten' van die fictieve herinneringen. In Nederland zijn volgens de gegevens van de WFH twee gevallen bekend van vrouwen die van hun beschuldigingen van incest zijn teruggekomen. Een ouderpaar overweegt gerechtelijke stappen tegen een therapeut.

De zaak van een van die twee vrouwen wordt door J. van de Bennet beschreven in haar doctoraalscriptie Nederlands Recht Hoe nu verder? Dochter Carola beschuldigt haar vader begin 1990 na het volgen van een psychotherapie van incest. De vader wordt door de familie verstoten, zijn vrouw vraagt een scheiding aan. Vier jaar later stuurt zij hem een brief, waarin zij haar beschuldigingen terugneemt. Ze had altijd geweten dat de beschuldigingen niet waar waren, schrijft ze, maar ze vond dat ze een rechtvaardiging nodig had voor het feit dat zij zich zo slecht voelde.

De WFH klopte de afgelopen jaren aan bij ministeries en vaste kamercommissies, bij de beroepsorganisatie van psychologen en Riagg-instellingen, maar de reacties waren volgens het bestuur 'afhoudend'. De hoop van de werkgroep is nu deels gericht op de ontwikkelingen in Amerika, waar het toenemend aantal spijtoptanten het besef doet groeien dat de balans wellicht wat al te ver is doorgeslagen.

'Hopelijk slaat die bewustwording over naar Nederland', zegt De Jong. 'Het is echt niet de bedoeling om bij de rechter je gelijk te halen. Je wilt alleen maar je dochter terug.'

Toch zou zo'n bewustwording opnieuw tot een kentering in het denken over seksueel misbruik kunnen leiden, stelden psychologen H. Merckelbach en I. Wessel twee jaar geleden in De Psycholoog. 'Wanneer, aangemoedigd door de pers en enkele gespecialiseerde therapeuten, recovered memories op grote schaal gaan opduiken, maar deze vervolgens worden ontmaskerd als pseudoherinneringen, dan kan dat onbedoeld bijdragen aan een politiek-maatschappelijke neiging om kindermishandeling en incest te bagatelliseren.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden