AnalyseBurgerschapsonderwijs

Schoolleiders vrezen dat overheid scholen dwingt leerlingen naar politiek ideaalbeeld te vormen

Met een wetswijziging wil minister Slob van Onderwijs scholen dwingen werk te maken van de burgerschapslessen. Schoolleiders staan op hun achterste benen. Zij voelen zich in hun vrijheid beknot.

Minister Slob leest op basisschool het Kompas in Rotterdam voor aan kinderen uit groep drie.Beeld Martijn Beekman

Het Nederlandse onderwijs dreigt een vorm van ‘dressuur’ te worden, een systeem dat erop is gericht louter brave burgers af te leveren. Dat vreest althans Berend Kamphuis, voorzitter van de vereniging van katholiek en christelijk onderwijs Verus. 

Aanleiding is het wetsvoorstel ‘Verduidelijking burgerschap in het funderend onderwijs’ dat minister Arie Slob (Onderwijs, ChristenUnie) naar de Tweede Kamer stuurde. Dat moet meer duidelijkheid scheppen over wat leerlingen in het basis- en voortgezet onderwijs over burgerschap moeten leren. Het streven is dat de wet op 1 augustus in gaat.

Daarmee is de discussie over burgerschap in het Nederlandse onderwijs opnieuw opgelaaid. Sinds de moord op Pim Fortuyn en Theo van Gogh begin deze eeuw klinkt vanuit de politiek en de maatschappij de roep om kinderen op school gestructureerd waarden en normen over de Nederlandse samenleving bij te brengen. Een geluid dat op gespannen voet staat met de vrijheid van onderwijs.

Toen de burgerschapslessen in 2006 wettelijk verplicht werd gesteld, werd de precieze invulling daarvan aan scholen overgelaten. Dat leidde volgens minister Slob tot grote verschillen: de ene school zou zich ervan afmaken met één lesje per jaar, de andere heeft hele burgerschapsprojecten opgetuigd.

Verdraagzaamheid

De wetswijziging die nu bij de Tweede Kamer ligt, moet daaraan een einde maken. Daarin staat bijvoorbeeld dat leerlingen op school niet alleen theoretische kennis over democratie moeten opdoen, maar dat ze ook bepaalde competenties moeten leren, zoals verdraagzaamheid, wederzijds respect en tolerantie.

Schoolleiders vrezen dat de overheid doorslaat en scholen dwingt leerlingen naar een politiek opgelegd ideaalbeeld te vormen. Daarbij hebben ze de recente ophef over een onderzoek van de Onderwijsinspectie naar burgerschap in hun achterhoofd.

Eind vorige week bleek dat christelijke onderwijsorganisaties, waaronder Verus, woedend zijn over de werkwijze van de inspectie bij dat onderzoek. Zo zouden er tijdens onaangekondigde bezoeken aan scholen intieme vragen over seksualiteit aan leerlingen zijn gesteld. ‘KGB-methoden’, noemde Pieter Moens van de Vereniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs de aanpak van de inspectie in het Reformatorisch Dagblad.

‘Ik ga uit van de goede intenties van de minister’, zegt Verus-voorzitter Kamphuis op zijn beurt. ‘Maar ik zou graag van hem de garantie willen dat de inspectie geen inhoudelijk, laat staan subjectief oordeel geeft over de inhoudelijke keuzes van scholen.’

Vertrouwelijk

Volgens een woordvoerder van de inspectie wordt er uiterst zorgvuldig omgegaan met dit soort vertrouwelijke gesprekken en vragen de inspecteurs kinderen alleen naar het onderwijs dat ze krijgen. De inspectie is het onderzoek naar burgerschapslessen begonnen nadat vorig jaar bekend as geworden dat een deel van de islamitische basisscholen een lesboek gebruiken waarin onder meer staat dat Allah homoseksualiteit verafschuwt.

Ziehier de onmogelijke spagaat waarin minister Slob zich bevindt. Enerzijds is er de groeiende maatschappelijke en politieke druk om dit soort praktijken uit te bannen, tegelijkertijd beroepen scholen zich op de vrijheid van onderwijs. Een verworvenheid waarvan ook Slobs eigen ChristenUnie groot voorstander is.

Met het gevolg van die spagaat – een wet die duidelijker voorschrijft wat er van scholen wordt verwacht op het gebied van burgerschapsonderwijs – ‘is in principe niets mis’, zegt Paul Zoontjens, emeritus hoogleraar onderwijsrecht. ‘Maar als de overheid die wet gebruikt om instellingen waartegen politieke weerstand is tot de orde te roepen, wordt het een ander verhaal. Dat gebeurde ook bij het Cornelius Haga Lyceum.’

Nashville

Volgens Zoontjes is het probleem van de nieuwe wet dat onduidelijk is wat de gevolgen zijn als een school zich er niet aan houdt. ‘Als het betekent dat de overheid de bekostiging stopzet als blijkt dat een bestuurder van een school de Nashville-verklaring heeft getekend, lijkt me dat heel eng.’

Dit is geen hypothetisch voorbeeld: de Nashville-verklaring, een omstreden pamflet tegen het homohuwelijk, werd daadwerkelijk door een bestuurder van een reformatorische school ondertekend. Volgens Zoontjens moet dat niet tot sluiting van een school leiden. ‘Dat hoort ook bij democratie: ergens anders over mogen denken.’ 

Of de Tweede Kamer er ook zo over denkt, zal binnenkort blijken als het voorstel wordt behandeld.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden