Scholen kweken zesjesmentaliteit

De starheid binnen het onderwijs dwingt scholen en scholieren het onderwijs risicoloos in te richten. Talent, kansen en geld gaan hierdoor verloren....

Politici, opiniemakers en leerkrachten verzuchten vaak dat scholieren lijden aan een zesjesmentaliteit. Huiswerk wordt niet gemaakt, lesstof niet gelezen, werkstukken worden bij elkaar gegoogled. Vaak krijgt de leerling hiervan de schuld. Ten onrechte. Het is het stelsel dat de leerling in luiheid conditioneert én faciliteert.

Nederland heeft wat onderwijssociologen noemen een ‘gedifferentieerd’ onderwijssysteem. Net als Duitsland en Oostenrijk selecteren we op jonge leeftijd via harde criteria de leerwegen die een kind kan bewandelen. De Citotoets op 12-jarige leeftijd bepaalt op welk onderwijsniveau een leerling terechtkomt.

De kans dat een kind zich ontworstelt aan dat advies is miniem. De kans op overstappen naar een hoger onderwijsniveau binnen het voortgezet onderwijs evenzo. Eventuele laatbloeiers of achterstandsleerlingen moeten geforceerd een omweg maken via middelbaar of hoger beroepsonderwijs.

Jaarlijks blijft ongeveer 4 procent van de leerlingen zitten, met uitschieters tot 13 procent in de vierde klas van het havo. De aantallen leerlingen die ‘afstromen’ naar lagere niveaus zijn niet bekend, maar iedereen binnen het onderwijs weet dat het 10 procent per leerjaar kan belopen.

Ongeveer 25 procent van de vmbo-leerlingen van de gemengde en theoretische leerweg (TL) waagt de sprong naar een tree hoger binnen het vmbo of naar het havo. De aansluiting is vaak beroerd.

Er zijn scholen waar slechts 5 procent van de leerlingen die, met een vmbo-diploma TL, doorstromen naar het havo. Slechts 4 procent van de havo-leerlingen probeert een vwo-diploma te halen. Wie via een hbo-traject op de universiteit komt, boekt een tijdwinst van twee tot drie jaar.

Tot het twaalfde levensjaar zit elk kind op de basisschool. Verschillen in niveau moeten binnen de klas door de leraar worden opgelost. Moeilijk lerende kinderen krijgen ondersteuning, goed lerende kinderen extra stof met een hogere moeilijkheidsgraad. Na een Citotoets en eventueel een brugklas zit een leerling op een eigen leerniveau. Moeilijk lerende kinderen blijven binnen dit systeem of stromen af naar een lager niveau. Goed lerende kinderen daarentegen krijgen geen extra leerstof laat staan een hogere moeilijkheidsgraad voorgeschoteld.

Scholieren moeten de variant kiezen waarbij zij niet meer dan één zware of twee matige onvoldoendes mogen hebben. Anders zullen ze op z’n best blijven zitten of waarschijnlijker: een niveau moeten zakken. Op zes of zeven (vmbo-kader) tot twaalf vakken (havo) is dat een zeer geringe foutmarge. Kwetsbare achterstandsleerlingen, allochtonen met taalachterstanden, laatbloeiers of eenzijdig getalenteerden komen zo niet aan de bak. Dit komt tot uiting tot de leerlingenpopulatie van het vmbo. Slechts drie op de tien leerlingen van niet-westerse achtergrond stijgt boven het vmbo uit. Bij autochtonen ruim vijf op de tien.

Voormalig minister Ronald Plasterk zinspeelde in 2009 op het opnieuw mogelijk maken van het ‘stapelen’ van diploma’s. Tot de komst van het vmbo was het niet vreemd om na het mavo en het havo eventueel een vwo-diploma te halen.

Het stapelen van diploma’s is echter niet genoeg. Het systeem blijft dan fier overeind dat een onvoldoende in 10 tot 20 procent van het vakkenpakket een leerling hindert een ‘hoger’ diploma te halen. Draai je de medaille om: 80 tot 90 procent van de vakken volgt een leerling kennelijk op óf onder zijn of haar niveau. Gebrek aan motivatie, inspiratie, structuur en uitdaging is niet voor niets al jaren de meest genoemde klacht bij scholierenonderzoeken.

Niet de stapelbaarheid van diploma’s, maar de mogelijkheid om vakken te stapelen moet dus de insteek zijn. Op elk vak moet de leerling het uiterste uit zichzelf kunnen halen. Als dat voor de talen een vwo-niveau en de wiskundige vakken een havo-niveau is, dan is dat een optimale uitkomst. Je moet dus vakken kunnen volgen en er examen in kunnen doen op verschillende niveaus.

Weg met de hokjesgeest: dé havist in wiskunde én Nederlands én culturele kunstzinnige vorming bestaat niet. Niet voor niets combineert slechts een krappe 2 procent van de leerlingen meerdere profielen of sectoren: kennelijk kan een mens niet op hetzelfde niveau al te multidisciplinair zijn. Praktisch is het goed mogelijk. Minder gelden zullen nodig zijn voor uitval, afstroom en zittenblijven. Door de centralisatie van de jaren negentig zitten veel leerlingen op schoolgemeenschappen waar een vbmo-TL, havo én vwo-afdeling aanwezig is. Daarbij is de verdeling scholieren vanaf de derde klas ongeveer gelijk: elk tellen ongeveer 160 duizend leerlingen. Eindelijk zullen leerlingen profijt trekken van de scholenfusies.

Verander snel de zesjesstructuur, word flexibel en geef leerlingen de mogelijkheid zich optimaal te ontplooien. En ziedaar: die zesjesmentaliteit verdwijnt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden