Schipperen in de storm

IN HET NAJAAR van 1941 verbood het Duitse bezettingsbestuur in Nederland joodse studenten nog langer lid te zijn van studentenverenigingen....

Was getekend: Joop den Uyl.

Het is de opstelling die achteraf de enig verdedigbare lijkt: te midden van groot onrecht moet worden geprotesteerd, hoort het leven niet gewoon door te gaan. Achteraf is bijna onbegrijpelijk dat mensen überhaupt wilden vasthouden aan hun baan, hun instituut of hun studie. Toch was juist deze reactie, de 'behoudende reflex', een heel gebruikelijke.

Overal, bij de voetbalclub en de spoorwegen, op de fabriek en het gemeentehuis, besloot men als vanzelfsprekend in ieder geval het eigen hoekje van de uiteenvallende wereld intact te houden. Het was allemaal al ellendig genoeg, en zonder vervoer, werk, bestuur of voetbal werd het heus niet beter.

Zo ook op de Universiteit van Amsterdam. De taak van de universiteit, vond rector magnificus Van Loghem kort na de capitulatie, was 'het geestelijk bezit te bewaren'. Ook de studentenverenigingen riepen op tot terugkeer naar de studie, zelfbeheersing en begrip voor de situatie. De SSRA betuigde zelfs zijn 'warme instemming' met de roemruchte brochure waarin AR-voorman Colijn pleitte voor erkenning van de nieuwe machtsverhoudingen.

In de zomer van 1940 heerste hierover consensus, omdat het toen nog voorstelbaar was dat de nieuwe machthebbers niet méér zouden eisen dan onderwerping aan een correct bezettingsbestuur. Naarmate duidelijker bleek dat de bezetter het land wilde herinrichten naar zijn eigen autoritaire en racistische ideeën, raakten steeds meer hoogleraren en vooral studenten in gewetensnood.

De hieruit voortvloeiende strijd tussen principe en pragmatisme, tussen protest en behoud, beheerst de door Pieter Jan Knegtmans voorbeeldig beschreven geschiedenis van de hoofdstedelijke universiteit in de oorlogsjaren, Een kwetsbaar centrum van de geest - De Universiteit van Amsterdam tussen 1935 en 1950. Die strijd is des te interessanter, omdat ze parallel loopt met het debat over de vraag wat de universiteit moest zijn: wetenschappelijke wijkplaats of geëngageerd opvoedingsinstituut.

Vóór de oorlog was die universiteit een van de buitenwereld afgeschermd, apolitiek, met eigen tradities vergenoegd eiland. In het verzuilde Nederland was politiek immers onvermijdelijk een splijtzwam, terwijl de universiteit juist een hecht, op wetenschappelijke vorming gericht bolwerk wilde zijn. Opvoeding van de studenten tot kritische of mondige burgers rekende zij niet tot haar taken.

Deze traditie was volgens Knegtmans zowel de kracht van de universiteit - ze bleek nauwelijks te nazificeren - als haar zwakte: ze stelde tot ver in de oorlog behoud boven alles.

Een exponent bij uitstek van die pragmatische opstelling was de in 1940 aangetreden rector magnificus Bernard Brouwer. Hij wilde hoe dan ook de universiteit openhouden, juist in het belang van de studenten, om wier lot hij zich meer dan zijn voorgangers bekommerde. Anders zou een hele generatie potentiële intellectuelen verloren gaan, zouden honderden werknemers brodeloos worden en duizenden studenten in de arbeidsinzet terechtkomen. Wie had daar iets aan?

Dus verzette Brouwer zich gedurende de twee jaar dat hij de functie bekleedde, met hand en tand, en met grote inventiviteit, tegen de groeiende neiging onder de studenten en de meer principieel ingestelde hoogleraren tot staking, protest, wellicht zelf sluiting. Hij verspreidde tegenpamfletten, snelde zo nodig persoonlijk naar een brandhaard om te blussen en smoorde zelfs een voorgenomen staking in de kiem door de vakantie drie dagen te vervroegen.

Hij wist zich daarbij gesteund door een meerderheid van de hoogleraren. Maar zijn beleid was een gruwel voor degenen die, zoals hij het bij zijn afscheid zei, niet begrepen 'dat het de taak is van den schipper te schipperen in den storm'. En dat werden er steeds meer.

Terwijl in de loop van 1942 het verzet langzaam van de grond kwam, andere beroepsgroepen (zoals de artsen) met succes hun principes verdedigden en de oorlog een keer nam, groeide de frustratie onder studenten en hoogleraren dat de 'rooie universiteit' al zoveel over haar kant had laten gaan. Joodse docenten waren verwijderd, joodse studenten geweerd, bladen verboden, verenigingen opgeheven en anti-Duitse wetenschappers ontslagen en zelfs gearresteerd - en nog steeds draaide de universiteit alsof er niets aan de hand was.

De spreekwoordelijke druppel was interessant genoeg een puur principiële, praktisch vrijwel irrelevante kwestie: de in het voorjaar van 1943 van alle studente geëiste loyaliteitsverklaring. Het inmiddels goed georganiseerde studentenverzet voerde een campagne tegen tekenen en werd via de radio bijgevallen door de regering in ballingschap. Dat werkte: bijna 80 procent van de studenten tekende niet, onder wie meer dan 90 procent van de vrouwelijke studenten. Uiteindelijk hadden niet de onderling hopeloos verdeelde hoogleraren, maar de studenten de universiteit zo goed als platgelegd, zij het door zichzelf buiten te sluiten. Na de oorlog moest dan ook alles anders, besloten het studentenverzet en de protestpartij onder de hoogleraren, die na de bevrijding plotseling met macht werden bekleed. Niet alleen moesten alle inschikkelijken weg - Knegtmans verhult niet dat de zuivering soms veel weg had van een factiestrijd - maar ook moest de universiteit haar doelstelling herformuleren.

Na een moreel conflict van het kaliber van de bezetting ging het niet langer aan afzijdig te staan van de wereld. De universiteit moest dienstbaar worden aan de maatschappij, een kweekvijver van kritische, politiek bewuste wereldburgers, en tegelijkertijd een ware academische gemeenschap, in plaats van een verzameling autonome professoren en verzuilde verenigingen.

De dienstbaarheid aan de maatschappij kreeg gestalte in de zevende faculteit: die van de politieke en sociale wetenschappen. Dat zij al snel onderwerp werd van een fel conflict tussen links en rechts, was symbolisch voor de snelheid waarmee het wereldgebeuren veranderde; als een aardschol schoof de Koude Oorlog over de nasleep van de Tweede Wereldoorlog heen. Van de doorbraak van de zuilen kwam, net als in de buitenwereld, niets terecht.

Een kwetsbaar centrum van de geest is de eerste moderne oorlogsgeschiedenis van een Nederlandse universiteit, en dat verdient navolging. Knegtmans analyseert weinig en kijkt nauwelijks over de grenzen van de universiteit heen, maar maakt dat helemaal goed met een haarscherp slothoofdstuk, een glasheldere stijl en een weldadige afkeer van pretentie.

Bart van der Boom

Peter Jan Knegtmans: Een kwetsbaar centrum van de geest - De Universiteit van Amsterdam tussen 1935 en 1950.

Amsterdam University Press; 415 pagina's; * 55,-.

ISBN 90 5356 338 5.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden