Schilders met klompen en boerenkiel

Aan Paul Gauguin valt niet te ontkomen in Pont-Aven. Hij was de belangrijkste vertegenwoordiger van de Bretonse schilderskolonie. In de tweede helft van de 18de eeuw trok een onafzienbare rij schilders naar het havenstadje....

Pont-Aven telt 68 kunstgaleries en -ateliers. Het kunnen er inmiddels ook 67 zijn, of 70. Eentje noemt zich Galerie du Bois d'Amour, een ander heet La Belle Angèle, weer een ander houdt het op XVIIIe-XXIe.

Alleen Anne-Sylvie Pécot maakt gebruik van de naam Paul Gauguin. Zij geeft aan de Rue Louis Lomenech het hele jaar door les (stillevens, naaktstudies, landschappen). Haar atelier heet Les sentiers de Gauguin (De paden van G).

Pont-Aven draagt niet voor niets de bijnaam Cité des Peintres, stad van de schilders.

Wat toch niet helemaal verklaart waarom iemand met reusachtige letters Guernica heeft geschreven op een honderden meters lange fabrieksmuur aan de uitvalsweg naar Quimperlé. Een Picassofan? Een verongelijkte arbeider?

Er is niet aan hem te ontkomen in Pont-Aven, zeker niet nu het dit jaar een eeuw geleden is dat Paul Gauguin op het Markiezeneiland Tahuata overleed (hetzelfde eiland waar de Belgische chansonnier Jacques Brel ligt begraven). Wie in Maison de la Presse een boek koopt, krijgt een draagtas waarop Gauguin is afgebeeld. Uiteraard ligt de winkel aan de Place Gauguin en logischerwijze staat daar ook Gauguins granieten borstbeeld, vervaardigd door Emile Vaillant. De schilder ziet er uit als een broer van Don Quichot.

Boven Pont-Aven hangt een krachtige zon die zich door de wolkenpartijen niet van de wijs laat brengen. Het is dit licht dat in de 18de eeuw een onafzienbare rij schilders trok, een intocht die eigenlijk nooit meer tot stilstand is gekomen, al lag de echte bloeitijd tussen 1870 en 1914.

Het waren niet alleen de kleuren die lokten, de pasteltinten van een vroege zomerochtend of de hardere tonen na een herfstbui. Evenzeer trokken de laaghangende luchten, de in nevelen gehulde rotskusten, de Bretonse legendes, de kerkjes en kruiswegen, de duistere bossen en oplichtende korenvelden. En niet te vergeten de gastvrijheid van de bewoners.

Ooit was Pont-Aven, aan de monding van de Aven, een drukke handelsplaats met een echte haven. Maar geleidelijk dreigde het plaatsje in een eeuwige slaap te belanden toen de haven aan betekenis inboette. De pittoreske ligging in het dal van de Aven werd de redding. Het riviertje baant zich schuimend een weg door het granieten stadje, richting oceaan, struikelend over rotsblokken, opgetild door een enkele watermolen. Ooit draaiden er veertien van die molens. De molens die overbleven (Rosmadec, Port Neuf, Grand Poulguin), degradeerden tot toeristische decorstukken waaraan een restaurant vastzit.

De Amerikaanse kunstenaar Henri Bacon mag zich de 'ontdekker' van Pont-Aven noemen. Hij streek in juli 1864 neer in 'het aardigste dorp dat ik ooit heb gezien'. Een jaar later kwam een invasie van Amerikaanse schilderstudenten op gang toen de Parijse ateliers in de zomer sloten. De Fransen volgden spoedig, in hun spoor zette zich een rij andere nationaliteiten. De kunstenaarskolonie Pont-Aven was een feit.

De schilders vonden onderdak in Hotel des Voyageurs van Julia Guillou (nu onderdeel van het museum) of in het goedkopere logement van Marie-Jeanne Gloanec (nu Maison de la Presse, met gedenkplaat). Maar al spoedig stelden de inwoners zolderkamers en optrekjes beschikbaar tegen vriendelijke huurprijzen.

Toen Gauguin in juli 1886 naar Pont-Aven toog - op aanraden van collega Félix Jobbé-Duval - was hij nog impressionist. De voormalige beurshandelaar, vader van vijf kinderen uit zijn huwelijk met de Deense Mette Gad, sloeg zijn tenten op bij Gloanec. Het gezin bleef achter in Kopenhagen.

'Als mijn klompen op het graniet kletteren, hoor ik de doffe, donkere en sterke toon die ik in mijn schilderijen wil bereiken', schreef hij zijn vrouw. En later: 'Godzijdank maak ik elke dag progressie. (. . .) Ik werk hard en met succes. Men respecteert me als de krachtigste schilder.'

In oktober keerde Gauguin terug naar Parijs - waar hij Vincent van Gogh leerde kennen. Het jaar daarop week hij uit naar Martinique en Panama waarvan hij ziek en berooid terugkeerde. Pas in januari 1888 zocht hij Pont-Aven weer op nadat Theo van Gogh drie doeken van hem had gekocht. 'Ik moet zeven, acht maanden aan een stuk werken, doordringen in het karakter van de mensen en het land. Dat is essentieel om goede schilderijen te maken', liet hij zijn vrouw weten.

In 1888 inspireerde het Bois d'Amour, het Liefdesbos aan de noordkant van Pont-Aven, Paul Sérusier tot Le Talisman en Emile Bernard tot Madeleine au Bois d'Amour. De schilderswereld zou nooit meer zijn wat ze geweest was. Een nieuw tijdperk brak aan, dat van het synthetisch symbolisme, en Gauguin was de felste pleitbezorger: 'Niet schilderen wat je ziet, maar wat je voelt.'

Meer verbeelding dus dan werkelijkheid - die realiteit nam immers de fotografie voortaan voor haar rekening. Get ging hen om pure kleuren waarmee niet te schipperen viel. Geschematiseerde vlakken zoals bij glas-in-loodramen. Weinig of geen horizon zoals op Japanse prenten. In het Bois d'Amour hield Gauguin die aanpak iedere collega voor die maar luisteren wilde, tijdens lessen in de openlucht, die een aantal zo bezielden dat zij zich als vernieuwers nabi noemden, het Hebreeuwse woord voor profeet. De school van Pont-Aven was geboren.

In het museum van Pont Aven hangen schilderijen en tekeningen van de vernieuwers. Ook Gauguin is present. Oude foto's laten zien hoe de wereldse schilders zich eind 19de eeuw aan het dorpsleven aanpasten: ze poseren op klompen en in boerenkiel. De brug diende als decor, het Liefdesbos, of een van de vele kroegen.

Het is op deze maandagmiddag drukker in de eethuizen dan in het museum. Ook in het Maison de la Presse verdringen zich de toeristen. Pont-Aven lokt ze uit alle windstreken, zowat het hele jaar door. Herhaaldelijk komen ze elkaar tegen op de Place Gauguin, aan de oevers van de Aven, op de weg naar het haventje of in het Liefdesbos. Het stadje is klein, loopt snel vol, binnen een uur komt iedereen iedereen minimaal twee keer tegen.

Ook de naburige kapel van Trémalo is in trek, net als de kerk van Nizon, een kilometer of drie het binnenland in. Het zijn heilige plaatsen voor de Gauguin-pelgrims. In de 16de-eeuwse kapel hangt een iets jonger kruisbeeld, een houten, dat Gauguin in 1889 als voorbeeld nam voor zijn Gele Christus. Voor zijn Groene Christus liet hij zich later inspireren door het kruisbeeld, een stenen, van de calvaire in Nizon.

Regelmatig reisde Gauguin heen en weer tussen Parijs en Pont-Aven. Ter afwisseling zocht hij in het najaar van 1888 Vincent van Gogh op in Arles. Maar de twee lagen elkaar allerminst en kregen slaande ruzie. In juni 1889 meldde Gauguin zich weer in Pont-Aven, dit keer in gezelschap van een andere Nederlandse schilder, Jacob Meyer de Haan, 'die mijn leerling was en een echt aardige vent', aldus Gauguin in een brief. Dat 'aardige' was een understatement: Meyer de Haan betaalde Gauguins verblijf.

Omdat Pont-Aven overspoeld was door kunstenaars, week het tweetal in gezelschap van Sérusier uit naar Le Pouldu, een kustplaatsje in oostelijke richting, waar Marie Henry, vanwege haar vrolijke en knappe uiterlijk Marie Poupée genoemd, een herberg dreef: Buvette de la Plage. Die herberg aan de Rue des Grands Sables is recentelijk nagenoeg op dezelfde plek herbouwd en te bezichtigen.

Gauguin sliep in de achterkamer, Sérusier aan de straatkant. De grootste kamer - mét inhoud, zijnde madame Henry zelve - was voor Meyer de Haan. Hij verwekte een kind bij haar en liet haar na zijn onverwachte dood in 1895, 37 jaar jong, zijn schilderijen na.

(Later hield zich nog een tweede Nederlandse schilder even in Gauguins nabijheid op, de Zaandammer Jan Verkade, inderdaad, van de brood-, koek- en beschuitfabriek. Ook hij logeerde in Le Pouldu. Het schilderij, Ferme au Pouldu, dat hij daar maakte werd geruime tijd voor een Gauguin aangezien.)

Het was een productieve tijd voor Gauguin en de zijnen, die de herberg vol hingen met schilderijen en ook hun talenten en penselen uitleefden op het servies en de vazen. Pronkstuk was Meyer de Haans Portret van Marie Henry die haar kind de borst geeft. Gauguin was zo verrukt van het schilderstuk dat hij het in de eetzaal een ereplaats toekende.

In de herfst van 1890 verliet Gauguin Bretagne. Nog één keer vertoonde hij zich in Pont-Aven en Le Pouldu, tussen mei en november 1894, alvorens definitief af te reizen naar de Stille Oceaan, waar hij in 1903 overleed. Op zijn ezel stond bij zijn dood nog een doek: Bretons dorp in de sneeuw.

Bijna honderd jaar later figureert Gauguin in een Bretonse thriller. Toiles de fond à Concarneau (Schildersdoeken in C) speelt zich deels af in Pont-Aven. De auteur, Stéphane Jaffrézic, laat voortdurend fictie en non-fictie in elkaar overlopen.

Een van de verdachten van een moord in Concarneau is Gauguin. Hij krijgt van Jaffrézic alle gelegenheid om uitvoerig zijn visie over de schilderkunst te etaleren. Niet zo verwonderlijk: de schrijver werkt in het Museum van Schone Kunsten in Quimper.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden