Schichtig in New York

Daido Moriyama's kennismaking met New York in 1971 begon op de vliegtuigtrap. Hij fotografeerde zijn avontuur in deze grote, loerende stad van imponerende wolken-krabbers en koele blikken in de metro....

Het was een van de trends die half november zichtbaar werden op de wereldwijd toonaangevende fotografiebeurs Paris Photo: fotografen duiken hun negatievenarchief in, of dat van anderen, en diepen er schatten op waarvan ze het bestaan niet hadden vermoed of allang waren vergeten. Talrijke nieuwe boeken en reprints zijn het gevolg. Een van de opmerkelijkste recente is die van de de Japanse fotograaf Daido Moriyama: '71-NY, een vuistdik boek met honderden pagina's zwartwitfotografie.

Het lijkt misschien op recyclen, het uitgeven van beelden die dertig jaar geleden zijn gemaakt. Maar Moriyama appelleert geenszins aan nostalgische gevoelens die, zeker na de aanslagen van 11 september 2001, bij menigeen opwellen bij de gedachte aan New York. Moriyama's foto's van de stad hebben een directheid en ongepolijstheid die in het licht van de terreur van 11 september een nieuwe actualiteitswaarde hebben gekregen. De dramatische beelden van 2001 rijmen op een merkwaardige manier met de bozedroombeelden waaruit '71-NY bestaat.

In 1971 reisde Moriyama (1938) voor het eerst van zijn leven naar New York en legde hij de kennismaking met de stad vast met een mediumformaat camera. Hij behoorde toentertijd tot de Japanse underground, waarvan ook een hedendaagse grootheid als Araki deel uitmaakte. Met Araki deelde Moriyama, die inmiddels bijna net zo beroemd is, zijn voorliefde voor het kopieerapparaat als medium om zijn foto's onder een breder publiek te verspreiden. Hun boeken, gebundelde stapeltjes glanzende Xerox-kopieën, werden op bestelling voor de afnemer per stuk gemaakt.

Die Do it Yourself-distributie benadrukte het underground-karakter van een groep jonge Japanse fotografen, wier werk een sterke impuls kreeg onder invloed van de ongekend heftige industrialisering die het land in de jaren zeventig doormaakte. Die bracht economische groei, maar veroorzaakte bij velen een gevoel van vervreemding. De massale protesten tegen de grootscheepse uitbreiding van vliegveld Narita van Tokio illustreerden het ongenoegen in Japan. Jonge fotografen vertaalden dat in grofkorrelige, weerbarstige beelden.

In dat tijdsgewricht raakte Moriyama in New York verzeild. Gegrepen als hij was door de fotografie, bracht hij er vele dagen door in de musea met het werk van de grote New Yorkse fotografen van de straat en de zelfkant, William Klein en de sublieme paparazzo Weegee. De twee Amerikanen groeiden uit tot Moriyama's grote voorbeelden - en zijn werk getuigt daarvan. Maar dat hij zoveel tijd doorbracht in de beschutting van de kunst had naar alle waarschijnlijkheid ook een emotionele reden: zijn werk laat namelijk ook de vervreemding, het gevoel van eenzaamheid en de pure angst zien die de fotograaf overvielen toen hij, rechtstreeks vanuit het vliegtuig, in de straten van New York het avontuur tegemoet ging.

Als een roadmovie laat het boek zich bekijken, dat begint met Moriyama's aankomst op het vliegveld. De volgende pagina's heeft hij gefotografeerd vanuit de taxi die hem naar de stad vervoert, als een schicht langs de bruggen over het zwarte water van de Hudson, door nauwe, bochtige tunnels, door verlaten buitenwijken en overvol Manhattan. Dreigende, imponerende wolkenkrabbers, mist, stoomwolken uit de ondergrondse, kille blikken van voorbijgangers.

Hij schoot zijn beelden - bijna letterlijk - vanuit de heup, en door zijn lage standpunt ervaart de lezer de verkramping; de kleine fotograaf die wegduikt voor het grote, onbenoembare gevaar dat in de stad op hem loert. Eenzaam kijkt hij op zijn hotelkamertje naar de televisie, eenzaam reist hij in nachtelijke uren met de vrijwel verlaten metro, eenzaam slaat hij op het achterste bankje van een rooms-katholieke kerk rituelen gade waarvan hij niets begrijpt.

Moriyama vergelijkt, zo schreef hij in een brief aan de uitgever, de bange gevoelens die hem in 1971 in New York overvielen met de gemoedstoestand van Rufus, de tragische hoofdpersoon in James Baldwins Another Country. Rufus' noodlot dreigde dat van Moriyama te worden, maar de fotograaf doorstond de vervreemding waaraan Rufus bezweek.

Things go better with big, big coke, is een van de laatste beelden die Moriyama toont, een slogan afkomstig van de reclame op televisie. Er volgt een pagina met respectievelijk een naargeestige foto van een jongetje dat dreigt met een revolver, een klein blond meisje in hagelwit jurkje en een zelfportret van de fotograaf, gejaagd nog steeds maar minder getergd en neerslachtig. Moriyama heeft een loutering ondergaan. Hoe dat is gekomen, de fotograaf weet het niet, en de lezer die hem volgt op zijn grootsteedse horrortocht evenmin. Dat psychologische raadsel van '71-NY geeft de fascinerende en aandoenlijke beeldvertelling huiveringwekkende diepte.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden