Scheveningen

De boulevard van Scheveningen, is vorige week besloten, gaat op de schop, zoals dat zo mooi heet. Alsof er dan een man met kruiwagen en schep komt, die rustig bij het begin begint....

De boulevard is te laag. Dat is één. Hij voldoet niet aan veiligheidseisen. Bij een grote storm spoelt heel Scheveningen weg, en staat het achterliggende Den Haag blank. Ten tweede is de boulevard niet modern meer, waarmee bedoeld wordt dat het een zootje is en geen heerlijk, rustig wandelgebied. Dat vind ik nou juist zo leuk aan Scheveningen, maar wie ben ik?

Precies.

Vanaf het noordelijk havenhoofd is het mooi kijken naar Scheveningen. Zeker als het mistig is. Dan zie je praktisch niets. Alleen de rode vuurtoren, met zijn witte kop, de gedenkzuil die de terugkeer per schip uit ballingschap van Willem I in 1813 memoreert, het kerktorentje van Scheveningen, een paar oude flats, een stuk strand waar wat dames met hun hond aan het spelen zijn en de snackbar Het Patatpaleis, aan de Strandweg. Het Patatpaleis – alleen in Den Haag kunnen ze een snackbar zo noemen, komt mij voor. Denk er een Haagse tongval bij en klaar is Kees.

Het noordelijk havenhoofd is een lange pier van enorme basaltblokken waar een smalle strook asfalt op ligt. Aan het uiteinde staat een klein torentje, rood-wit gestreept. Er draait een rode lamp in rond. Een meter of tachtig zuidwaarts ligt nog een pier, het zuidelijk havenhoofd. Daarop staat een wit-groene toren met een groen licht. De pieren zijn als armen die zich strekken, klaar voor een omhelzing.

Er wordt op het havenhoofd gevist, door robuuste mannen in winddichte pakken, met grote, dikke wollen mutsen op. Ze zijn op de brommer gekomen, achter de brommer een aanhangwagentje voor de spullen. Ze vissen met enorme hengels op jonge kabeljauw, geul, daar is het nu de tijd voor. Zodra er een is gevangen, slaan ze hem dood en snijden ze de ingewanden eruit. Een hele berg drek ligt op een oude krant. Verder hebben de mannen thermosflessen koffie, radio’s, pakken zware shag en sterke drank bij zich. De wind is guur op het havenhoofd.

De zee is grauw.

Nog iets typisch Schevenings, ik zou niet weten waar in Nederland je zo’n tafereel kunt treffen: een witte, oude Cadillac Eldorado draait de Strandweg op. De kont van de auto schuurt zowat over de weg. Achter het stuur zit een man met lang, zwart haar. Hij heeft een sigaret tussen de lippen – de askegel staat op het punt eraf te vallen. Aan de binnenspiegel van de wagen: twee badstoffen dobbelstenen. Hij rijdt het Patatpaleis voorbij en stopt in de bocht verderop, bij Thierry’s Place, ook een snacktent.

Maar hij stapt niet uit.

De andere kant op ligt het eindpunt van tramlijn 11, hoog boven de Strandweg, op een enorme, kale rotonde waar alleen helmgras groeit. Langs de tramlus staan oude, drie verdiepingen hoge flats gemetseld met zandkleurige stenen. Ook is er een jarenzeventig-appartementencomplex dat natuurlijk Bella Mare heet.

Een statige trap voert langs een basketbalkooi omhoog, tegen een basalten dijk op, naar het monument voor Willem I. ‘Godde redde Nederland’ staat er in gouden letters op, en bovenop de naald prijkt een gouden bal. Met Willem I kwam het Huis van Oranje aan de macht, kennelijk een geschenk Gods.

Scheveningen – de dichtgetimmerde kraam van O Solo Mio, voor Italiaans IJs, posters van Golden Earring aan de lantarenpalen, mist, mist, mist – zoveel mist dat de beroemde pier en het Kurhaus niet te zien zijn. Maar dat is helemaal niet erg, want een heel klein stukje Scheveningen is genoeg om te weten waar je bent.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden