Schepper naast God FRANS KELLENDONKS 'IDEEENMUZIEK' ZIT VOL VRUCHTBARE PARADOXEN

De in 1990 overleden schrijver Frans Kellendonk kon zich waarschijnlijk niets ergers voorstellen dan voort te leven als literair idool....

ALEID TRUIJENS

ZOU OOIT IEMAND de biografie van de schrijver Frans Kellendonk (1951-1990) durven schrijven? Die biograaf moet iemand zijn met een stalen zelfverzekerdheid, overtuigd van het literair-historische nut van die onderneming.

Hij zal zich doof moeten houden voor de hoon die zijn object van onderzoek uitstortte over de domoren die altijd 'de mens achter het kunstwerk' zoeken. In zijn essay 'Idolen' (1986) haalt Kellendonk venijnig uit naar de literaire journalistiek: 'Als kunst niets anders is dan het verbloemen van naakte feiten die een journalist in een handomdraai uit de schepper weet te trekken, dan is kunst toch overbodig? De lezer van het onthullende vraaggesprek, dat geniepige mengsel van portret en zelfportret, heeft aan het kunstwerk geen boodschap meer.'

Toen zijn uitgever in 1984 een informatief boekje over zijn werk met foto's wilde verluchten, reageerde de schrijver woedend: 'Zo speel je de bal toe aan de kwaadaardige achterlijkheid van de literaire journalistiek, die alles wil herleiden tot een particuliere biografie', schreef hij aan Laurens van Krevelen.

De toekomstige biograaf zal moedwillig vloeken in Kellendonks kerk. Niet alleen diens afkeer van biografische 'dweepzucht en roddel' moet hij afschudden, maar ook zijn verwerping van elke vorm van 'realisme'. Iedere poging om de werkelijkheid te beschrijven kwam in zijn ogen neer op idolatrie. Iedere voorstelling is immers een projectie van de waarnemer, en daarmee een overtreding van het tweede gebod: 'Gij zult u geen godenbeelden maken.'

Voor Kellendonk was de werkelijkheid onkenbaar, 'een leeg woord', een mysterie dat alleen met de verbeelding omcirkeld kon worden. Hij had zich waarschijnlijk niets ergers kunnen voorstellen dan na zijn dood voort te leven als literair idool, geperst in een handzaam vormpje dat kan worden bijzet in de literatuurgeschiedenis.

Toch zag hij in dat idolatrie een 'noodzakelijk kwaad' is voor een schrijver - ideeën zonder 'mombakkes' zijn immers onherkenbaar. Hij hield van de grote, breed schilderende realistische roman. Zelf erkende hij grif dat hij uit autobiografische bron putte ('Ik verzin nooit iets') en zich liet voeden door wat hij zag op straat, in het café en in de kranten.

Kunst, dicteerde hij, moest door en door kunstmatig zijn, maar moest wel degelijk morele uitspraken durven doen over de wereld waarin we leven. Zijn afkeer van de 'kristallijnen roman', een autonoom taalbouwsel waarin alleen de wetten van de verbeelding heersen, was even groot als die van plat realisme. Hij was de enige van de schrijvers van De Revisor die zich druk maakte over zoiets achterhaalds als de 'maatschappelijke taak' van de schrijver.

En er komen meer tegenstrijdigheden in hem samen. In weerwil van zijn journalistenhaat toonde hij zich een voortreffelijk reportageschrijver en dag- en weekbladcriticus. Hij zag wel wat in het isolement van de 'zondagsschrijver', maar koos op den duur toch voor het fulltime schrijverschap. Hij ijverde voor een volwassen anglistiek in Nederland, voor een levendige uitwisseling van vertalingen, maar bespotte collega-anglisten die de pretentie hadden zich te meten met Angelsaksische vakgenoten. Hij was een overtuigd homoseksueel, die echter niet blind was voor de schaduwkanten van die mannenwereld.

En dan zijn meest controversiële trek: hij rekende al vroeg af met de 'man in een soepjurk, die zich een doornenkroon op het hoofd had laten drukken', en diens 'toornige ijdeltuit' van een Vader, en haatte hun sjacherende vertegenwoordigers op aarde, maar bleef niettemin overtuigd 'van de werkelijkheid van de erfzonde'. Hij liep enthousiast te demonstreren in de jaren zestig en voelde een onstilbaar heimwee naar het 'bezield verband' van de katholieke gemeenschap waarin hij opgroeide.

Uit al die tegenstrijdigheden kwam Kellendonks werk voort. Een klein oeuvre, als je zijn journalistieke werk en vertalingen buiten beschouwing laat, maar de exegeten kunnen er nog generaties lang mee voort. In drie romans en een handvol verhalen en essays stelt hij zijn tegenstrijdigheden telkens op in een duel. Telkens blijken ze geen onverenigbare dogma's, maar vruchtbare paradoxen. Ieder werk is een symfonie van buitelende begrippenparen. 'Ideeënmuziek' wilde hij componeren.

Kellendonk was geen leverancier van pasklare wereldbeelden. 'Van ironie moeten onze beelden doordesemd zijn', schreef hij. 'De lucht van het voorbehoud moet er overal in zitten.' Maar die volgehouden ironie sloot in zijn ogen de ernst geenszins uit. 'Oprecht veinzen' noemde hij dat. 'We doen net alsof we weten waar we het over hebben, en we vergeten geen moment dat we maar doen alsof.'

Het was zijn houding als fictieschrijver, Schepper naast God, maar ook die van postmoderne christen: naïef en uit volle borst in God geloven, dat gaat niet meer, maar dat hoeft ons er niet van te weerhouden Zijn leer als 'heilzame fictie' te beschouwen, die de uiteenvallende samenleving van een nieuw fundament kan voorzien.

DEZE MAAND verschenen twee boeken over het leven en werk van Kellendonk: een Schrijversprentenboek, dat een tentoonstelling in het Letterkundig Museum in Den Haag (tot 28 maart) begeleidt, en een bundel essays over Kellendonk, waaronder een autobiografisch overzicht, van neerlandicus Tijn Boon. Maandag zond de NPS een documentaire van Jan Louter uit over de schrijver; de film is ook te zien op de tentoonstelling.

Prentenboek, werk én leven: je reinste idolatrie. De makers van deze Kellendonk-gedenkstenen moeten bij voorbaat hebben gehuiverd bij zoveel ontheiliging. Ze zijn dan ook op kousenvoetjes rond de strenge geest van de schrijver geslopen.

De tentoonstelling vertelt niets bijzonders over dit leven. Er valt ook niet veel te vertellen. Een willekeurig katholiek jongetje in een kleinburgerlijk gezin. Vader aannemer, geen boek in de kast, slimme zoon mag naar het gymnasium. Op het eindexamen een tien voor Latijn, zoals het een met de hoogmis vertrouwde jongeling betaamt, en een negen voor opstel. Redacteur van een huiskrantje, aandoenlijk versierd met tandpastareclame. Mooie jongen, student, met zijn vriendje Jan Duyx verkleed als piraten. De schrijver signeert, de schrijver in een goedlachs forum, de schrijver in een bootje.

En dan de rouwadvertenties, 'even waardig als hij heeft geleefd'. De onvermijdelijke straat die naar hem wordt vernoemd. Ars longa, vita brevis - en dit leven was wel heel erg kort. Het geluk, het verlangen en het verdriet staan niet op de foto's, het verschrikkelijke einde evenmin. In de tweede helft van de jaren tachtig wordt het gezicht smaller en knokiger. Een aids-patiënt. Je ziet het omdat je het weet.

Kellendonk blijft wat hij wilde zijn: onkenbaar. Iemand bij wie collega-schrijvers zich ongemakkelijk voelden. Als hij erbij zat, was je bang niet scherp genoeg uit de hoek te komen, zegt Bas Heijne in de documentaire. 'Een mengeling van kwetsbaarheid en geharnast zijn', zo beschrijft Oek de Jong zijn vriend met wie hij vele uren in somber zwijgen doorbracht. Een gepantserde jongen.

En bijna niemand durfde hem te bemoedigen toen zijn laatste boek Mystiek lichaam (1986), dat hij geschreven had met de dood in het lijf, enkele critici en 'opinieleiders' inspireerde tot de beschuldiging dat hij een antisemiet zou zijn, en een homo- en vrouwenhater. Met dat messcherp ironische boek, een moraliteit over hedendaags verval, waarin hij beschrijft hoe een seropositieve man zijn geliefde 'bezwangert' met de dood - volgens de vertelinstantie die 'de Geschiedenis' heet, een passend einde voor mensen die zich 'buiten de geschiedenis van het vlees stellen' - wist niemand goed raad. 'Ik heb zelfs niet tegen hem gezegd dat ik de aantijging absurd vond en dat Aad Nuis maar weinig verstand van literatuur had (. . .),' zegt Nicolaas Matsier in het Schrijversprentenboek. 'Dat vond ik namelijk, met het grootste gemak, maar ik zei er niets over.'

KELLENDONK STELDE superieur zijn eigen 'wetten' en niemand had het hart die te houden waarvoor ze waren bedoeld: openingszetten voor een levendige polemiek, die niet mocht worden gehinderd door taboes. Ook Tijn Boon, de schrijver van de bundel essays Het koppige hoofd dat niet wilde scheuren, raapt de handschoen niet op.

In zijn voorwoord typeert hij Kellendonk als een schrijver die het bij voorkeur 'met zichzelf oneens was'. Hij hekelt het beeld dat na zijn dood in de media ontstond, 'dat van de plechtige cultuurfilosoof, de schrijver met het grote religieuze verlangen'. Terecht, omdat dat werk, hoe eeuwig en ernstig de thematiek ook is, zich in al zijn dubbelzinnigheid met een glasheldere, elegante stijl en vileine humor aan elke filosofische en theologische looiigheid onttrekt.

Maar in zijn vier essays - respectievelijk over de idolatrie, de 'kristallijnen' roman, het ironisch moralisme en de ongrijpbare God in het werk - beweegt Boon zich gehoorzaam binnen het door de meester gestelde kader. De essays geven, samen met het biografische hoofdstuk dat zich keurig tot de 'meest klaarblijkelijke levensfeiten' beperkt, een afgerond beeld van zijn schrijverschap.

Boons interpretaties zijn zorgvuldig. Hij legt Kellendonks intenties bloot door het werk te toetsen aan ferme uitspraken in essays en interviews, en haalt door de schrijver bewonderde voorbeelden aan. Nergens echter dwingen zijn analyses tot tegenspraak, zoals Kellendonk hem niet tot tegenspraak of tot een eigen visie op het werk dwong. Afgerond was het oeuvre dat de schrijver in de steek moest laten, allerminst. Hij was amper halverwege. Hij had zijn meest riskante, meest drieste boek gepubliceerd en verwachtte daar een antwoord op

Ook Arnold Heumakers interpreteert in zijn essay in het Schrijversprentenboek, 'Een paar druppeltjes poëtische genade', het werk systematisch en nauwkeurig. Aan de hand van het beroemde citaat 'Ik heb in het hart van de schepping een leemte ontdekt waar God, als Hij bestaat, mooi in zou passen' tast Heumakers naar de contouren van die hypothetische God. Over Kellendonks oplossing voor het probleem van de ongelovige gelovige, het 'oprecht veinzen', merkt hij tussen haakjes op dat 'die feitelijk niets oplost'. En daarbij laat hij het jammer genoeg.

Wel doet Heumakers iets wat Boon nalaat. Hij plaatst Kellendonk, een kind van de wederopbouw dat stomverbaasd de afbraak van de katholieke kerk had gadegeslagen, in een naoorlogse literaire traditie. Hij ziet invloed van twee schrijvers: Gerard Reve, die de moederkerk omarmde maar zich een eigen God schiep, en W.F. Hermans die zijn eigen nihilistische mythe tegen het geloof in stelling bracht, en zo 'in negatieve afhankelijkheid aan het christendom gebonden bleef'. Bij Kellendonk blijft de zelfgeschapen God slechts een mogelijkheid, 'wat suggereert dat ook de tegenstem van Hermans zijn sporen heeft achtergelaten'.

DE ENIGE twee schrijvers die een stap buiten het oeuvre van Kellendonk durven te zetten, zijn twee van zijn vrienden, Bas Heijne en Oek de Jong. Hun bijdragen, zowel aan het Schrijversprentenboek als aan de film, zijn verrassend.

In 'Dronken van taal', dat hij eerder in zijn eigen essaybundel publiceerde, zegt De Jong over het 'oprecht veinzen': 'Ik vond het een wangedrocht van een theorie. (. . .) Zich in bochten wringen noem ik het.' Hij begrijpt waarom religieuze overgave voor Kellendonk onmogelijk was. 'Maar op een ironische manier geloven in God die een verzinsel is, dat is onzin.' Voor De Jong was deze goocheltruc niets anders dan een vlucht van iemand die wanhopig snakte naar geborgenheid, maar niet wist waar hij die zoeken moest. 'Mystiek lichaam', zegt hij in de film, 'gaat over hoe moeilijk het is om te leven.'

Dat weerbarstige boek is zo suf geanalyseerd, vindt Bas Heijne, dat het bijna 'niet meer ademt'. In zijn essay 'Alle vrees is als glas' schuift hij de 'lawine van invloeden en verwijzingen' opzij en stelt hij de vraag 'waar dat werk eigenlijk naartoe wilde'.

En hij komt dan uit bij de 'glimpen' in het werk die iets tonen van de idylle die Kellendonk voor ogen moet hebben gestaan. Zoals het kortstondig geluk dat hij beschrijft in een column over een boottochtje. Een tjoekend pontje, herfstzon, een tevreden gezelschap met twee baby's. Plotseling moet Kellendonk niezen, en de baby's zetten het op een krijsen.

Het 'oeuvre in een notendop', zegt Heijne. De schrijver verstoorde onbedoeld de harmonie, en niet toevallig híj: 'Alles blijkt broos en breekbaar en hijzelf (. . .) blijkt onmachtig blijvend deel uit te maken van deze gemeenschap.' Het verlangen zich daar toch een plaats in de verwerven, schrijft Heijne, 'is de stille kracht in dit radeloze oeuvre'.

Vlak voor zijn dood zei Kellendonk tegen zijn vriend Jan Duyx dat hij, als hij niet had hoeven sterven, zou willen leven 'zonder muren'. Hij stierf, 39 jaar oud, en nog maar net begonnen zijn verlangen aan te boren.

Aleid Truijens

Charlotte de Cloet, Tilly Hermans, Aad Meinderts (redactie): Oprecht veinzen - Over Frans Kellendonk.

Schrijversprentenboek 43.

Meulenhoff; 144 pagina's; * 39,90.

ISBN 90 290 5787 4.

Tijn Boon: Het koppige hoofd dat niet wilde scheuren - Over Frans Kellendonk.

Meulenhoff; 168 pagina's; * 34,90.

ISBN 90 290 8299 2.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden