Schaatsers

Bij zijn verkiezing van de beste schaatsers aller tijden baseert Leen Pfrommer zich op de cijfers. De bondscoach van Jong Oranje vergeet de vooroorlogse rijders niet, maar Eric Heiden is toch zijn favoriet....

Ria Visser

1. De Amerikaanse sprinter Dan Jansen staat bij mij op de eerste plaats. Niet vaak raak ik geëmotioneerd door schaatsprestaties. Waarschijnlijk omdat ik ooit zelf heb mogen ervaren wat het is om te zegevieren. Maar met tranen in mijn ogen aanschouwde ik vorig jaar februari de gouden 1000 meter van Dan Jansen. De duizenden toeschouwers in het Vikingskipet deden allen een schietgebedje, zo vertelde mij de stilte vlak voor zijn start. De ontlading na het finishen van Jansen voelde aan als een warme deken. De huldiging, met een groet naar zijn overleden zuster Jane en de ereronde met zijn dochtertje Jane op de arm, deed mij opnieuw beseffen waar het uiteindelijk in het leven om draait: liefde.

2. Eric Heiden: niet alleen vanwege zijn vele wereldtitels en zijn vijf gouden medailles tijdens de Olympische Spelen van 1980 in Lake Placid, maar ook omdat Lake Placid een ommekeer betekende in mijn eigen leven. Heiden bewonder ik vooral om het feit dat hij zich volledig had gericht op de Winterspelen van 1980, en direct daarna kon zeggen: ik stop met schaatsen en begin een totaal ander leven als student medicijnen en als wielrenner.

3. Tomas Gustafson: Het Zweedse natuurmens bewonder ik om zijn prestaties op de Olympische Spelen van Sarajevo in 1984: goud op de 5000 m en zilver op de 10.000 m, en om zijn prestaties op de Spelen van 1988 in Calgary: goud op de vijf- en de tienduizend meter. Maar nog meer staat hij op de derde plaats omdat hij zo'n ongelooflijk gevoelsmens is. Hij reed de sterren van de hemel als hij zich in balans voelde.

4. Johann Olav Koss: Vooral om zijn indrukwekkende tien kilometer tijdens de Olympische Spelen in Hamar vorig jaar staat hij op de vierde plaats. Het gekke is dat ik hem eerst op de laatste plaats wilde zetten met de woorden 'Last but not least'. De drie gouden medailles getuigen van grote klasse, maar gevoelsmatig deed het me niet zoveel. Waarschijnlijk omdat de Noor zich behoorlijk weet af te sluiten als het gaat om het tonen van gevoelens en emoties.

5. Ard Schenk staat op de vijfde plaats, wat te maken heeft met jeugdsentiment. Ik herinner me de tv-beelden van de drie gouden medailles van Sapporo in 1972, maar vooral die van de val op de Olympische 500 meter: direct na de start viel de lange Noordhollander voorover op het ijs, op handen en knieën. In een oogwenk echter stond hij weer rechtop en vervolgde zijn race. Als 10-jarig grietje schrok ik me wezenloos. Mijn blonde idool ging onderuit! Ik schreef hem een brief, maar kreeg er geen terug.

6. Cees Verkerk, de kleine man uit Puttershoek. Zijn geboortehuis - het veerhuis van Puttershoek - staat net als de boerderij waar ik ben geboren op het prachtige Zuidhollandse eiland De Hoekse Waard. Maar nog meer dan onze geboortegrond is het Noorse dorp Savalen een plaats die zowel bij Verkerk als bij mij in het geheugen staat gegrift. In 1975 werd ik als 13-jarig schaatstalentje uitgenodigd voor een trainingskamp in Noorwegen, in Savalen, onder leiding van Cees Verkerk, georganiseerd door vader Pleun Verkerk. Voor het eerst naar het buitenland! Voor het eerst in een vliegtuig! Trainen met Cees Verkerk!

7. Geir Karlstad behoort tot mijn Top-10 vanwege zijn vele ups en downs. Calgary 1988 zouden zijn Spelen worden, maar het draaide uit op een grote teleurstelling: zevende op de 5000 m en een valpartij op de 10.000 m. In 1992 stond de pechvogel er weer na een zware rugblessure en won tijdens de Spelen van Albertville verrassend goud op de 5000 m. Hamar was niet meer voor hem weggelegd. Na een rugoperatie moest Karlstad vanaf de tribune toezien hoe zijn ploegmaat Koss zijn Olympische droom verwezenlijkte.

8. Hilbert van der Duim is net zo'n pechvogel, maar wist in tegenstelling tot Karlstad nooit een Olympische medaille te bemachtigen. Van der Duim is misschien wel het bekendst van zijn 'vogelpoep' en van het WK 1981 waar hij, als regerend wereldkampioen, in regenboogpak op de 5000 m een ronde te vroeg overeind kwam. Misschien was het allemaal niet even slim wat Van der Duim tijdens zijn schaatscarrière heeft uitgespookt, maar ik waardeer het ten zeerste dat ook Hilbert opkwam voor de belangen van de schaatsers.

9. Igor Zjelezovski staat op de negende plaats vanwege zijn indrukwekkende kracht die hij dank zij een prachtige techniek wist om te zetten in snelheid. 'De beer uit Minsk' (NOS-commentator Heinze Bakker) werd zes keer wereldkampioen sprint. Wat een lichaam heeft deze Witrussische Superman!

10. Jan Ykema won op 14 februari 1988 Olympisch zilver op de 500 meter in Calgary, precies acht jaar na mijn zilveren medaille in Lake Placid, en net zo verrassend. Maar niet alleen daarom staat Ykema in deze Top-10. De Pietje Bel van het Nederlandse schaatsen wist als geen ander dat je je na een inspanning moet ontspannen, anders raak je uit balans!

Leen Pfrommer

Wanneer men een poging wil ondernemen om tot een aanwijzing te komen welke - en dan ook nog in volgorde - de beste tien schaatsenrijders aller tijden tot nu toe zijn, dan moet daarbij wel worden opgemerkt dat de prestaties die deze rijders leverden, steeds moeten worden gezien in relatie tot:

- de tijd waarin zij deze prestaties leverden;

- de omstandigheden waaronder, met name geografisch en klimatologisch, gereden werd;

- de internationale concurrentie die men had.

De Scandinaviërs, Oosteuropeanen en Noordamerikanen konden tot 1962 veel betere prestaties leveren dan bijvoorbeeld Nederlanders en ook Duitsers, omdat zij elk jaar wekenlang op het ijs konden trainen.

De Nederlanders hebben echter vooral na 1962 de macht van het getal gehad. Het schaatsen is in Nederland een wintervolkssport en bij grote aantallen beoefenaars neemt de kans toe dat er meer talenten worden ontdekt.

Wereldkampioenschappen schaatsen worden sinds 1889, Europese kampioenschappen sinds 1891, Olympische Winterspelen sinds 1924 en wereldkampioenschappen sprint sinds 1970 gehouden.

Aan de eerste Winterspelen namen bij het hardrijden op de schaats voor mannen tien landen deel met over alle afstanden een totaal van 77 personen, terwijl in 1992 in Albertville 21 landen deelnamen met meer dan tweehonderd rijders op de diverse afstanden.

De dames worden in deze beschouwing (nog) niet meegenomen. Voor de vrouwen wordt het wereldkampioenschap sinds 1936, het Europees kampioenschap sinds 1970, de Olympische Winterspelen sinds 1960 en het wereldkampioenschap sprint eveneens sinds 1970 gehouden.

Als we dus een poging moeten wagen om tot een waardering in de volgorde een tot tien te komen, lijkt het meest redelijk, rekening houdend met het vorenstaande, om een aantal criteria te hanteren.

Mijn criteria daarvoor zijn:

- hoe lang behoorde betrokken rijder internationaal tot de top: dat wil zeggen regelmatig bij de eerste drie;

- hoeveel maal eindigde hij bij respectievelijk EK en/of WK en/of WK Sprint bij de eerste drie;

- hoeveel medailles behaalde hij bij de Olympische Spelen en in welke kleur;

- hoe aansprekend waren zijn resultaten voor mij; dus een subjectief oordeel.

Op grond van deze criteria kom ik tot de onderstaande volgorde:

1. Eric Heiden (VS)

2. Ivar Ballangrud (Noo)

3. Clas Thunberg (Noo)

4. Ard Schenk (Ned)

5. Johan Olav Koss (Noo)

6. Oscar Mathisen (Noo)

7. Hjalmar Andersen (Noo)

8. Knut Johannesen (Noo)

9. Oleg Gontsjarenko (SU)

10. Cees Verkerk (Ned)

In deze beschouwing is steeds uitgegaan van allrounders. Wanneer de typische sprinters zouden moeten worden meegeteld dan zou Igor Zjelezovski (SU) op de vierde plaats moeten komen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden