Schaatsen blijkt toch een grote sport

Durf schaatsen maar een kleine sport te noemen. Op ijsbaan Kardinge in Groningen meldden zich afgelopen weekeinde liefst 95 schaats(st)ers van 21 verschillende nationaliteiten voor het WK junioren en in dat geweld kon Nederland slechts ten dele zijn reputatie als grootmacht waarmaken....

Dat succes vooral een kwestie van investeren is, werd eens te meer geïllustreerd door de eindklassementen. Rijke schaatsnaties als Japan, Nederland, Korea, Duitsland, Amerika en Canada zetten de toon, met in hun spoor een peloton figuranten uit armlastige landen als Oostenrijk, Hongarije, Kazachstan, Mongolië, Polen, Italië en Wit-Rusland. Qua talent deden veel figuranten echter niet onder voor de kampioenen Frederique Ankoné (Nederland) en Shingo Doi (Japan).

De besten worden echter niet altijd kampioen, weet inmiddels ook Jan de Kok, coach van Jong Oranje. 'Eerlijk is eerlijk, geld is een belangrijke factor. Ik zie hier talenten uit andere landen die in potentie wereldkampioen kunnen worden. Maar als je altijd moet trainen op een parkeerplaats of nooit op trainingskamp kunt, zul je nooit de top bereiken. Neem die Roemeense meiden: geweldig veel talent, maar amper faciliteiten.'

De Roemeense situatie is exemplarisch voor de meeste teams die in Groningen present waren. Als gevolg van de politieke omwentelingen en economische crises is in veel Oost-Europese landen de financiële steun aan sportbonden stopgezet waarmee het vertrouwde fundament onder de schaatssport is weggeslagen. Kenmerkend is dat in Rusland geen kunstijsbaan meer operationeel is. In Kazachstan roest de wonderbaan van Alma Ata weg.

In Groningen verschenen zes Russische junioren (drie vrouwen, drie mannen) aan de start, maar geen van hen zal volgens coach Dimitri Tiklin ooit in de voetsporen van illustere landgenoten als Goeljajev of Averina kunnen treden. Zijn pupillen kunnen door gebrek aan faciliteiten slechts twintig procent van de trainingsarbeid verrichten die vereist is om de top te bereiken. In Rusland moet Tiklin zich behelpen op natuurijs bij een gemiddelde temperatuur van -20.

Langzaam dreigt de schaatssport in Rusland een stille dood te sterven, erkende Tiklin. 'Aan het laatste Russisch kampioenschap deden honderd junioren mee. Dat klinkt veel, maar vroeger waren het er honderden. In Moskou wordt niet meer geschaatst. Alleen in Sint Petersburg en Siberië zijn nog schaatsclubs. Twee keer per jaar proberen we onze beste junioren samen te brengen.'

Voor reanimatiepogingen zijn de Russen aangewezen op de Internationale Schaatsunie (ISU). Sinds zeven jaar maakt de ISU jaarlijks tien miljoen gulden vrij voor ontwikkelingswerk - al dienen uit die pot ook hulpacties ten behoeve van het shorttrack en kunstschaatsen gefinancierd te worden. In het kader van de internationalisering van het langebaanschaatsen organiseerde de ISU het afgelopen jaar liefst drie trainingskampen voor arme landen. De Russen waren er, evenals de Roemenen, Polen, Hongaren, Tsjechen, Oostenrijkers en Italianen.

Allessandro de Taddei, trainer van het Italiaanse juniorenteam, noemt de hulpacties een onmisbare prikkel voor zijn ploeg. 'Het kan nooit onze achterstand op Nederland en Japan compenseren, maar die ISU-kampen geven ons wel de mogelijkheid om drie keer per jaar gebruik te maken van de beste faciliteiten. Daardoor hoeven onze junioren zich niet helemaal kansloos te voelen.'

Tiklin zou het liefst zien dat de ISU zou bijdragen aan de bouw van een schaatshal in Moskou. 'Dan zouden we weer zo kunnen trainen als vroeger. Alle landen die hier bij het WK de top vormen hebben de beschikking over één of meer hallen, dat is geen toeval.'

ISU-voorzitter Ottavio Cinquanta liet echter weten dat zijn bestuur nimmer de bouw van een hal waar ook ter wereld zal financieren. 'Dat is niet onze verantwoordelijkheid. Als in een land geld is om een voetbalstadion te bouwen, is er ook geld om een schaatshal te bouwen. Het is maar welke keus het land zelf maakt.'

De lichte afgunst waarmee Tiklin en De Taddei over de luxe in Nederland spraken, kon Jong Oranje-trainer De Kok zich wel indenken. Elke woensdagmiddag verzamelen zijn pupillen zich in Thialf en daarnaast werden deze winter trainingskampen afgewerkt in Grefrath, Berlijn en Inzell (2x), om straks in maart het seizoen af te sluiten met een weekje Calgary. Dat is inderdaad luxe, erkende De Kok.

Superieur was Nederland echter niet in ijspaleis Kardinge. Weliswaar legden Frederique Ankoné en Elma de Vries bij de vrouwen beslag op goud en brons, maar bij de mannen was de zesde plaats voor Stefan Groothuis de beste klassering. Vier Aziaten en een Zweed drukten het Nederlandse mannentrio in een bijrol.

Ook dat heeft trouwens te maken met geld, zei De Kok. 'De mogelijkheden en faciliteiten die wij hebben zijn uitstekend, maar als je het vergelijkt met Japan en Korea is het zelfs voor ons nog behelpen. Die Aziaten gaan 's zomers met vijftig junioren naar Calgary. Als wij onze leidende positie willen behouden, moeten we daarnaar kijken.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.