Sanitaire stop

Het doorspoeltoilet is de gerieflijkste uitvinding aller tijden. Het is bedacht in 1596, nadat er een hoop narigheid aan vooraf was gegaan....

'Ostront! Veredel mijn gedachten', schrijft de Zuid-Afrikaanse negentiende-eeuwse dichter J.E. de Jong in zijn lange epos Lof der stront, 'verfijn mijn geest en mijn verstand'. Hij zou zijn hart hebben kunnen ophalen en zijn inzicht scherpen door zich eens rekenschap te geven van de geschiedenis van de afvoer van dit menselijke, al te menselijke goedje. Dan zou hij belanden in de wereld van de pot en de ton, van de overhangende erker en de ondersteek en ten slotte in die van het watercloset, hetzij met vlakspoelsysteem, hetzij met diepspoelsysteem - die van de zachte landing, zeg maar, of die van de plons.

Wie het tot zich door laat dringen, wordt bevangen door dankbaarheid. 'Een ieder heeft zijn smaak, mijnheeren!', juicht De Jong, 'En 't is de stront die mij behaagt.' Daar ga je, oog in oog met de prenten en schilderijen die de sanitaire stop van drie, vier eeuwen terug documenteren, toch enigszins anders over denken.

Enkele daarvan hangen tot het eind van de maand in het Waterleidingmuseum in Utrecht. Ze boekstaven een wereld die door het zogeheten beschavingsproces is weggevaagd. Als dat het was, dan mogen we daar nimmer iets relativerends over zeggen.

Wat is de belangrijkste, dat wil zeggen, de profijtelijkste, gerieflijkste uitvinding aller tijden? Met het wiel komen we een heel eind, maar zelfs een oppervlakkige blik op de weerzinwekkende geschiedenis van de huiselijke hygiëne leert dat het doorspoeltoilet voor zou horen te gaan. Hoe oud is het en wat ging er voor een narigheid aan vooraf? Wat wij, in de Westerse wereld, enkele malen per dag benutten gaat terug op een vinding uit de zestiende eeuw, met ingrijpende verbeteringen uit de achttiende en vervolmaking aan het eind van de negentiende.

Alles wat erover kan worden gezegd dient de naam van John Harington in eervolle herinnering te roepen. Hij was het die in 1596 het eerste, zij het ook nog primitieve, doorspoelsysteem bedacht; weg stront, weg stank. Wie bij het jaartal stilstaat, gaat Mulischiaanse verbanden zien; 1596, was dat niet het jaar waarin ook Descartes werd geboren, de man die even later het rationalisme zou funderen met zijn Vertoog over de methode? Redeneren en retireren, ze hebben ons levensgeluk danig beïnvloed.

Bij Boccaccio staat het kostelijke verhaal van de man uit Perugia die door een Napolitaanse wordt misleid en met de vloer van de wc en al naar beneden tuimelt, de steeg in waar zich de productie bevindt van allen die hem voorgingen. Dat was de tijd van de eerste wc's, de hoogmiddeleeuwen, als we even afzien van de vindingrijkheid van vooral de Romeinen.

Boven de straat of de steeg hing een uitbouw met een stoel erin, in de stoel zat een gat waarop men zijn gat kon plaatsen. Wee de voorbijganger of de vloerenbreker. Op de tentoonstelling hangen de prenten van zulke ongelukken, alsmede foto's van dergelijke uitbouwsels zoals ze tot op de dag van vandaag aan de muren van kastelen te zien zijn. Vooruitgang is geen ideologie, maar een feit.

'Stront, altijd stront, stront duizend malen', zingt De Jong, en even later worden dat zelfs 'milioenen malen'. Zou het? Eerst maar even wat cijfers, daarom. Een volwassen mens produceert per jaar 55 kilogram stront, zeggen de onderzoeken (wat me aan de zuinige kant lijkt) en 545 liter urine. Mannen urineren vijfmaal daags en doen daar per keer 31,7 seconde over, vrouwen zeven keer met een rondetijd van 1 minuut 37. Over een heel leven zijn dat vijftig volle dagen voor de heren en tweehonderd voor de dames. Er moeten economen zijn die kunnen uitrekenen wat de schade voor de staatshuishouding op jaarbasis is; de heren Balkenende, Herben, Zalm en Donner zijn gewaarschuwd.

De privacy waarmee die verrichtingen zijn omgeven, is een betrekkelijke nieuwigheid. Je hebt mensen die kramp in hun sluitspieren krijgen wanneer ze binnen hoorafstand van anderen hun gevoeg moeten doen. Ze vormen een van de raadsels van de evolutie; in de middeleeuwen zouden ze vroeger of later uit elkaar zijn gebarsten.

Toiletinrichtingen met zes kakdozen op een rij, waarop monniken gebroederlijk hun behoefte deden, zijn geen uitzondering. Ook de schijthuizen van de Romeinse tijd benadrukken het gezelligheidskarakter van de latrine. Het zijn zaaltjes, zij het dat ze in de Romeinse tijd al waren aangesloten op een afvoersysteem met spoelwater en rioolpijpen.

De zaaltjes worden mettertijd kamertjes, met die in het Antwerpse huis De Wolsack als onbetwistbaar hoogtepunt; een bibliotheekkamer met een stapel plat liggende, doorboorde folianten als zetel. Maar gerieflijkheid en privacy alleen waren niet voldoende - het ging om de schone afvoer van het materiaal en, bovenal, de lucht die het verspreidde. Met de groei van de steden werd de noodzaak van een georganiseerde en gecontroleerde afvoer dringender, met de toename van de gevoeligheid werd ze nijpender.

In het wonderjaar 1870 introduceerde de Brit Stevens Hellyer zijn Optimus Improved Valve Closet, dat het, in aangepaste vorm, tot de Tweede Wereldoorlog uithield. In datzelfde jaar vond John Randall Mann het sifontoilet uit - minder herrie, meer spoelkracht - en bedacht Thomas Twyford de vlakspoeler.

Grote namen, ten onrechte in de vergetelheid geraakt. Wie hun biografietjes leest, stuit keer op keer op het dikwijls gesmade optimisme en de onverzettelijkheid van de negentiende eeuw. De pedestal vase, de sierlijke porseleinen pot, doet zijn intrede en er kan geen wereldtentoonstelling voorbijgaan of er staat weer een rijtje prachtige wc-potten te pronk. Het is dat moment waarop de waterleidingbedrijven de geschiedenis van de wc binnentreden; zij zijn het die tegen de aanvankelijke prototypes bezwaar maken, omdat zij te veel water verspillen.

Hellyer, Mann en Twyford en hun navolgers zijn degenen die daar net zolang aan dokteren tot het huidige model met zijn vernuftige techniek en doeltreffende werking daar is. Ze dragen namen als Optimus, Excelsior en Unitas, en ze zien eruit als siervoorwerpen. Aan de wereld van mannen die in een hoek van een taveerne tegen de wand aan staan te zeiken, of huiskamers met een gierende ton in de hoek is een eind gekomen.

De tentoonstelling in Utrecht is een teleurstelling; voornamelijk foto's van oudere toiletinrichtingen, archeologisch of sociaal-historisch, en kopieën van oude afbeeldingen. Hier en daar een aan de Utrechtse rivierklei onttrokken aardewerken pot.

Wat erger is, is dat al die afbeeldingen afkomstig zijn uit het magnifieke boek dat de Vlaming Danny Lamarcq negen jaar geleden over het onderwerp schreef, Het latrinaire gebeuren. Dat werd in kleine oplage uitgegeven door een niet-commerciële uitgeverij, de Stichting Mens en Kultuur te Gent, samen met een bekende firma in sanitair. Het werd indertijd, behalve door enkele toegewijde specialisten, ternauwernood opgemerkt.

Dat weet geens mens, moeten ze bij het Waterleidingmuseum in Utrecht hebben gedacht, en dus plagiëren ze dat boek schaamteloos en melden ze nergens de herkomst van hun materiaal en ordening. Zonder Lamarcqs werk zou de tentoonstelling niet hebben bestaan. Schijt aan de eerlijkheid, hun achterste afgeveegd met het beginsel van de intellectuele eigendom.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden