Samen rouwen met een biertje erbij

Het ergste aan alleen zijn is alleen zijn. Nog erger: alleen zijn op zondagmiddag. In het treurcafé ontmoeten weduwnaars en weduwen elkaar....

Het huwelijksgeluk zit zondagmiddag in gewassen Volvo's achter de frietkraam in het Limburgse dorpje Tegelen. De mannen zitten achter het stuur, de vrouwen ernaast op de passagiersstoel, allemaal hebben ze een grote puntzak voor de neus. De vingers gaan diep de mayonaise in, de monden al open voordat de friet nog maar in aantocht is. En dan, als alles onder zit, kijken ze even lachend naar opzij. Zeggen ze voor de grap bestraffend de naam van de echtgenoten op.

Weduwen en weduwnaars eten geen patat meer op zondagmiddag. In hun eentje gaan ze ook niet langer fietsen naar een kasteel bij de Rijn. Ze komen nooit meer in een trappistenklooster, de caravan is niets meer aan en voor een spelletje patience ontbreekt het ze aan geduld. In hun eentje zitten ze thuis op de bank met hun verdriet, dat te dof en eendimensionaal is om kennissen langer dan een paar maanden te boeien. En het ergste aan alleen zijn is alleen zijn. Nog erger: alleen zijn op zondagmiddag.

Als ervaringsdeskundigen van welzijnsorganisatie Wel.kom gaan Henny Verbong en Ria Muisers al enkele jaren bij lotgenoten op huisbezoek. Maar met af en toe koffiedrinken gaven zij de mensen nog niet het drukke en bevredigende leven dat zij voor zichzelf op hun ellende hebben bevochten. Dus toen ze lazen over een Duits 'Trauercafé' hoefden zij elkaar maar even aan te kijken; want een treurcafé, dat is wat: daar leggen mensen contact en krijgen ze misschien de energie om weer iets te ondernemen. Sinds februari komen daarom maandelijks tussen de twintig en dertig lokale weduwen en weduwnaars een zondagmiddag bijeen in Grand Café Staccato aan de Grotestraat, precies tegenover de frietkraam.

Ongedwongen sfeer

Staccato is heel geschikt voor een treurcafé. Het is er licht, ruim en hoog, de vele ramen geven uitzicht op een klein terras, de doorgaande weg naar Venlo en de grote kerk. De wanden zijn lichtgeel gesaust, de rieten zitjes ruim over de plavuizen verspreid. Alles ademt al met al een ongedwongen sfeer, vinden Henny en Ria. En dat is nodig. Ondanks de laagdrempeligheid lopen mannen nog wel eens net zo lang de Grotestraat op en neer tot Henny haar Spritzer in de steek laat om ze aan hun jas naar binnen te trekken.

Tegen tweeën komen de eerste weduwen en weduwnaars binnengeschuifeld, veelal ouderen met stijve schouders en stramme nekken. Ze kijken wat rond en gaan aan de stamtafel zitten. De vrouwen spelen ongemakkelijk met hun tasjes, de mannen doen een poging uit te stralen dat het heel gewoon is om hier te zijn. Gelukkig weet het personeel wie het voor zich heeft en is het royaal met knipogen als de flesjes 7up worden rondgedeeld.

Henny en Ria zijn dan al een halfuurtje aanwezig. Het zijn energieke vijftigers; Henny gaat in spijkerjack, Ria heeft een broche op haar lichtpaarse trui. Ze roken, drinken en praten over eenzaamheid. En verliezen ondertussen mevrouw Jans niet uit het oog. Zij is hier vandaag voor het eerst, wijkt daarom niet uit de schaduw van haar begeleiders, en blijft met haar rug naar de muur staan, angstvallig elk oogcontact vermijdend.

Het wordt twee uur en nog een half uurtje later en dan is de stamtafel eindelijk gevuld. Heel voorzichtig komen er gesprekjes op gang, oppervlakkige praat nog over de tuin of stoppen met roken. De gasten moeten wel geluk hebben dat ze naast een leuk iemand komen te zitten, want een groepsgesprek zit er nog niet in. De mensen kennen elkaar niet of hooguit van gezicht, en over het algemeen voelen ze zich niet zo lekker.

Gemene woede

Jan van der Biesen zit op de hoek van de stamtafel, een mooi, donkerblauw pak aan, de armen over elkaar. Wat heeft een man als hij, 84 jaar, een leven lang hard gewerkt, aan een middag als deze? Net zo veel als aan alle andere middagen van zijn leven: helemaal niets. Kijk, wijst hij: aan de overkant van de tafel zitten wat vrouwen te praten - als hij het al kon verstaan, hij zou er nog geen klap aan vinden. Vandaag is hij voor de zesde keer aanwezig. De eerste keer kwam hij nog met een vriend mee, maar die heeft tegenwoordig een nieuwe vriendin. Zelf kijkt hij wel uit om te zoenen met vrouwen van zijn eigen leeftijd.

Gek genoeg staat hij bekend als een vrolijke man. Ga maar met Van der Biesen praten, zeggen ze in zijn woonplaats Belfeld, dan hoor je wel wat leuks. Bijvoorbeeld: een paar jaar geleden, tijdens een tussenstop van een meerdaagse wandeling, liep er een vrouw naar de douches, die gekscherend zei: 'Wil jij zo mijn rug even wassen, Jan?' Toen zei hij meteen: 'Nee, maar de voorkant wel.' Zulke grappen, daar houdt hij van; op het randje, net niet te gek. Hij buigt voorover, deelt met de rug van zijn hand een fel tikje uit en lacht. Maar al snel laat hij zich weer tegen de rugleuning zakken en staat alles in zijn ronde gezicht weer op onweer.

Als hij over zijn leven moet praten, welt altijd een gemene woede in hem op. Van der Biesen kon goed leren, beter nog dan zijn broers. Maar die gingen naar de middelbare school in Tegelen, terwijl Jan vanwege zijn slechte longen naar de fabriek werd gestuurd - hij zou de dagelijkse afstand naar school niet kunnen fietsen. Het werd de tabaksfabriek, 'godbetert'. Zijn hele leven heeft hij in de avonduren moeten leren om zich eerst een baan bij de Spoorwegen te verschaffen en daar later op te klimmen tot rangeerterreinchef. Het mooiste aan veertig jaar bij de Spoorwegen vond hij: het vrije reizen.

Het lange leven van Van der Biesen kende twee lichtpuntjes: het vrije reizen natuurlijk, en zijn vrouw Marie. Zij was een mooie, warme vrouw, die altijd voor iedereen klaarstond. Ze hield ook wel van het vrije reizen, hoewel ze liever een auto had gehad. Anderhalf jaar geleden zou bij haar een apparaat worden ingebracht dat haar nieren zou helpen functioneren, maar tijdens de operatie werd haar hart geraakt. De arts zei: 'Ik doe dit al 22 jaar, maar vandaag is het misgegaan.' Van der Biesen antwoordde: 'Ja, als ik in mijn tijd een wissel verkeerd had gelegd, had ik ook slachtoffers gemaakt.'

Sinds Marie er niet meer is, ligt Van der Biesen de hele dag op de bank te slapen, zodat hij 's nachts uitgerust wakker ligt. De enige reden dat hij het Trauercafé bezoekt, is om een paar uur van huis te zijn. Naast hem staat een lege stoel, en met die vrouw op de stoel aan zijn andere zijde, zegt hij en buigt een laatste keer voorover, 'daar kan ik dus niks mee'. Van der Biesen zal niet lang meer blijven.

Die vrouw naast hem heet Johanna Jans, een vrouw van begin zestig in zelfgemaakte kleding en met een grijze scheiding met verse sporen van een zakkam. Ze kijkt zwijgend naar de anderen, aan wie eigenlijk niets is te zien: sommigen roken een sigaret, nippen van een watertje, verschikken wat aan blouse of kapsel of vertellen besmuikt over de kleinkinderen. Zelf hangt Johanna kromgebogen aan de tafel, de ellebogen rusten op het blad. Johanna Jans is geen vrouw van poespas of van grote gebaren. Ze lijdt zoals ze leeft: voorzichtig en beleefd.

Hartenvrouw

Het is nog maar een halfjaar geleden dat haar Reint naast zijn fiets in elkaar zakte, zegt ze terwijl ze een tijdlang verbijsterd naar de vloer naast haar stoel kijkt. Nu is ze in een zwart gat gevallen. Het naaien, waaraan ze altijd zoveel plezier beleefde, is door de artrose in haar rechterduim onmogelijk geworden. Omdat ze niet eeuwig op de bank kan blijven zitten, heeft ze zich ingeschreven voor de seniorengymnastiek. En komt ze hier naartoe; hoe zwaar dat ook is. Ze schudt het hoofd: 'We konden het zo goed met elkaar vinden.'

Johanna en Reint leerden elkaar kennen tijdens het carnaval van 1960. Zij was als hartenvrouw en droeg daarom een rok met grote harten erop, haar beste vriendin, ruitenvrouw, eenzelfde rok met ruiten. Halverwege de avond kwamen er twee mannen in boerenkiel op hen afgelopen; één van hen was Reint. Voor beide vrouwen begon een lang en gelukkig huwelijksleven, met veel kinderen en kleinkinderen. Misschien dat Reint en Johanna het hooguit zakelijk wat moeilijk hebben gehad.

'Zoiets hoor je altijd vlak voor de feestdagen', zegt Johanna: in 1994 ging de beroemde Tegelse pannenfabriek failliet. Reint werkte daar op een kraan. Dat had hij met zijn versleten heupen nog tot zijn pensioen kunnen doen, maar solliciteren naar nieuw werk had geen zin meer. Om te bezuinigen kocht zij nooit meer een nummer van het naaitijdschrift Marion en viste hij voortaan zonder de tips in Beet. Gelukkig hadden ze de auto en de caravan niet op afbetaling aangeschaft.

Hoogtepunt op de camping was het spel dat ze 's avonds met de buren speelden. Van bezemstelen had Reint blokjes gezaagd, met nummers erop, die op een veldje werden uitgezet. Met andere blokjes moest je dan proberen de genummerde blokjes om te gooien; de cijfers mocht je optellen. 'Als je vijftig punten had', zegt ze, 'had je gewonnen.' Als Johanna straks is uitgepraat, komt ze zakdoekjes tekort. Maar nu zegt ze nog even lachend, een vlakke hand in de lucht: 'Maar als je meer dan vijftig had, moest je dus weer helemaal opnieuw beginnen.'

Kan gebeuren

Op de hoek waar Van der Biesen eerder zat te brommen, vormen rond half vier drie dames met rode ogen een subgroepje met een eigen thema: de strijd tegen de uitkerende instanties. Namens hen wil er één proberen uit te leggen wat hen dwarszit, maar dan wel aan een tafeltje verderop, want de anderen kunnen het niet meer aanhoren: als weduwe krijg je soms van de ene instantie geld, dat de andere weer ergens van aftrekt. Zit je ieder jaar weer bloednerveus met onbegrijpelijke formulieren opgescheept - één foutje en daar gaat je geld. Mensen in hun situatie zouden met meer begrip moeten worden behandeld. Dat is de boodschap die duidelijk in de krant moet.

Verkering

Als ze terugloopt, wordt ze nagekeken door een praatgrage vijftiger die juist een nieuw biertje wil bestellen. 'De naam is Mathieu', zegt Mathieu Ewals en hij gaat aan de bar zitten om zijn zegje te doen. Dat is een uitgebreid zegje, waarin veelvuldig de plannen 'A' en 'B' voorkomen. Mathieu is een nuchtere man. Een kwestie van instelling is dat. Blijven relativeren. Beseffen dat je een mens onder mensen bent, nietig, kwetsbaar, niet méér waard dan een ander. De wereld reageerde nogal hysterisch op de gebeurtenissen van 11 september van vier jaar geleden. Hij niet, zegt hij: 'Kan gebeuren.'

Op zijn zestiende ging Mathieu voor het eerst naar het café, op zijn twintigste kreeg hij verkering met Fien, op zijn 23ste trouwden ze en op zijn 52ste werd hij weduwnaar. De eerste jaren van zijn loopbaan was hij melkboer, maar hij moest reëel blijven: het bracht niets op. Sindsdien is hij vrachtwagenchauffeur. Soms denkt hij voor een dagje weg te gaan, krijgt hij onderweg een telefoontje en is hij pas een week later thuis. Vrouwen kunnen daar niet tegen, dus zit verkering er voorlopig niet in. 'Maar ach', relativeert hij, 'sommige mensen hebben darmkanker.'

Het probleem met Fien was een combinatie van extreem overgewicht en doktersangst. Ze kreeg nierproblemen, haar bloeddruk liep op en op het laatst had ze ook een open been. Toen ze vijf jaar geleden alsnog in het ziekenhuis belandde, hield ze het nog maar twee dagen uit. Haar laatste en diepste wens was een crematie, maar in Nederland was geen crematoriumoven groot genoeg voor haar. Misschien, probeerde de begrafenisondernemer, konden ze uitwijken naar het buitenland. Maar Mathieu was al overgeschakeld op plan B. 'Drie dagen na de begrafenis speelde ik alweer drums in het harmonieorkest.'

Zo hoort een mens zich door het leven te slaan. Niet bij de pakken neerzitten, maar proactief naar verjaardagen gaan, schuttersfeesten, vrienden. Normaal gesproken zou hij de zondagmiddag met Fien uitzitten, misschien samen een patatje halen. Nu zit hij in het Trauercafé, en dat is een prima alternatief.

Café-ervaring

Het loopt tegen vijven; Louise Felten maakt zich op voor vertrek. Ze is een breekbare, magere dame, de pony hoog op het voorhoofd afgeknipt, in een gemakkelijke broek en een wit T-shirt met roze, horizontale banen erop. Kleding die je draagt als je met kennissen een lange fietstocht maakt. Dat is ook wat ze het allerliefste zou willen van het treurcafé: een afspraak om weer eens uitgebreid met iemand te fietsen. De anderen hebben die wens nog niet opgepikt.

Ze staat op en loopt naar de bar om haar consumpties af te rekenen: twee cassis. Het wisselgeld gaat per munt terug in de portemonnee, de portemonnee voorzichtig in de tas. Mevrouw Felten voelt zich niet op haar gemak. Toen haar man nog leefde, had ze geen belangstelling om met mensen contact te houden, nadat hij was gestorven hadden mensen geen belangstelling om dat met haar te doen, en hier is het vanmiddag ook niet goed gelukt.

Haar man was ziek, zat hele dagen thuis, en wilde 's avonds niet ook nog eens alleen zitten - vandaar dat ze nooit eens naar vriendinnen kon. Als ze hem vroeg wat hij wilde eten, zei hij steevast: 'Ik vind alles even heerlijk.' Als er een belangrijke voetbalwedstrijd op was, zette hij hem voor haar op een andere zender. Elke dag opnieuw zei hij hoeveel hij van haar hield. Dat was heerlijk om te horen, maar werkte ook wel eens op de zenuwen.

Uiteindelijk is hij aan een hartaanval gestorven, al wilde de huisarts haar niet geloven toen ze hem belde - ze moest de man die lag te schudden op de vloerbedekking maar een aspirientje geven. Twee jaar zat ze alleen thuis, kwam ze alleen buiten om de hond uit te laten. Toen die zes maanden geleden ook het loodje legde, raakte Louise in een paniekerig soort depressie. Medewerkers van Maatschappelijk Werk gaven haar het duwtje in de rug om hier alweer voor de derde keer naartoe te komen.

De eerste keer zat ze naast twee vrouwen die al vroeg vertrokken om samen een terrasje te pakken, de tweede keer naast twee vrouwen die alleen met elkaar konden praten, en vandaag, nou ja, misschien is het haar gebrek aan café-ervaring. Toch zet ze door, zal ze er de volgende keer weer bij zijn. Ze klemt haar tas tegen de buik, loopt langs de stamtafel en groet ten afscheid, al zijn er niet veel die teruggroeten.

Nu zitten er alleen nog maar mannen bij de begeleiders. Sjakie bijvoorbeeld, een veertiger die graag een biertje lust. Als hij zou vertellen wat hij heeft meegemaakt, verklaarde iedereen hem voor gek. Daarom houdt hij zijn mond. Tegenover Sjakie vertelt Mathieu nog maar eens hoe belangrijk relativeren is. En naast Mathieu zit een man die zijn vierkante bril steeds duwtjes moet geven om wegzakken te voorkomen. Diens bijdrage aan de middag blijft begrijpelijkerwijs beperkt tot: 'Veertien dagen geleden heb ik mijn vrouw begraven.'

Henny en Ria vinden het een interessante vraag: 'Hoe komt het dat de vrouwen altijd op tijd weggaan en de mannen blijven zitten?' Zelf hebben ze geen idee, maar Sjakie zegt beslist: 'Weduwen stippelen het leven uit, weduwnaars laten het leven op zich afkomen.' De man met de bril knikt naar zijn sandalen, en Henny en Ria verdwijnen even in gedachten; het schijnt ze een aardige verklaring toe. Alleen Mathieu sputtert nog wat tegen. 'Misschien heb je gelijk', zegt hij, 'maar uitstippelen heeft geen zin als je bang bent voor plan B.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden