Salonfähige wansmaak

Met een derde tentoonstelling poogt Charles Saatchi opnieuw zijn reputatie van talentscout gestand te doen. Dat lukt niet. Omdat de kunst waarnaar hij zoekt niet meer bestaat....

Arme Charles Saatchi. Aanvankelijk leek het hem nog zo goed te gaan. De in Bagdad geboren zoon van een joodse textielfabrikant maakte halverwege de jaren zeventig in Londen furore met zijn reclamebureau Saatchi & Saatchi, dat hij samen met zijn broer Maurice runde. Hoogtepunt: de venijnige campagne, in 1979, voor de conservatieve partij van Margaret Thatcher, met de slogan ‘Labour isn’t working’, boven een foto van een lange rij werkelozen voor een arbeidsbureau.

Met zijn vele geld begon hij kunst te verzamelen. Eerst van de bekende namen, zoals Warhol, Nauman, Stella en Lichtenstein. Daarna van een nieuwe lichting energieke en zelfbewuste, maar volstrekt onbekende kunstenaars van het Goldsmiths College of Art in Londen, onder wie Damien Hirst, Sarah Lucas, Tracey Emin en de gebroeders Chapman. Hij gaf ze in 1997 een eigen expositie, Sensation, in de Royal Academy, die inderdaad sensationeel bleek te zijn, de Young British Artists in een klap wereldwijde bekendheid gaf, en ook Saatchi zelf als talentscout par excellence.

Prachtig natuurlijk, maar ja, wat dan? Nog een keer de stunt uithalen? Saatchi probeerde het. Eerst met zijn New Neurotic Painting. Part One and Two, in 1999, wat geen groot succes bleek te zijn, en nu, omdat driemaal nu eenmaal scheepsrecht is, met Newspeak: British Art Now. Part One, in zijn eigen Londense museum. Een tentoonstelling die de belofte waar wil maken, dat ze ‘enkele van de meest opwindende kunstenaars in het Verenigd Koninkrijk van de afgelopen paar jaar laat zien die grotendeels nog onbekend zijn bij het grote publiek’, zoals in de uitnodiging valt te lezen. Het zal hem, ik verklap het maar vast, wederom geen succes opleveren. Verre van dat. Het is een stomvervelende show.

In alles probeert de tentoonstelling een heftig, politiek gekleurd of anderszins maatschappelijk geëngageerd beeld te geven van het Verenigd Koninkrijk anno nu. Met strijdbare affiches die van alles roepen – Power to the Penis, Help Fight Communism and Integration: Join the KKK en Women’s Liberation Front – van Alister MacKinven. Pikzwarte Bugs Bunnies, de ene met een gele tl-buis in zijn oog, de andere met een knalgroene in zijn reet, van Barry Reigate.

In een van de bovenzalen hangt de Amerikaanse zangeres Cher gezeefdrukt als de Argentijnse Che Guevara in een felroze kleur, van Scott King. Er staat een ‘meubeleiland’ van Matthew Darbyshire, met een bontgekleurde designmix van Ikea-lampen, Noguchi-tafel, Abacas-vloerkleed, boeddhabeeldje en basketbalschoenen. Verderop zijn er klassieke landschappen à la Claude Lorrain, voorzien van swastika, hamer en sikkel, en jodenster, van Ged Quinn.

En zo gaat het zaal na zaal door, elf in getal. Waarna de opmerkelijkste constatering is, dat het grootschalige overzicht van 29 kunstenaars van alles schreeuwt, maar nergens lawaai maakt. Er hangt een anti-burgelijkheidsgeur in de museumzalen, van wansmaak en tegendraadsheid, die toch uitgesproken salonfähig is, en dus vrijwel onschadelijk. Niet iets om je echt zorgen over te maken.

Dát de tentoonstelling een mislukking is, is op zichzelf jammer, maar niet dodelijk. Saatchi heeft gewoon, na het falen van zijn lancering van het ‘nieuw neurotische realisme’, opnieuw geprobeerd een kunstenaarsgeneratie naar de sterren te schieten, en zichzelf te tonen als de enige echte Britse kunstscout.

Toch zit er iets desperaats in zijn derde poging te laten zien dat hij het spel nog steeds kan spelen. Dat hij het is, en niemand anders, die het gezicht van de eigentijdse Britse kunst kan bepalen, notabene als zoon van een arme Iraanse textielfabrikant, een reclamejongen. Een buitenstaander.

Je vraagt je af waardoor hij wordt gedreven. Hij heeft Thatcher gelanceerd, net als Damien Hirst; hij is financieel binnen, inmiddels getrouwd met beauty cook Nigella Lawson. Maar op een of andere manier kan hij niet uitstaan dat hij nooit dezelfde erkenning heeft gekregen als zijn Britse collega’s uit het circuit.

Daarin lijkt Saatchi op die andere grootverdiener van Oosterse afkomst die lange tijd tot het Britse establishment probeerde te horen, de Egyptische miljardair Mohamed Al-Fayed. De vader van Dodi en bijna-schoonpapa van Diana, Princess of Wales, probeerde jarenlang de Britse nationaliteit te krijgen. Met zijn broer kocht hij in 1985 het prestigieuze en oer-Britse warenhuis Harrods en later Fulham Football Club – alles om zich te bewijzen. Tevergeefs.

Inmiddels woont Al-Fayed in Zwitserland, heeft hij zijn warenhuis verkocht en blijft hij nog steeds geloven dat het dodelijke ongeluk van Dodi en Diana in een Parijse tunnel twaalf jaar geleden het resultaat was van een samenzwering tussen de Britse geheime dienst MI5 en de echtgenoot van koningin Elisabeth II, omdat deze het niet kon verkroppen dat de ex van prins Charles van plan was zijn zoon te trouwen.

Zó diep zit het bij Saatchi allemaal niet. Hoewel ook hij, de niet geboren Brit, vanaf het begin van zijn carrière als kunstverzamelaar en mecenas frequent en luidruchtig aan de deur klopte om toegang te krijgen tot de gesloten Britse inner circle.

In 1985 presenteerde hij voor het eerst zijn verzameling in een oude verffabriek aan de Boundary Road in Noord-Londen, om vervolgens te verhuizen naar het prestigieuze oud-gemeentehuis aan de Theems, waar in de hal nog een gedenksteen te zien is, onthuld door Her Majesty The Queen Mother. Bovendien staat het gebouw op een steenworp afstand van Saatchi’s grootste concurrent, de Tate Modern van directeur Nicolas Serota, sorry, Sir Nicolas Serota, de ongekroonde koning van de Britse moderne kunst. De keuze voor de locatie was een mix van pure provocatie, rellerigheid, kinnesinne en frustratie.

Toen Saatchi, wegens huurachterstand, zich het classicistische optrekje aan het water niet langer kon veroorloven en hij door zijn Japanse landlord werd gesommeerd te verhuizen, viel zijn oog op een ruim zesduizend vierkante meter groot gebouw aan King’s Road, dat oogde zoals een klassiek museum eruit hoort te zien, met trappartijen, zuilen, een fronton, statige vleugels, grote lichte ruimten en een helder zalenparcours. Ook meegenomen: het onderkomen had ooit dienst gedaan als het voormalige hoofdkwartier van de Duke of York.

Saatchi is dol op dit soort verwijzingen. De selfmade man van oriëntaalse origine wil erbij horen, voor vol worden aangezien, zeker in zijn nieuwe domicilie, Engeland. Tekenend is dat het persbericht van Newspeak niet alleen informatie over de tentoonstelling geeft, maar ook een top 10 van best bezochte tentoonstellingen in Londen, over 2009, waaruit blijkt dat, jawel, de Saatchi Gallery op zowel de eerste als tweede plaats staat met The Revolution Continues (expositie van Chinese kunst) en Unveiled: New Art from the Middle East, en daarmee alle andere respectabele musea in Londen ver achter zich laat, zoals de Royal Academy, National Gallery, National Portrait Gallery en de Tate Modern van zijn tegenvoeter Serota.

Charles Saatchi zal het overzicht, zoals twee maanden geleden gepubliceerd in het al even respectabele en Britse The Arts Newspaper, met plezier hebben laten afdrukken. Kon hij weer een overwinning melden op het klassegevoelige, Britse establishment, waar hij een voet tussen de deur wil krijgen.

Charles Saatchi. Eens een reclameman, altijd een reclameman – het is misschien een lichtvaardig oordeel, maar het klopt wel. Ook nu bij Newspeak blijkt dat Saatchi zijn oog voor sterke iconen en imago, voor uitgesproken vormen en kleuren, voor wansmaak en kitsch niet heeft verloren. Precies die ingrediënten die destijds bij Sensation al onderdeel uitmaakten van de geboden kunstwerken. De haai op sterk water van Damien Hirst, de vieze toiletpotten van Sarah Lucas of de kindergezichten met penisneuzen en anusmonden van Jake en Dinos Chapman, ze hadden de impact van een geslaagde reclameslogan.

Tegelijkertijd bezaten de beelden een vunzigheid die in het nog altijd Victoriaanse Engeland van een maatschappelijk belang waren. Hirst en de zijnen hadden een gevoelig punt aangekaart, in het Thatcher-era, net als de Sex Pistols voor ze, of de Rolling Stones in de jaren zestig. Kunst als koevoet – in het Verenigd Koninkrijk heeft goede kunst altijd een maatschappelijke noodzaak om de vastgeroeste klassen- en standenhiërarchie open te breken.

Juist dat wordt nu node gemist. Ze willen misschien wel, de kunstenaars op Newspeak, maar het lukt ze niet, ondanks de overvloed aan schedels, bierpullen, Mickey Mousen, scherpe kleuren en controversiële materialen. Het merendeel van de expositie is gebaseerd op valse retoriek: het ziet er allemaal strijdbaar en tegendraads uit, hoewel je er maar niet achter komt waartegen die strijdbaarheid zich richt.

Het geeft maar weer eens aan hoe uniek de kunst in het Thatcher-tijdperk was, en hoe belangrijk de conservatieve periode, waarin Saatchi ook zelf groot kon worden. Geen subsidie, acultureel, zakelijk – voor de kunstenaars destijds was het de ideale voedingsbodem voor recalcitrante kunstuitingen. Die periode is inmiddels verleden tijd. Onder Gordon Brown en vooral zijn voorganger Tony Blair, alias Teflon Tony, liet zich niets vastbakken, laat staan aanbranden.

Arme Charles. Hij moet amechtig op zoek zijn geweest naar de opvolgers van Damien Hirst, Sarah Lucas en Tracey Emin. Hij vond ze niet. Wat de Young British Artists in 1997 te veel hadden, heeft de nieuwe generatie te weinig. De Britse kunst lijkt weer terug te zijn waar hij altijd al was: het Verenigd Koninkrijk is een middelmatig kunstenaarsland, hoewel de financiële omstandigheden perfect zijn, met rijke verzamelaars, een aantrekkelijke kunstbeurs, Frieze en een prachtige infrastructuur van musea en galeries. Er zijn alleen te weinig kunstenaars die van zich laten horen.

Wellicht is dat de inschattingsfout die Saatchi heeft gemaakt. Hij probeerde het kunstje nog een keer te flikken, maar de kunst waarnaar hij op zoek was, zíjn kunst, bestaat eenvoudig weg niet meer.

Hij had het kunnen weten. Liet hij al niet eens, in een van zijn spaarzame interviews weten: ‘Overzichtsboeken zullen over honderd jaar een even wreed beeld geven van de late 20ste eeuw als van alle andere eeuwen. Buiten Jackson Pollock, Andy Warhol, Donald Judd en Damien Hirst zal iedere andere kunstenaar een voetnoot zijn.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden