Saloncommunist werd rijk van de jazz

Impresario Norman Granz eiste dat blank en zwart gelijke toegang hadden tot zijn concerten. Dat kostte hem veel geld en goodwill in het zuiden van de Verenigde Staten.

De grootste impresario en platenproducer uit de jazzgeschiedenis was een rondlopend vat vol tegenstrijdigheden. 'Ik ben de enige die ooit echt geld heeft verdiend in de jazz', pochte Norman Granz graag. Tegelijkertijd nam hij voor zijn labels honderden albums op waarvan hij vooraf wist dat hij er nooit een cent aan zou verdienen - gewoon omdat hij het waardevolle muziek vond die hij wilde vastleggen.


Hij was niet bang om de muzikanten die hij engageerde stevig de waarheid te zeggen. Miles Davis liet hij bijvoorbeeld weten: 'I know you don't like me, but I don't like you either.' Een lucratief platencontract met Dave Brubeck ging niet door toen de pianist informeerde of Granz bij zijn opnamesessies aanwezig zou zijn. Nee, zei Granz. Waarom niet? vroeg Brubeck. 'Because I don't like your music.'


Daar tegenover stond de onbegrensde zorg en warmte waarmee Norman Granz veel van zijn musici omringde - niet alleen de wereldsterren Ella Fitzgerald en Oscar Peterson, maar ook vroegere helden in hun soms trieste nadagen, zoals Billie Holiday, Lester Young, Coleman Hawkins en Roy Eldridge.


Granz kon het zich permitteren, nadat hij in de grote jaren van de jazz zijn fortuin had gemaakt met zijn rondreizende concertcircus Jazz At The Philharmonic en zijn eerste platenlabels Clef, Norgran en Verve. Het belette hem ook niet om een kunstcollectie op te bouwen die in de miljoenen zou lopen: Klee, Léger, Juan Gris en vooral Picasso. En hij was kind aan huis bij de duurste kleermakers van Londen en de chicste Franse sterrenrestaurants uit de Michelingids.


Niet slecht voor de zoon van doodarme Russisch-joodse immigranten, geboren op 6 augustus 1918 in Los Angeles. Zijn vader had moeten vluchten na de mislukte Russische revolutie van 1905; zelf werd hij een tycoon in de internationale muziekbusiness. Maar toch liet hij zich in een vertrouwelijk gesprek met een naaste medewerkster van zijn Pablo-label eens ontvallen dat hij nog steeds communist was, al had hij dan zijn kortstondige lidmaatschap van de partij al in 1946 beëindigd.


Het is misschien wel de sleutel tot het raadsel Norman Granz: de geheime saloncommunist die het kapitalisme even kundig als veelzijdig wist te benutten. Hij had drie doelstellingen: in weelde leven, de jazz vooruit helpen en de Amerikaanse rassendiscriminatie bestrijden. In de biografie Norman Granz: The Man Who Used Jazz for Justice worden die drie facetten evenwaardig geboekstaafd. Tad Hershorn, verbonden aan het toonaangevende Institute of Jazz Studies in Newark, heeft er meer dan zestein jaar aan besteed, te beginnen met zijn masterscriptie uit 1996.


Pas nadat hij Granz een exemplaar daarvan had toegestuurd, kreeg Hershorn toegang tot zijn onderwerp. Dat was op zichzelf al verrassend, omdat Granz altijd had verklaard niets te voelen voor een (auto)biografie, en in het algemeen de pers vaak met korzeligheid bejegende. Maar hij was kennelijk positief getroffen door de nadruk die Hershorn legde op zijn strijd voor de burgerrechten. Nog ongewoner was dat de weduwe Grete Granz na de dood van haar man in november 2001 Hershorn inzage gaf in zijn zakelijke en privéarchief, inclusief een onvoltooid gebleven reeks persoonlijke notities, waarin Granz zowel zijn beginjaren als zijn vriendschap met Picasso beschrijft.


Toch pretendeert Tad Hershorn niet dat hij werkelijk tot Norman Granz is doorgedrongen: 'My years of tracking his story did not result in a significant bond between us that might have produced a more in-depth personal portrait'. Maar dat heeft de biograaf naar vermogen gecompenseerd door onvermoeibaar bronnenonderzoek en tientallen interviews met Granz-intimi zoals Oscar Peterson, Ray Brown, Benny Carter en zijn jeugdvriend en politieke inspirator Archie Green.


Het beeld dat Hershorn uiteindelijk schetst, blijft gekenmerkt door contradicties. Norman Granz wilde de jazz artistieke waardigheid geven door de muziek in de beroemdste concertzalen ter wereld te presenteren. Hij was ook degene die bedacht dat jazzmusici het podium voortaan in gedistingeerde smoking moesten betreden. Tegelijkertijd verliepen de Jazz At The Philharmonic-concerten doorgaans in de lawaaiigste circus-sfeer, waarbij muzikanten en publiek wedijverden in geëxalteerdheid.


Granz sprak daar zelf met ontspannen nuchterheid over, in het interview dat Simon Korteweg en ik hem in 1984 voor de Volkskrant afnamen: 'Ons publiek bestond in wezen uit jonge Italianen, jonge zwarten en jonge joden. Ik bedoel, het waren mensen die erg emotioneel wilden worden over muziek.'


Muzikant na muzikant getuigt in het boek dat Norman Granz zo ongeveer de enige eerlijke zakenman in de jazz-business was. Zijn geld was 'about as clean as it gets in show business' (lees: grotendeels vrij van maffia-controle). Dat hij tussen de bedrijven door zelf multimiljonair werd, terwijl zijn favoriete trompettist Roy Eldridge in de behoeftigste omstandigheden eindigde, was kennelijk een onvermijdelijk onderdeel van de verhouding werkgever-werknemer. Granz, concludeert Tad Hershorn, volvoerde een zeldzame koorddans-act: 'patron of the arts while being in the thick of commerce'.


Maar er was één gebied waarop Granz niet van compromissen of tegenspraak wilde horen. Vanaf 1946, in een Amerika dat ook buiten het Zuiden nog volop werd gekenmerkt door rassenscheiding, nam hij non-discriminatie-clausules op in al zijn tournee-contracten. Jazz At The Philharmonic-concerten moesten vrijelijk toegankelijk zijn voor blank en zwart. Zowel bij de kaartverkoop als bij de stoelenverdeling in de zaal was elk rassenonderscheid taboe.


In de jaren veertig en vijftig was dat zeker geen gratuit standpunt. Integendeel, het kostte Granz niet alleen serieus geld, het bracht hem soms ook persoonlijk in gevaar. Zoals in 1955 in Houston, Texas, toen de politie de kleedkamer van Ella Fitzgerald binnenviel om haar te arresteren op een verzonnen beschuldiging van gokken. Granz nam het krachtdadig voor haar op en werd prompt zelf met de dood bedreigd. 'Ik wist dat als hij op mij schoot, de complete politie zou verklaren dat ik me had verzet tegen arrestatie', stelde hij achteraf koeltjes vast.


Het ligt voor de hand om het engagement van Norman Granz terug te voeren op zijn armoedige jeugd in Los Angeles, die niet vrij was antisemitische ervaringen. Zelf wees hij die gedachte met zijn gebruikelijke aplomb van de hand. 'Ik geloof niet dat iets van wat ik doe kan worden toegeschreven aan mijn joods zijn. [...] En de enige overtuiging die de armoede bij mij heeft gewekt, is dat het beter is om geld te hebben dan om geen geld te hebben.'


Ik denk niet dat Tad Hershorn dit, na zestien jaar research, met Norman Granz eens is.


Tad Hershorn: Norman Granz - The Man Who Used Jazz for Justice.

University of California Press, Berkeley; 470 pagina's; ca € 35,-.


ISBN 978 0 520 26782 4.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden