SAINT JACQUES,

'Wegens omstandigheden gesloten' meldde boekwinkel Atheneum op het Spui in Amsterdam op een zonnige augustusdag. De volgende morgen stond in een van de etalages een portret, geflankeerd door brandende kaarsen, met de mededeling 'Jacques is dood'....

Jacques en ik', vertelt uitgever Jan Meng, die tot 1990 winkelchef was van het door wijlen Johan Polak geschapen boekenrijk aan het Spui, 'kwamen op dezelfde dag voor het eerst werken in Atheneum. Dat was 1 april 1969. Johan had ons op het hart gedrukt nette kleren aan te trekken, want anders konden de klanten weleens denken dat we een maoïstische cel waren. Ik kwam de eerste dag in een blauwe blazer die ik van een vriend had geleend en hij had ergens een trouwpak van groen velours vandaan. Hij moest een stropdas dragen, maar ik mocht van Johan geen stropdas dragen. Johan zei: ''Prins Jan mag dat, want die heeft een klein beetje borsthaar en dat staat zo leuk.'' Ik weet ook nog dat Jacques na een uur aan mij vroeg of ik katholiek was. In die tijd! In 1969 sprak men niet over deez'. Maar ik was absoluut gefascineerd door zijn kennis, de mijne stak daar schraal bij af. Hij wist alles.'

'Van een boek dat hij vijftien jaar geleden gelezen had', zegt winkelchef Herm Pol, 'wist hij nog de namen van de bijfiguren - "en dan gingen ze naar dat bos, daar had iemand op een schep gescheten", kon hij een verhaal van Tsjechov na vertellen, "en die stront was meteen weg en hij kijkt achterom en hij wordt gek!" Dan werd hij zelf ook helemaal lyrisch daarover. Het was een genot om naar hem te luisteren.'

'Jacques', vertelt vaste klant Friso Haverkamp, 'had altijd direct aandacht. Je werd gezien. Ik kom nu eigenlijk totaal onduidelijk de winkel in en vraag me af: kan ik daar nog wel heen? Ik lees mijn hele leven al veel en Jacques hoorde daar gewoon bij. Als hij nu binnenkwam zou ik hem vragen: leg me eens uit hoe die grote verdwijn-truc heeft gewerkt. Zo leeft hij dus nog. Hij is nog niet weg.'

Jacques werd in 1947 geboren in Rotterdam in, zoals hij het in een interview eens omschreef, 'een fijn en goed arbeidersmilieu'. Zijn vader was bouwvakker en zijn moeder was caissière bij Vroom & Dreesmann. Het gezin was rooms-katholiek. Aan een tante met belangstelling voor kunst en religie is het waarschijnlijk te danken dat hij na de lagere school naar het klein-seminarie Leeuwenhorst in Rotterdam ging. Wilde hij priester worden? Als kennissen van zijn ouders dat vroegen, zei hij: 'Nee, ik word kok.' Toch werd de Heilige Mis het meest geliefde onderdeel van het schoolprogramma, hij hielp de koster graag met het klaarleggen van wat nodig was voor het ritueel. Voor het maken van zijn huiswerk had hij minder belangstelling. Toen hij in de vierde klas zijn zoveelste onvoldoende voor Grieks kreeg, verliet hij het seminarie en moest hij, omdat zijn ouders er nooit voor hadden betaald, zijn boeken inleveren. Dat stak hem.

Op het seminarie had hij gemerkt dat hij anders was dan de anderen en hij verhuisde naar het mekka voor homo's. Hij werkte als loopjongen en winkelbediende bij een paar Amsterdamse boekhandels tot hij zijn bestemming vond in de winkel van Johan Polak, die toen zo'n beetje de paus was van de homobeweging. Zijn eerste Amsterdamse adres was in de Deurloostraat. Toen hij bij Atheneum kwam, bezorgde Polak hem een flatje boven de winkel, waaruit hij alleen nog een keer verhuisde om twee trappen hoger te gaan wonen. Daar werd het een komen en gaan van, zegt een vriend: 'Leeglopers, profiteurs en halve misdadigers. Het was een beetje de artistieke zelfkant waartoe hij zich aangetrokken voelde, daar zaten punkers en krakers bij en echte artistieke mensen met een carrière in het vooruitzicht.

Samen met zijn boekhandelcollega Arthur van Schendel begon Jacques een uitgeverijtje: De Koffie is Klaar. Hans Plomp werd een van hun auteurs met Moker in Mokum. Toen Van Schendel een andere baan kreeg, ging Jacques alleen door onder de naam Hagelwit. Hij liet een aanbiedingsprospectus drukken, met als grote nummer een ver taling van Das Buch vom Es van Georg Groddeck, een obscure Duitse schrijver. Diverse boekhandels namen het in bestelling, maar het laten vertalen van het dikke boek bleek voor Jacques een te grote investering. Wel verschenen dicht bundels als Bonte Flitsen van M.E.A. Zwieberg-Waller. 'Ik vind het leuk', vertelde Jacques in een interview, 'om zo'n proces van schrijven tot uitgeven helemaal mee te maken. Zo ontmoette ik via de zaak een vrouw van in de tachtig die gedichten schreef. Ze wou ze dolgraag uitgeven, het betekende heel veel voor haar. Dat heb ik toen gedaan: ik vond het te gek, zo'n oude vrouw die gedichten schrijft.'

In die tijd belandde hij op een feestje dat werd gegeven door iemand die hij kende van het seminarie en die in Amsterdam werkte in een 'project voor begeleid kamerwonen'. Zo ontmoette hij Dirk Pool: 'Ik was zo'n weggooikind, eruit gestuurd door mijn ouders. Ik was met poëzie bezig, tenminste, ik dacht dat ik kon dichten. Toen ik hoorde dat er een uitgever zou komen, was ik geïnteresseerd. Ik heb Jacques uitgenodigd om die poëzie te komen lezen. Maar dat stelde helemaal niks voor en Jacques was een beetje van zijn stuk dat ik daarmee durfde te komen. Maar op dat moment heb ik ook zijn hart gewonnen.'

Jacques en Dirk werden na verloop van tijd een vriendenstel en Dirk verkaste naar Huize Hagelwit: 'Een puinhoop vol met rommel, met boeken, kasten vol, uitpuilend, en daartussen stonden de pakken van de uitgeverij.' Jacques probeerde de bundels in Atheneum te verkopen, Dirk ging er andere boekhandels mee af, maar het uitgeve rijtje kwam niet van de grond.

Jacques hervatte intussen een oude liefhebberij en richtte in zijn flatje een oude buffetkast in als altaar. Dirk vond op een nachtelijke wandeling een Chinese reclamebak, daar zaagden ze wat vanaf en toen was het een altaarstuk. Ze kochten kelken en beelden, verzamelden kazuifels en andere priesterkledij. Jacques sleepte boeken aan met voorschriften over hoe alles geïnstalleerd moest worden en kon lyrisch vertellen hoe een bepaald kledingstuk gevouwen en gedragen moest worden. Op vrijdagavond droeg hij een mis op. 'Dan', vertelt een vriend, 'maakte het zootje dat daar over de vloer kwam en van god noch gebod gehoord had, daar dan toch kennis mee. Ik ergerde me dood als er weer eentje ging schreeuwen en de boel versjteerde. Maar hij ging gewoon door, de mensen waren allemaal welkom. Er was veel improvisatie bij, maar hij deed het heel goed, met een preekje erbij. Soms totaal krankzinnig, want als hij flink stoned was kon hij woordconstructies maken, werkelijk grandioos.'

De missen werden ook bijgewoond door een stel katten, die allemaal een naam hadden: Hondje, Muis... Als de kattenbak verschoond moest worden, zette Jacques een verse bak op de vieze en dat werd op den duur een bouwwerk van een meter hoog. De vloer was ingevreten door kattenpis en er viel poep tussen de kieren van de planken. Toen onder die plek in de winkel een keer een lamp werd gerepareerd, maakte een vliegenzwerm zich meester van Atheneum. Een schoonmaakploeg verdreef Jacques voor een paar weken uit zijn huis en de vervuilde meubels werden vervangen.

'We hebben', vertelt Jan Meng, 'een nieuw bed voor hem gekocht en verder had iedereen wel wat, een bankje of wat dan ook.' Jacques beloofde beterschap, deed een paar katten weg en hernam zijn oude leven. Als hij bezoek verwachtte werd er weleens wat opgeruimd. 'Maar', zegt Dirk, 'dan moest je niet een tapijt optillen of in kastjes gaan kijken. Zo ging dat altijd bij Jacques, dat was zijn leven. De troep achter deuren en de boeken op tafel, daarnaast de rookwaar en de wijn, beetje blowen en drinken en dan begon hij aan de stapel boeken die hij die dag mee naar boven had genomen.

In de winkel was hij elke dag om negen uur present. Nooit ziek, nooit chagrijnig, altijd zin. Maar niet in opruimen. Jan Meng: 'Je kon hem moeilijk vragen: ruim die stapel boeken even op. Dat ging gewoon niet, daar was dat hoofd niet voor geschikt. Dat is weleens moeilijk als je met een team werkt. Maar ik heb altijd gezegd: jongens, in de boekhandel heb je opruimers en rommelmakers, sommige mensen kunnen beter opruimen dan rommel maken en rommelmakers hebben weer andere fantastische eigenschappen. Ik heb er altijd een erezaak van gemaakt om Jacques die bescherming te bieden en later heeft Herm dat ook gedaan.'

Jacques zorgde voor omzet. Het tweeduizendste exemplaar van een bestseller verkocht hij zonder daar een woord aan vuil te maken, dat moesten die klanten zelf maar weten, maar als het dan ook nog een boek was dat hem niet beviel, broeide in hem de opstand. In de tijd van De schaamte voorbij van Anja Meulenbelt zei hij soms tegen zo'n mevrouw in een paars tuinpak: 'O, u gaat dat lezen? Zal ik even wat voorlezen? ''Help, ik lek.'' Vindt u dat goed? Vindt u dat literair verantwoord?'

Hij hield ook niet van Renate Rubinstein en toen alom bekend was dat ze aan multipele sclerose leed zei hij een keer tegen iemand: 'Renate Rubinstein is net zo ziek als ze schrijft.' Daar stond een kennis van de schrijfster bij en even later was ze aan de telefoon. Jan Meng moest het, met een paar leugentjes om bestwil, goedpraten en las vervolgens in haar column: 'Meng zelf kwam aan de telefoon.' Jacques beloonde Jan door hem voor zijn dertigste verjaardag een bundel van Kavafis te geven, met de opdracht: 'Lieve Jan, ik heb je wel 'ns een half uur gezien waarin hetzelfde gold als op blz. 52.' Op die bladzij stond een platonisch liefdesgedicht.

Veel klanten vonden het prettig dat Jacques zijn mening niet voor zich hield en hij stelde het ook op prijs als je na lezing van een door hem aan- of afgeraden boek de jouwe gaf. Als je een boek wilde dat niet meer te koop was en hij bezat het zelf, dan kon het gebeuren dat hij dat voor je van boven haalde. Iemand die graag een nieuw boek wilde en het niet kon betalen, kreeg het soms van hem. Wat hij uit de winkel weggaf zette hij op zijn eigen boekenrekening, die kon oplopen tot een bedrag van drie maal zijn maandsalaris.

De winkel kon ook meegenieten als Jacques, die thuis geen telefoon had, met zijn familie telefoneerde en een Rotterdams accent opzette: 'Hé, Marjet, met Sjaak... Rustig maar, het komt allemaal goed en komend weekend ben ik er.' Dan had hij zijn zusje aan de lijn, die vaak getroost moest worden en ten slotte zelfmoord pleegde. Ze liet een dochtertje achter, wier vader spoorloos scheen te zijn. Jacques wilde de kleine Jessica in huis nemen, wat niemand een goed idee vond, maar in de deur van zijn badkamer hing hij een schommel op en in de weekends trok hij veel met haar op en Jacques werd voor Jessica een leuke oom: 'We maakten grote wandelingen en dan sliep ik altijd op zijn schouder.'

Die warmte had hij voor iedereen die het moeilijk had, in de dalles zat of door het lint ging. Jan Meng: 'Toen ik in moeilijkheden kwam met mijn scheiding, was hij er gewoon. Dan was hij dat oor. Hij zei nooit iets om je te helpen, maar juist daardoor hielp hij je ontzettend. Door gewoon allerlei anekdotes te vertellen en om mee te lachen. Ik denk ook dat dat gewerkt heeft bij een heleboel mensen met wie hij omging, dat hij dus juist niet bezig was om ze op het rechte pad te brengen. Hij belde me op en zei: ''Zullen we gaan eten? Maar dan moet jij wel betalen".'

Dirk: 'Er is een hoop leed in de wereld en Jacques kon zich dat erg aantrekken. Zie jij voor de rest engelen uit de hemel komen om wie dan ook te redden? Dat was Jacques. Af en toe kwam hij vanuit zijn hemeltje naar beneden, liep er weer een verweesd iemand over straat, jongens die wat verloren in de wereld stonden nam hij mee en verzorgde hij. Altijd dacht hij dat hij ze kon helpen door ze de boel te laten opruimen of boodschappen te laten halen. Vaak heeft hij daarvoor moeten boeten met een geplunderde broekzak en kapot huisraad.' Herm Pol: 'Dan kwam hij in de winkel naar me toe met een brillenpoot in de ene hand en twee derde bril in de andere. Dan moest ik dat repareren.'

Dirk nam in 1984 afscheid van dat bestaan. 'Er hebben een hoop jongens bij Jacques gewoond en gelogeerd, en dat ging weleens zover dat de luiken gesloten werden en dat ik dan dagenlang in een soort duisternis leefde omdat we een illegaaltje hadden. Niet in de zin van een buitenlandse illegaal, maar iemand die gezocht werd. Daar kon ik niet meer tegen en toen heb ik er een punt achter gezet. Maar ik kwam altijd nog wel terug om de katten te verzorgen, nog wat op te ruimen, toch nog wel vier zakken wasgoed naar de wasserij te brengen die allemaal vol zaten met overhemden, want Jacques moest toch ook een beetje gekleed de winkel in kunnen komen. Maar die zorg is minder geworden. Op een gegeven moment kreeg ik een vriendin, dat werd dan mijn vrouw en we kregen een kind, en Jacques kreeg steeds problematischer jongeren over de vloer.'

Op donderdag 10 augustus 2000 verliet Jacques om zes uur voor het laatst de boekwinkel. Hij haalde een maaltijd bij de traiteur in de Heisteeg en kocht wat te roken bij De 2e Kamer, waar hij voor het laatst is gezien. De volgende dag had hij vrij genomen om naar Rotterdam te gaan en zijn moeder te bezoeken. Toen hij op zaterdag niet in de winkel verscheen, dachten zijn collega's dat hij misschien bij zijn zieke moeder was gebleven, al was het vreemd dat hij daar niet even over belde.

Op maandag klopten ze bij hem aan en toen het stil bleef werd de politie erbij gehaald. Jacques lag, met een op 10 augustus opengeslagen missaal, dood tussen zijn altaar en zijn bed. Vermoedelijk gestorven aan een hartstilstand. Jan Meng stond erbij toen de lijkschouwer de puinhoop bezag, met lege wijnflessen en een tafel vol afgebroken sigaretten en wiet, en zei: 'Ja, meneer, logisch hè, iemand die niet voor zichzelf kan zorgen.' Meng voelde woede opkomen en zei: 'Mag ik u wel zeggen dat deze man 31 jaar een van de beste boekverkopers van Nederland is geweest en dat hij nooit één dag niet op zijn werk is verschenen!'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden