Sail: Met de Sørlandet van Antwerpen naar Aalborg

‘Hal ned store stengestagseil’, brult de kapitein, die wijdbeens op het dak van zijn kaarthuis staat. Het weer is plotseling omgeslagen op de Noordzee. Zeilen beginnen te klapperen, het schip begint te hellen, en dikke regendruppels kletteren op het dek. Geen tijd om een regenpak te halen. Matrozen hollen naar de pennebanken waar tientallen touwen samenkomen en roepen om hulp. ‘Hé jij, kun je dat stagzeil even vastzetten?’, vraagt de bootsman, die omhoog wijst langs de middelste mast.

Ik klim in het want, het ladderachtige kabelwerk dat omhoog voert. ‘Nee joh, altijd klimmen met de wind in je rug’, waarschuwt een jongen die aan de overkant van het dek omhoog klimt.’ Ik volg hem. De lucht wordt zwart, regen stroomt diagonaal over mijn gezicht, en het schip begint nog verder te hellen – klimmen wordt kruipen –, donder en bliksem lichten het schip beneden op. Dan denk je: best wel heftig, een weekje zeilen als trainee.

Die heftigheid zou je niet verwachten als je de Noorse driemaster in de haven ziet liggen. De Sørlandet is een elegante oude dame. De gouden krullen op haar sneeuwwitte boeg, het glimmende houtwerk, de nostalgische luchthappers en huizenhoge masten trekken overal ter wereld drommen bewonderaars. Van boegspriet tot de hoge kont, van de bronzen bel tot het kleinste Jacobsladdertje boven in de mast: de Sørlandet straalt maritieme romantiek uit.

Het schip is ook een snelle dame. Als ze niet is opgedirkt met vlaggen en lichtjes op evenementen als L’Armada Rouen, de Kieler Woche of, zoals volgende week, Sail Amsterdam, scheurt ze over zeeën en oceanen met de rest van de Tall Ships-vloot. ‘We gaan racen, en ik verwacht het uiterste van iedereen’, zegt kapitein Ivar Mortensen op de avond voor vertrek. Hij ziet er indrukwekkend uit, met zijn grijze baard, brede borst en gouden strepen op zijn schouders.

‘De weersverwachting is perfect’, vindt hij. ‘Wind, zuid-zuidwest, 12 tot 15 meter per seconde, dus de handrem kan eraf.’ De kapitein wijst losjes naar een goot langs de reling met spuigaten: ‘Als jullie moeten kotsen, doe je het maar daar. Maar niet op mijn dek. Iedereen werkt gewoon door. We gaan zeilen met dit schip alsof we het gestolen hebben!’

Zijn woorden blijven nog lang hangen in de verblijfsruimte onder het hoofddek. De 57 trainees die zich hebben ingeschreven voor een zeiltocht van Antwerpen naar Aalborg, vragen zich af wat hun te wachten staat. 15 meter per seconde, dat is toch windkracht 7? Ga jij wel of geen pilletje tegen zeeziekte slikken? Want wie dat doet, is ons verteld, mag niet meer de mast in. De bootsman, een grote, bebaarde viking met een gouden ring in zijn oor, geeft tips: kruip op tijd in je kooi, eet niet te veel en niet te weinig, zorg dat je warm blijft, en hou de horizon in de gaten.’ Zijn beste advies: ‘Denk er gewoon niet aan’. Veel trainees kijken onzeker naar de schnitzel op hun bord.

Liggend in onze kooien kunnen we de slaap niet vatten. Je luistert naar de voetstap van de nachtwacht op het dek, en mogelijke commando’s spoken door je hoofd. Bras de zeilen van de kruistop, vier de geien en de gordingen, hijs de voorbovenmars, haal de bagijnschoot en trek aan de val van het kruisbovenbramstagzeil. In een boekje dat je hebt gekregen, staan tekeningen van alle lijnen die op het dek samenkomen. Ik tel er 198 en vraag me af of ik ooit een scheepsjongen van Bontekoe zou kunnen worden.

Op het appèl, de volgende ochtend, worden de teugels aangehaald. ‘Hé jij! Niet leunen tegen de reling. En jij, niet meer te laat komen.’ Twee lichtmatrozen, stoere blonde meiden uit Scandinavië, geven verdere instructie. Controleer eerst de spanning voordat je een touw losmaakt, grijp alleen naar verticale kabels bij het klimmen, trek eerst je duim in voordat je een lijn belegt. Keer op keer worden mogelijke bevelen geoefend: ‘Klar store stump! Heis mersefall!‘ En dan draaf je naar de middenmast of juist naar dat eenzame touw daar in de hoek. Of was het andersom? Het trekken gaat zwaar, en na een paar uur zijn je handen rood en rauw.

De Sørlandet blijkt ook een veeleisende oude dame.

Race


Vlak voor de startlijn, voor de kust van Oostende, verschijnen de andere brikken, barken en brigantijnen die het geregeld tegen elkaar opnemen. Daar is de Alexander von Humboldt met z’n vreemde groene zeilen, de viermaster Mir uit Rusland, die 19 knopen haalt, de Wylde Swan uit Nederland, die voor het eerst meedoet, en aartsvijand Christian Radich uit Noorwegen, die nu al aan het dringen is voor de beste positie hoog aan de wind. Al met al doen er zo’n zestig klassieke zeilschepen mee aan de Tall Ships-race, die eindigt in Amsterdam.

We worden opgedeeld in drie ploegen. Vier uur op en acht uur af in continudienst. Dus niet schreeuwen, zingen of stampen aan dek, want er liggen altijd bemanningsleden in hun kooi. Meer dan de helft is trainee en tussen de 15 en 25 jaar. Dat is een voorwaarde die het organiserende Sail Training International stelt. Leer zeilen en leer andere culturen kennen, is de slogan. De ruim honderd Tall Ships die nog rondvaren, zijn doorgaans van stichtingen die hun geld verdienen met betalende trainees, vip-party’s en deelname aan havenevenementen – de grootste viermasters krijgen meer dan 100 duizend euro om zich enkele dagen te vertonen.

Zo kan het dus gebeuren dat je samen op een ra balanceert met een 15-jarige scholier uit Kristiansand, een 62-jarige taxichauffeur uit Hamburg en een 18-jarige hordeloopster uit Toulon. De meeste Scandinavische jongeren hebben de reis grotendeels vergoed gekregen door een Kamer van Koophandel of een groot bedrijf dat het werken in de nautische sector wil stimuleren.

De Franse jongeren aan boord danken hun plek aan de burgemeester van Toulon, die de maritieme traditie van zijn stad nieuw leven wil inblazen. Een uitzondering vormt de 70-jarige David, die naar eigen zeggen een busman’s holiday ondergaat. Hij vlecht touwen en kabels aan boord, een ambacht waarmee hij ook thuis in Cornwall zijn geld verdient. De oude baas klimt ook graag de 35 meter hoge mast in om een vaandel te ontwarren.

Die nacht rollen we steeds wilder van links naar rechts in onze kooien. Door de patrijspoort zie ik schuimende golven onder een opkomende zon. En dan verdwijnt het raampje onder water. Een vrolijke bellenbaan glijdt langs het glas. Het zeilschip hangt ongelooflijk scheef. Op weg naar de wc moet ik één voet op het dek zetten en de ander tegen een wand. De 64 meter lange driemaster wordt van achteren hoog opgetild door de golven, rolt daarna van links naar rechts, tot de boegspriet weer stijgt. Tussen de kooien gaan bemanningsleden onderuit met volle ontbijtborden. Koppen thee vliegen door de ruimte. We kijken wat angstig naar de patrijspoorten, die op draaiende wasmachines lijken.

Aan dek staat de ochtendploeg tot de enkels in de touwen. Matrozen in oliepakken schreeuwen bevelen in het Noors. ‘Kom opp!’ ‘Hale!’ ‘Stå!’ Kapitein Ivar staat grijnzend op de brug. ‘Yeah! Dit is zeilen’, zegt hij. De windmeter meldt 22 meter per seconde, golven van vijf meter slaan af en toe over het dek. Een matroos wordt geraakt en glijdt als een zeehond van de ene naar de andere reling. Zelfs de koffiemok van de kapitein – op het campagnedek – verdwijnt door een spuigat. De Sørlandet zeilt met 13,5 knopen noordwaarts, niet slecht voor een varend monument uit 1927.

Voor de 16-koppige bemanning is de wedstrijd een welkome afwisseling. De officieren verdringen zich rond het navigatiescherm om hun positie te vergelijken met die van de rest. Met verrekijkers en schijnwerpers speuren ze de masten af, op zoek naar het kleinste hoekje zeil dat wellicht iets meer wind zou kunnen pakken. Aan dek wordt pijnlijk duidelijk waarom de zeilende vrachtvaarders zo snel en gretig zijn ingeruild voor stoomschepen. Het trimmen van de 27 zeildoeken en het verdraaien van de 15 ra’s vergen per keer een gezamenlijke inspanning van tientallen bemanningsleden. Soms sta je minutenlang na te hijgen met een strak gespannen lijn in je hand, om daarna toch weer de boel te moeten laten vieren. Bootsman Jo Leif: ‘Ja jongens, zeilen is experimenteren.’

Uitdaging


De 52-jarige Ivar begon als 15-jarige leerlingmatroos op de Sørlandet. Later werd hij kapitein en voer hij met tankers op en neer langs de Noorse kust. ‘Ik had daar op een gegeven moment genoeg van. Ik wilde terug naar de wal of weer gaan zeilen.’ In 2005 keerde hij terug op de brug van het oudste nog varende volschip. Met als uitdaging, zegt hij, om een van de mooiste schepen ter wereld in de vaart te houden. Vol afschuw vertelt hij hoe befaamde schoeners en clippers zijn geëindigd als museum of restaurant.

Om de kosten te drukken werkt de Sørlandet met trainees. Die hebben er 100 euro per dag voor over om te mogen trekken en sleuren aan dek. Ja, het is vroeg opstaan en hard werken, zegt taxichauffeur Gerhard. ‘Maar als ik alleen op de boegspriet zit bij zonsopgang, dan vergeet ik al mijn zorgen.’ Op een kist met reddingvesten tuurt de 17-jarige Sofie naar de horizon. Zij won de reis na een oproep van het Havencentrum in Antwerpen. ‘Ik kijk graag documentaires over vissers in extreem weer. Ik hou van storm, maar met zeeziekte had ik even geen rekening gehouden.’

Ivar: ‘Het zou beter zijn als ze langer dan een week bleven. Nu moeten we de simpelste dingen steeds opnieuw uitleggen.’ Eerste stuurman Valerie Salis, een 29-jarige Oostenrijkse die haar papieren haalde in Enkhuizen, vult aan: ‘Liever een trainingsschip dan een reclamezuil.’ De Alexander von Humboldt bijvoorbeeld voert groene zeilen om een biermerk te plezieren.

De bootsman legt geduldig uit hoe een stuurman koers houdt. De Sørlandet blijkt dan ook een koppige oude dame. ‘Je moet haar strak houden. Iedere spaak op het stuurwiel is 1 graad roeruitslag. Voel je dat ze met de neus in de wind wil? Niet accepteren! Ga een paar graden boven de koers zitten en geef haar slechts af en toe een beetje ruimte.’ Makkelijker gezegd dan gedaan, als golven de achterkant van het schip wegduwen en het 500 ton zware vaartuig reduceren tot een surfplank. ‘Geef weerwerk als haar kont omhoog gaat, geef wat mee als haar boeg stijgt. Steady... zero-three-five steady as she goes.’

In het Skagerrak, ten noorden van Jutland, komt de finishlijn in zicht. De trainees die dienst hebben, wisselen elkaar af als roerganger, brandwacht, uitkijk, deckhand of helpen de banjer-sergeant onderdeks met het eten of het afruimen van de tafels. De sergeant blijkt een jonge Deen die zomers matroos is en ’s winters ski-instructeur in de Alpen. ‘Het valt niet mee de zorgeloze jeugd van tegenwoordig zo ver te krijgen dat ze hun zooi opruimen en op tijd op appèl staan’, zegt hij. Een weekje discipline en teamwork is volgens hem een nuttige ervaring voor veel trainees.

Slappe zeilen


De kennismaking met andere culturen verloopt wat moeizaam aan boord. ‘Ze zijn nogal koud tegen ons’, klaagt een Franse jongen over zijn Scandinavische teamgenoten ‘Ze spreken niet eens fatsoenlijk Engels’, schampert een Noorse tiener. Dus wordt er apart gepokerd en gekletst. Als er een zeil moet worden gehesen, hangen de Scandinaviërs al in de touwen voordat het bevel is vertaald voor de Fransen. ‘Ons Engels is inderdaad niet best’, erkent de 19-jarige Rafaël. Hij spreekt het wel aardig, dankzij twee jaar verkering met een Brits meisje. Hordeloopster Eva is boos op haar regering. ‘We krijgen slechts twee uur Engels per week op school, maar wel drie uur Italiaans. Waar slaat dat op?!’

En dan gaat de wind liggen. De tweede officier had het al min of meer voorspeld toen hij tijdens een meteorologieklasje naar een lagedrukgebied in het westen wees. Tien mijl voor de finish hangen alle zeilen slap. De Sørlandet dreigt achterwaarts te gaan, en de ankers worden al in gereedheid gebracht. We verleggen de koers, brassen de zeilen, reven het grootzeil, brassen de zeilen weer terug. De officieren op de brug speuren naar het kleinste zuchtje wind. Voor de bemanning is windstilte vermoeiender dan storm. In het donker kruipt het schip over de finishlijn.

De kapitein geeft zijn officieren een dikke knuffel. Joelende matrozen delen highfives uit. Zij zijn zichtbaar blij met de derde plaats. De trainees rollen doodmoe in hun kooi. De volgende ochtend krijgen we een emmer met zeepsop in de handen gedrukt, of koperpoets, want, zegt een matroos, daar zijn jullie tijdens de wedstrijd niet aan toegekomen. Als het dek weer blinkt en alle 198 lijnen identiek aan de pennebanken hangen, krijgen we een compliment van de bootsman. Die avond zingt Jo Leif zeemansliederen op het hoofddek. Eeuwenoude shanty’s die het trekken aan de touwen moeten verlichten.

‘Paddy, lay back,

Take in yer slack!

Take a turn around the capstan,

Heave a pawl!’

Iedereen begrijpt instinctief wat die vreemde woorden betekenen. We voelen het in onze schouders en in onze rug. De Noren, Fransen, Denen, Britten, Duitsers en een verdwaalde Griek zingen gebroederlijk samen tot ver na zonsondergang.

Dan blijkt de Sørlandet toch nog een lieve oude dame.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden