Sabar, tama, synthesizer

Afrikaanse pop is gevormd door kolonialisme en slavernij. Dat was vooral duidelijk in de eerste bloeiperiode, van de jaren zestig tot en met tachtig, toen de voortdurende wisselwerking tussen het continent, het westen en de gebieden waar de slaven hun cultuur hadden uitgezaaid de grondslag legde voor onafhankelijke muziek, van...

Als op een veerboot hebben Afrikaanse ritmes lange tijd heen en weer gependeld tussen de bron en de landen waar de uitvinders naartoe waren verscheept. Op Cuba werden ze vermengd met Spaanse elementen, de resulterende son keerde terug naar Mali, Senegal en Guinée, en werd daar populaire dansmuziek. Toen die naties zich losmaakten van Frankrijk, ontstonden er op last van hun staatshoofden allerlei orkesten die de hernieuwde zelfstandigheid kracht bijzetten door het eigen karakter van de muziek te benadrukken.

In Guinée gebeurde dat vooral door Bembeya Jazz National, opgericht in 1961. Voor hen geldt wat alle Afrikaanse bands kenmerkt die de Latijns-Amerikaanse genres hebben verwerkt. De aanstekelijke maar eenduidige clavé-patronen, combinaties van even en oneven maatsoorten, werden verrijkt door talloze tegenritmes, onder invloed van lokale percussiestijlen en de accenten van de taal. De groove werd steeds meer impliciet en omspeeld, de muziek kreeg vleugels.

Bembeya Jazz viel in 1987 uiteen maar is nu weer terug, nog altijd geleid door meestergitarist Sekou Diabaté. De nieuwe cd Bembeya is een feest van polyritmische figuren met een krankzinnige complexiteit, die veel verder gaat dan wat salsa te bieden heeft, en toch de luisteraar een blos naar de kaken jaagt.

Senegals beroemdste overgangsband, Orchestra Baobab, is na vijftien jaar ook weer actief. Specialist In All Styles haalt de banden met Cuba aan door middel van een duet met Ibrahim Ferrer, maar onderstreept in hetzelfde nummer de nationale identiteit door ook Youssou N'Dour te inviteren. N'Dour vertegenwoordigt de volgende fase in de autochtone muziek, de mbalax. Latin-instrumenten als de timbales zijn vervangen door de zwaarder klinkende sabar-trommels en de tama's, de 'talking drums' die staccato roffelend dialogen aangaan met de vocalist.

En N'Dour zong en zingt als een engel, dat staat buiten kijf. Opnamen van Etoile de Dakar, waarin hij slechts een van de leden was, en zijn eigen afsplitsing, Super Etoile de Dakar, te horen op een Rough Guide-compilatie en een re-issue van oude cassettes, bevatten mbalax in zijn puurste vorm: zinderende intensiteit, zang die uit de tenen komt, extatisch op en neer kringelende arabesken. Maar Youssou wilde meer.

Authenticiteit in wereldmuziek is altijd een moeilijk punt. In etnomusicologische zin is Afrikaanse pop nooit 'zuiver', want altijd een mengvorm. Gelukkig maar. Wat artistieke authenticiteit betreft kun je echter vragen stellen bij sommige keuzes die N'Dour heeft gemaakt: de synthesizers die sabar en tama naar de achtergrond drukten, de zoetige knievallen voor de westerse smaak en de glossy productie (die er overigens wel bewerkstelligde dat alle nuances van de hemelse stem perfect te horen waren).

Op zijn nieuwste cd, Coono du Réér, grijpt N'Dour gelukkig grotendeels terug naar zijn wortels. Kora, balafon en andere traditionele instrumenten bepalen het geluidsbeeld, de trommels ratelen als vanouds, de uit de taalmelodie van het Wolof voortkomende liedjes worden op zijn Arabisch versierd, en meezingers staan er nauwelijks op.

De koning van de Congolese rumba, gitarist-zanger Franco, trok zich weinig aan van wat het westen verwachtte. Op de aan hem gewijde Rough Guide horen we een ontwikkeling van opnieuw charmante maar vrij tuttige Latin-deuntjes uit 1956 naar breed uitwaaierende improvisaties over dubbelzinnige maar kolkende ritmes, en bevlogen vraag- en antwoordzang in het welluidende Lingala. Toen hij zijn stiel eenmaal had gevonden, hield de grote man er tot zijn dood in 1989 aan vast - in 1969, toen James Brown enorm populair was, werd hij door Franco meedogenloos geparodieerd.

Hoe gevaarlijk crossovers kunnen zijn, daarvan kan King Sunny Adé meepraten. De Nigeriaan werd in 1982 door Island naar voren geschoven als de nieuwe superster uit de Derde Wereld, na Bob Marley. Voor vele westerlingen was Juju Music de eerste kennismaking met Afrikaanse klanken. Weer talking drums, maar nu ingebed in zacht kabbelende en hypnotiserende gitaarvlechtwerkjes, de ondergrond voor Adé's lieflijke stem.

Het verwachte succes bleef echter uit, ook toen er op de derde lp Aura werd geprobeerd de muziek te 'kolonialiseren': kortere songs, meer keyboards en een gastoptreden van Stevie Wonder. Adé viel tussen wal en schip, hij klonk te Afrikaans en niet Afrikaans genoeg.

Platenmaatschappij Island verbrak het contract, zijn orkest liet hem in de steek. Hoeveel moois die drie eerste platen niettemin bevatten wordt nu bevestigd door een uitstekende verzamelaar, King Of Juju. Sunny trok zich terug in Nigeria en doet sindsdien weer wat hij altijd al deed.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden