's Werelds dikste bundel middeleeuwse poëzie

Het begon, eind 1979, met De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten. Piet Grijs plakte, als ik me goed herinner, uit louter enthousiasme alle wanden van zijn huis vol met de 2619 bladzijden, waaruit deze aangenaam slappe pocket bestond....

Wekenlang woedde er een felle twist over de kwaliteiten van de bundel, die door sommigen een 'parodie' werd genoemd, door anderen een 'provocatie'. J. Bernlef sprak van een polemiek. T. van Deel vond de handzame dikkerd 'een wonder van smaak'.

Maar toen de storm ten slotte na maanden ging liggen, zag de man, die al deze wind gezaaid had, Gerrit Komrij, dat het goed was. De bundel werd niet uit de handel genomen, zoals de Vijftigers hadden geeist. Herdruk op herdruk volgde en met de moderne verguizing van het 'vormvaste' gedicht was het dankzij de éénmansactie van Gerrit Komrij vanaf 1980 definitief afgelopen. Dàt was misschien nog het meest opmerkelijke wapenfeit.

In dit veranderde klimaat was het mogelijk ongestoord ook andere traditionele verzen uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis boven water te halen en dat gebeurde in de tweede, zeer dikke pocket, die in 1986 verscheen: De Nederlandse poëzie van de 17de en 18de eeuw in 1000 en enige gedichten. Ook die bundel (met zijn 1376 bladzijden) werd goed verkocht en dat maakte de weg vrij voor een derde deel in de reeks: De Nederlandse poëzie van de 12de tot en met de 16de eeuw in 1000 en enige bladzijden (1263 om precies te zijn), waarmee Gerrit Komrij zijn eigenzinnige inventarisatie van de Nederlandse poëzie voltooide. Morgenavond zal de bundel in het Catharijneconvent te Utrecht door de mediëvist Frits van Oostrom aan de samensteller worden aangeboden.

Omdat - op de Volksboeken en nog het een en ander na - alle Middelnederlandse literatuur poëzie is, zal de keus Komrij ditmaal niet licht gevallen zijn. In zijn voorwoord spreekt hij dan ook zijn erkentelijkheid uit aan het adres van de neerlandici die hem geholpen hebben, vooral Nina van Rossem. Zij maakte een eerste selectie uit het enorme aanbod. Met 'enige trots' constateert Komrij dat hij met deze bundel, precies vijftien jaar na de eerste, zijn werk heeft kunnen afsluiten met waarschijnlijk de grootste bloemlezing uit de middeleeuwse poëzie die ooit ter wereld verscheen. Waarschijnlijk, zegt hij, want hij kent de Oekraïense literatuur niet.

In ieder geval is het de grootste verzameling middelnederlandse poëzie die Nederlandse lezers, zelfs de neerlandici onder hen, ooit onder ogen zullen krijgen, want veel werd bijeengelezen uit zelden nog geopende folianten. Dat is ook een klacht van Komrij. Er zijn nog maar heel weinig edities van middeleeuwse teksten voor de 'gewone lezer' beschikbaar. En dat is vreemd, omdat er al jaren gesproken wordt over een 'revival' van de Middeleeuwen. Als de muziek en de beeldende kunst worden herontdekt, waarom, zo vraagt Komrij zich af, gebeurt dat dan niet met de literatuur?

'Het beeld van de ''donkere'' middeleeuwen is al lang afgeschaft', schrijft hij. 'Maar er is ook meer aan de hand dan vroomheid enerzijds, uitbundigheid anderzijds, met Heer Halewein er zo ongeveer tussenin. Talrijke studies hebben het sociale en politieke leven van die tijd uitgediept, met een grote aandacht voor aspecten van sociologische en economische aard. De wereld van het kloosterleven en de stadscultuur - van zondenspiegel tot spotsermoen - werd voor ons opgeroepen. Mystici, vagebonden, ondergangsprofeten, monniken en nonnen, ridders en marktkooplieden trokken voorbij en houden niet op ons te verbazen. De wereld van de criminaliteit en de prostitutie, de syfilis en de pest, de vrouwenheerschappij en de misogynie, ze wordt nog altijd voor ons ontvouwd. Al die aspecten komen in deze bloemlezing aan bod, in teksten met meer dan lyrisch en poëticaal belang.'

Maar Komrij zou Komrij niet zijn, als-ie niet toch nog een kleine prikkel zou hebben uitgedeeld, zijn pleidooi voor eerherstel van de Rederijkers. De Rederijkers? Die knutselende rijmelaars, waarover zoveel leraren Nederlands hun leerlingen met afschuw hebben onderricht? Ja die! 'Ik droom', schrijft Komrij, 'van een CD-ROM met alle rederijkersteksten.'

Hij droomde óók van perfecte proza-vertalingen van alle opgenomen gedichten - want de taal is natuurlijk, hoe je het ook wendt of keert, een moeilijkheid - en dìe droom werd bij het werken aan deze bundel verwezenlijkt. Aan de voet van elke bladzij vindt de lezer een heldere vertaling, gemaakt door deskundige mediëvisten, van de poëzie die erboven staat. En ook dat maakt deze kolossale pocket tot een uiterst waardevol bezit (Bert Bakker, tot 1 januari ¿ 29,90, daarna ¿ 40,-. Gebonden ¿ 55,-)

Een heel ander soort poëzie werd door Rudolf van Zantwijk verzameld in Zegevierend met de zon. Van Zantwijk is bijzonder hoogleraar antropologie en ethno-historie van de Indiaanse volken van Latijns-Amerika in Utrecht en kenner van het Nahuatl (spreek uit: Nawatl), de taal van de Azteken. Hun rituele hymnen, tovergezangen, gedenkliederen en zogenoemde 'kietelige' gedichten, vol spot en erotiek, zijn ten dele in oude codices bewaard. Met een keuze uit deze verzen, die niet zonder aanzienlijke problemen werden vertaald, geeft Van Zantwijk een wetenschappelijk verantwoord beeld van deze verzonken cultuur (Prometheus, ¿ 39,90).

Ik geloof niet dat zulke boeken, hoe interessant ook, meteen een stormloop op de boekwinkel zullen veroorzaken, en eigenlijk geldt dat voor de rest van het aanbod deze week ook. Toch waren er een paar titels die me verrasten. Ik had niet verwacht dat de verhalen die Salman Rushdie in Oost, West gebundeld heeft, zo goed zouden zijn. Misschien was ik al rijp voor de gedachte dat iemand die zo lang onder een doodvonnis (de fatwa van de ayatollahs) gebukt gaat, niet echt meer aan schrijven toekomt.

Maar niets is minder waar. Rushdie toont in deze bundel ongebroken het talent van een schrijver, die kan spelen met de vorm (zoals in het verhaal 'Yorick', gebaseerd op Shakespeares Hamlet, of in het verhaal over de liefde van Christoffel Columbus voor Isabella van Spanje) maar Rushdie is, bij al zijn literaire lenigheid, ook een schrijver die de tragikomische kanten van het bestaan (van de Indische immigranten in Londen bijvoorbeeld) heel indringend op de lezer weet over te brengen. Een prachtige bundel (Contact, ¿ 34,90).

Ook de Engelse Pat Barker weet een verhaal te vertellen. In Het oog in de deur vervolgt zij haar 'verslag' van de gebeurtenissen in de Eerste Wereldoorlog, dat zij met Niemandsland begon. In dit tweede deel van wat een trilogie moet worden onthult Barker hoe meedogenloos het in de laatste jaren van de oorlog aan het thuisfront toeging, toen homoseksuelen, dienstweigeraars en pacifisten genadeloos werden aangepakt. De vertaling van The Eye in the Door verscheen bij De Geus (¿ 49,90), die tegelijkertijd Het verdriet van Vietnam van Bao Ninh en Brieven der liefde van Maria Nurowska publiceerde (allebei ¿ 39,90).

Het verdriet van Vietnam, dat met steun van de Vietnam-deskundige Oscar Salemink uit het Engels werd vertaald, is niet zomaar een oorlogsroman, al lijkt dat wel zo. Volgens Salemink heeft de schrijver dit boek geënt op een befaamd achttiende-eeuws Vietnamees epos, de Kim van Kiêu, dat voor Vietnamezen niet alleen het hoogtepunt van de Vietnamese literatuur is, maar 'het wezen van Vietnam zelf'. Wie dat weet, begrijpt misschien beter waarom deze roman zoveel indruk heeft gemaakt op critici overal ter wereld.

Maria Nurowska is een Poolse schrijfster die het zowel voor als na de val van het communisme in haar land uiterst moeilijk heeft gehad. Een boek als Postscriptum voor Anna en Miriam werd in haar land vier jaar lang verboden, zo schreef Antar El-Mecky in deze krant naar aanleiding van een andere roman van haar, die was vertaald: Aan de andere kant van de dood. Haar werk is voor de oude machthebbers zo ongemakkelijk, omdat zij steeds weer de verhouding tussen de Polen en de joden aan de orde stelt. In het nu verschenen boek, Brieven van liefde, is dat opnieuw het geval, en opnieuw is het een pijnlijk relaas, van een vrouw, die zich als zestienjarige in het getto van Warschau prostitueerde - om mede haar oude vader van de hongerdood te redden - en die dit geheim pas na vijfentwintig jaar aan haar niet-joodse levensgezel durft te onthullen.

Welville van T. Coraghessan Boyle (Contact, ¿ 55,-), over de dwaasheid van de gezondheidscultus, die met Harvey Kellog, uitvinder van de cornflake en de pindakaas, in 1907 in het kuuroord Battle Creek begint; De glimlach van het lam van de Israëlische schrijver David Grossman, bekend van indrukwekkende boeken als Zie: liefde en De grammatica van het gevoel (Contact, ¿ 45,-) en Aman, het verhaal van een Somalisch meisje (Meulenhoff, ¿ 39,90) - het zijn boeken, die ik op geen stukken na uit heb, omdat ik zo lang in Komrij heb zitten lezen, maar die me wel intrigeerden. Vooral het laatste, Aman, lijkt me een serieus en authentiek relaas over de positie van de vrouw in een Afrikaans land als Somalië, met alle onderdrukking en omstreden rituelen als clitoridectomie en infibulatie die daarbij horen.

Gerrit Komrij en zijn middeleeuwse poëzie hebben me van méér boeken afgehouden, maar er was er één dat de concurrentie makkelijk aankon: De boekdrinker van Klaas Huizing.

Huizing (1958) is van Nederlandse origine, maar hij woont in Starnberg (Duitsland). Hij is filosoof en universitair docent theologie. Hij schrijft in het Duits. Zijn eerste roman was Oberreit oder: Der Gesichtsleser, zijn tweede is Der Buchtrinker, dat door Ingeborg Lesener werd vertaald en mij als De boekdrinker voor het eerst onder ogen kwam. Het is het verhaal van Johann Georg Tinius, die leefde van 1764 tot 1846 in Saksen. Deze man, schrijft Huizing, werd moordenaar uit harstocht. De objecten van zijn begeerte waren boeken (aan de geur van het papier kon hij de respectieve drukkerij trefzeker vaststellen). Hij werd, uit een eenvoudig gezin afkomstig, predikant te Poserna en in 1813 gearresteerd op verdenking van moord.

Hij schreef boeken, die nu vergeten zijn, maar die de eigentijdse bibliomaan Falk Reinhold op zijn spoor zetten. Reinhold dringt Tinius' pathologische wereld binnen en leert de tekenen verstaan die deze destijds uitzond: het gaat om niet minder dan de ondergang van de wereld.

In een postscriptum, een briefkaart aan Monsieur Derrida (de wereldberoemde Franse filosoof Derrida) laat Reinhold ten slotte weten dat hij 'het raadsel van het lezen op het spoor' is en misschien gaat het in laatste instantie in De boekdrinker om dat wonderlijke en o, zo bedreigde fenomeen in deze tijd van de computer en de CD-ROM: het fenomeen van het lezen, het lezen van boeken, van literaire boeken. Daar kan geen filosofie, geen psychologie, geen wetenschap en geen technologie tegen op (Prometheus, ¿ 29,90).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden