Rwanda slachtoffer van koloniale constructie; BELGISCHE JOURNALISTE OP ZOEK NAAR OORSPRONG VAN RASSENGEWELD

KORT NA DE genocide in Rwanda dansten westerse hulpverleners in een Hutu vluchtelingenkamp op liederen die gezongen werden door Silon Bikindi....

Dit kleine voorval illustreert op symbolische wijze de onnozelheid en het onbegrip van de buitenstaanders bij het Rwandese drama. Wie geen deel uitmaakt van dat drama, zal er nooit in slagen te begrijpen wat zich in die noodlottige drie maanden in 1994 voltrok. En hij zal ook niet kunnen vatten wat er daarna is gebeurd en nog te gebeuren staat.

Slaagt Colette Braeckman, Belgisch journaliste voor Le Soir en Le Monde Diplomatique, daar wél in? In De wortels van het geweld tracht zij een analyse te geven van de recente gebeurtenissen in de drie voormalige koloniën van België: Rwanda, Burundi en Congo (voorheen Zaïre). Haar pretenties zijn niet gering. Zij wil dat op objectieve wijze doen, niet onpartijdig - dat is onmogelijk - maar op een correcte manier partijdig.

Tussen april en juli 1994 werden naar schatting tussen de vijfhonderdduizend en een miljoen mensen in Rwanda vermoord. De slachtoffers waren Tutsi's en gematigde Hutu's. De daders waren radicale Hutu's en gewone mensen die, al dan niet gedwongen, met hun machetes aan het moorden meededen.

Braeckman ziet de genocide als een etnisch conflict dat eigenlijk niets met etniciteit te maken heeft. Het conflict tussen Hutu's en Tutsi's is het resultaat van een noodlottige historische constructie van Belgische koloniale bestuurders en Vlaamse missionarissen.

Voor de komst van de Duitsers en daarna de Belgen was er geen sprake van etnisch geweld in Rwanda, noch in Burundi. Hutu's en Tutsi's leefden in een soort symbiose, die door de aanwezige Europeanen niet werd begrepen en geleidelijk aan werd omgevormd in een tegenstelling die voor hen wel herkenbaar was. De sociale reconstructie van die symbiose was volgens Braeckman een projectie van de problemen die de Belgen in hun eigen land kenden: van overheersers en onderdrukten, van Vlamingen en Walen. Men zou hier een extreem voorbeeld hebben van wat antropologen paradoxaal 'invention of tradition' noemen.

Het verdriet van België is geëxporteerd naar Afrika en heeft daar welig kunnen tieren. De koloniale bestuurders onderscheidden een onderdanige stam en een volk van heersers. Zij werden daarbij geholpen door in die tijd populaire theorieën over fysieke en intellectuele superioriteit/inferioriteit. Deze visie leidde tot bevoordeling van wat men steeds meer als een stam ging zien: de Tutsi's.

De Vlaamse missionarissen daarentegen koesterden, vanuit diezelfde ideeen, meer sympathie voor hun 'lotgenoten', de onderdrukte Hutu's en werkten aan hun politieke bewustwording. De ijver die zij aan de dag legden om het Kinyarwanda, de inheemse taal, in de scholen te onderwijzen, moet volgens Braeckman in datzelfde licht worden gezien. De taalstrijd dus.

Het is geen nieuwe visie. Niemand twijfelt eraan dat de koloniale periode de tegenstelling tussen Hutu's en Tutsi's heeft verscherpt, maar hoe geloofwaardig is Braeckmans stelling dat er voordien geen enkel conflict was tussen beide. . . ja, tussen wat eigenlijk? Geen enkele term lijkt te voldoen. 'Kaste' klopt niet, 'stam' niet, 'klasse' nog minder. De lokale term ubwoko is uiterst vaag en betekent zoiets als 'soort', 'ras'. De term wordt ook gebruikt voor diersoorten en soorten van dingen.

Nogmaals, hoe aannemelijk is Braeckmans visie? En hoe objectief is zij? Hier beginnen de problemen. Alles, alles in Rwanda is gevat in categorieën van Tutsi en Hutu, en de geschiedenis wel heel in het bijzonder. Braeckmans lezing is die van de Tutsi historici die het verhaal van de onderdrukking - en dus ook van de emancipatie - van de Hutu daarmee ontkennen.

De Hutu historici, daarentegen, beschouwen deze visie als een mystificatie die de werkelijke verhoudingen in de prekoloniale tijd moet verhullen en de politiek van het huidige regime legitimeren.

Het probleem is dat er geen historische zekerheid is. Baumann, een Duitse ontdekkingsreiziger die de regio in 1892 bezocht, maakt wel melding van conflicten, maar wat wist hij van de complexe relaties tussen Hutu's en Tutsi's? Hoe nauwkeurig en correct zijn zijn observaties? Als er al 'feiten' bestaan, in Rwanda bestaan ze niet. Daar zijn slechts meningen, interpretaties van feiten.

Dat geldt niet alleen voor het grijze verleden, ook de toedracht van gebeurtenissen van twee, drie jaar geleden wordt betwist. Braeckman geeft daarvan enkele onthutsende voorbeelden. Bij de ontruiming van het vluchtelingenkamp bij Kibeho in het zuidwesten van Rwanda, begin 1995, vielen vele doden. Waren het er 338, zoals de autoriteiten meldden, of achtduizend, zoals hulpverleners van de Verenigde Naties berichtten? En hoe kon het gebeuren? Was het een bewuste wraakactie van Tutsi militairen of was het een provocatie van Hutu radicalen die vrouwen en kinderen als een schild gebruikten bij hun poging door het kordon van soldaten te breken?

Het lijkt niet mogelijk een 'objectief' verslag te vinden, want elk verslag komt uit de mond van een mens, en geen mens kan onpartijdig zijn bij zoveel haat en angst en geweld. Braeckman kiest voor de laatste versie. Waarom? Ook zij heeft haar voorkeuren. Als journaliste raakt zij betrokken in de strijd om de 'feiten'. Het is onvermijdelijk. Ook de journalisten van Nederlandse dagbladen en de schrijver van deze recensie kunnen geen onpartijdigheid claimen.

Nog een voorbeeld van die onvermijdelijke partijdigheid. Hoe moeten wij de rol van de Tutsi's zien die na dertig jaar ballingschap in Uganda in 1994 Rwanda binnenvallen, juist als er mogelijkheden gecreëerd zijn voor een vreedzame integratie van Tutsi's in de Hutu meerderheidsregering? Hebben zij door hun snelle opmars een einde gemaakt aan de genocide of hebben zij die juist veroorzaakt? Braeckman houdt het op het eerste, ik op het laatste.

Colette Braeckman heeft met dit boek een poging gedaan de wortels van het geweld in Rwanda en Burundi (Congo is een enigszins ander verhaal) bloot te leggen. Zij kiest daarbij voor een interpretatie die het nieuwe regime krediet geeft, een visie die ze deelt met minister Jan Pronk. Zij bestrijdt 'de dubbele genocide', de opvatting dat er nu een stelselmatige, meer verborgen en beter geplande, tweede genocide plaatsvindt. Wie zou niet wensen dat ze gelijk heeft? Wie zou niet willen geloven dat de huidige regering inderdaad 'onpartijdig' en op verzoening uit is?

De laatste ontwikkelingen geven echter niet veel reden tot die hoop. Hoe het ook zij, of de etnische tegenstellingen nu wel of niet een Belgische sociale constructie zijn, en of de Hutu's en Tutsi's nu wel of niet ooit in vrede met elkaar hebben geleefd, de etnische angst en haat zijn nu een feit. Het is het enige feit dat wij met zekerheid kennen. En het is onheilspellend.

Sjaak van der Geest

Colette Braeckman: De wortels van het geweld - Rwanda, Burundi, Congo-Zaïre.

Vertaald uit het Frans door Ward Coenegrachts en Tineke Jager.

EPO; 284 pagina's; ¿ 49,-.

ISBN 90 6445 040 4.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden