Ruud Lubbers keert zich tegen de markt

De meest vèrstrekkende aanbeveling uit het rapport van de commissie-Lubbers bleef uit het nieuws. Ruud Lubbers onderzocht in opdracht van minister van Onderwijs Jo Ritzen hoe het verder moet met het economisch onderzoek in ons land - de oud-premier heeft bij de Katholieke Universiteit Brabant emplooi gevonden als deeltijd-hoogleraar globalisering....

Twee minder ingrijpende aanbevelingen uit Kijk op economische kennis haalden de kranten wel. Dat de opleiding wel wat zwaarder kan, ook als dit met zich brengt dat aan de poort geselecteerd moet worden, is alle betrokkenen wel duidelijk. Hetzelfde geldt voor de aanbeveling de kunstmatige scheiding tussen de opleiding tot econoom en econometrist op te heffen. Opvolging van beide adviezen leidt tot een betere opleiding tot econoom, en dat komt logischerwijs ook het economisch onderzoek ten goede.

Het venijn van Lubbers zit in de aanbevelingen over dat onderzoek. In feite is het rapport een Lubberiaans geformuleerde frontale aanval op commerciële onderzoeksbureaus. De band tussen het fundamentele onderzoek van academische economen en het toegepaste onderzoek moet worden aangehaald, stelt de commissie quasi-onschuldig. In dat gezelschap was het bedrijfsleven vertegenwoordigd (Floris Maljers, ex-Unilever), de academische wereld (Frank den Butter, Vrije Universiteit), het Centraal Planbureau (onderdirecteur Lans Bovenberg) en De Nederlandsche Bank (Nout Wellink).

Maar een vertegenwoordiger van de commerciële bureaus ontbrak. Tenzij Roy Thurik (Erasmus Universiteit, maar ook in deeltijd werkzaam bij het Economisch Instituut Midden- en Kleinbedrijf) als zodanig moet worden aangemerkt.

Het rapport valt in vruchtbare aarde, want er heerst onrust in economenland. Er zijn minstens drie haarden. De economen die werkzaam zijn bij de overheid vinden dat hun academische collega's te weinig bruikbaar onderzoek doen. Een voorbeeld hiervan is marktwerking. Dit onderwerp staat bij Economische Zaken en Financiën hoog op de agenda, maar komt op de academische agenda nauwelijks voor.

Per kerende post verwijten de academische economen hun Haagse collega's gebrek aan aandacht voor belangrijke vraagstukken, zoals de vormgeving van de sociale-zekerheidswetten. Bovendien ergeren academische economen zich aan de miljoenen die ministeries uitgeven aan rapportjes van commerciële onderzoeksbureaus, waarvan de kwaliteit op zijn zachtst gezegd nogal wisselend is. Op de commerciële markt voor economische onderzoek gaat een veelvoud om - geschat wordt tussen een half en driekwart miljard gulden - van het onderzoeksbudget dat de economiefaculteiten van Ritzen ontvangen: enkele tientallen miljoenen.

De derde haard van onrust is de commerciële onderzoekswereld zelf. Een aantal bureaus heeft zich georganiseerd in de Vereniging voor Beleidsonderzoek, een club die door het verstrekken van kwaliteitscertificaten het kaf van het commerciële onderzoekskoren moet gaan scheiden. Het kaf is daar natuurlijk niet blij mee.

De aanbevelingen van de commissie-Lubbers sluiten aan bij deze onvrede. Lubbers wil het geld dat nu - naast Ritzens 'eerste' geldstroom richting universiteiten - aan fundamenteel economisch onderzoek wordt uitgegeven (de 'tweede' geldstroom van enkele miljoenen), koppelen aan de uitgaven van ministeries aan toegepast onderzoek - de 'derde' geldstroom.

De commissie keek hierbij met een schuin oog naar Frankrijk, waar het Centre National de la Recherche Scientifique (CNRS) het geld verdeelt onder onderzoekers, en waar de ministeries 'tegen geringe kosten hun onderzoek kunnen uitbesteden aan onderzoekers die bij het CNRS werkzaam zijn'. Onderzoekers moeten zo een deel van hun salaris terugverdienen.

Dit lijkt een aanlokkelijk model. Het is een manier om 'fundamentele' onderzoekers directer bij het beleid te betrekken. Beleidseconomen worden bevrucht met nieuwe kennis en nieuwe vragen, en academische economen worden gevoeliger voor de noden van Den Haag.

Maar voor commerciële bureaus die bestaan bij gratie van uitbesteed onderzoek, wordt het moeilijk om onder de verstoorde concurrentie-verhoudingen te overleven. Een deel van de markt wordt ingepikt.

De anti-markthouding van de commissie-Lubbers berust op slechts één argument: het reputatie-mechanisme voor academische economen. Dé manier om als academisch econoom aan de weg te timmeren, is het publiceren van 'fundamentele' artikelen in internationale vaktijdschriften. Academici hebben daarom geen belang bij het onderzoeken van beleidsproblemen, zeker niet als die typisch Nederlands zijn. Door de koppeling van 'tweede' en 'derde' geldstroom krijgen zij een financiële prikkel om toch beleidsonderzoek te doen.

Is dit een houdbaar argument? Uiteindelijk niet. Als academische economen inderdaad beter geschikt zijn voor beleidsonderzoek dan commerciële bureaus, waarom komt er dan op de onderzoeksmarkt voor hen niet gewoon een hogere prijs tot stand - een prijs die het voor hen aantrekkelijk maakt om ook beleidsonderzoek uit te (laten) voeren?

Deze vraag wordt door Lubbers en consorten gesteld noch beantwoord. Dit komt doordat de commissie de aanbodkant van de markt weliswaar voorbeeldig in kaart bracht, maar de vraagzijde nagenoeg onbesproken liet. Welke belangen hebben de Haagse opdrachtgevers van rapporten? Willen zij het 'beste' rapport, of liever het 'handigste'?

Veel onderzoek dat door ministeries wordt uitgezet dient beide doelen tegelijk. En een deel van de commerciëlen verschaft gretig gelegenheidsargumenten.

De bedorven vraagkant van de markt biedt een sterker argument dan het reputatie-mechanisme voor academische economen. Lubbers beseft natuurlijk als geen ander dat een openlijke aanval op ambtenaren de minst effectieve manier is om in Den Haag iets gedaan te krijgen.

Hij heeft een handig rapport geschreven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden