Run

Hier zit ik dan. Op mijn bank, met bloed aan m’n knie en hé, kijk: ook op m’n wang...

Hanna Bervoets

Dzzzzzp, even terug.

Het begon allemaal gisteren, de dag waarop ik de nieuwe reclameposters van Zeeman voor het eerst zag.

‘BADPONCHO’S, 3,99 euro, maten 122 t/m 164.’

Natuurlijk vroeg ik me heus wel even af wat een ‘badponcho’ was. Iets wat je aantrekt tussen het douchen en het aankleden; iets om je dag nog even uit te stellen; het draagbare equivalent van de snooze-knop, het... – Hier werd de gedachtenstroom onderbroken door een vraag die mijn meer filosofische bespiegelingen wel vaker vroegtijdig de kop indrukt: ‘Wat heb ik aan dit product?’

Ik bekeek de poster nog eens goed. Twee kleuters renden de fotograaf tegemoet, badstof fladderde gracieus langs hun lichaampjes. Was het een vogel, was het een vliegtuig, was het Super

Nee.

Het was fashion!

Ik zou de badponcho kunnen dragen tijdens het uitgaan. Die blauwe, met My Little Pony-print. Mini-jurkje eronder, zwarte riem, lippenstift, serieuze blik. Want alleen dat maakt iedere (bad)stof tot mode: een hoofd met één opgetrokken wenkbrauw en twee halfdichtgeknepen ogen, een hoofd dat zegt: ‘Ik neem mijzelf zeer serieus dus dat kun jij maar beter ook doen.’

Ik raakte er helemaal onrustig van. Die Zeemanposters hingen namelijk door de hele stad. De potentie van de poncho’s zou niemand ontgaan, ja: er zou zomaar een run op kunnen ontstaan.

Een vermoeden dat werd bevestigd door wat mijn beste vriend Diederik die avond zei.

Hij zei, uit zichzelf: ‘Zag je die Zeemanposters? Ik wil zo’n poncho voor tijdens het uitgaan.’

‘I know, ja’

‘Han, je trilt helemaal.’

‘Ja Jezus!’

Ik wist het nu zeker: gingen wij in badponcho naar het eerstvolgende feestje, zouden mensen naar ons staren, foto’s maken, handtekeningen vragen, ons prijzen om onze inventiviteit, en niet alleen die avond, nee, overal en altijd: ‘Heee, dat waren jullie toch, met die badponcho’s twee jaar geleden? Nice!’

‘Iedereen gaat ons willen neuken’, zei Diederik. Want ook hem begon het nu te dagen dat het bezit van een badponcho ons bestaan licht doch draaglijk zou maken. Ons leven had tot nu toe weinig voorgesteld, maar hadden we eenmaal een badponcho, konden we dood.

‘Shit Han, er gaat een run ontstaan.’

‘JA!’

Diederik heeft een echte baan, dus kwam het vanmiddag op mij aan. Om de run te winnen rende ik niet maar nam ik de fiets. Toch vreesde ik verlies. De posters hingen er sinds maandag, dus de run was al twee dagen gaande. Daarom trapte ik hard, harder, hardst, negeerde ik stoplicht en zebrapad, run run run, trap trap trap, al wist ik dat het tevergeefs was, run run run, dat ik te laat was, run run run, dat de menigte me voor was, run, run, oh, ho!, BAF!

Daar lag ik: op m’n rug op een stoeprand, bedolven onder m’n kettingkast.

Even keek ik naar boven. Vogels, bomen, wolken.

Wolken in de vorm van badponcho’s.

Run run run! Ik stond op, sprong op m’n fiets en vergat de pijn in m’n knie.

‘Een wát voor in bad?’, vroeg het meisje achter de kassa. ‘Bedoel je die kleine capejes?’ Ze wees op een bak. Een heel volle bak. Ze hadden nog zo’n vijftig exemplaren. Plus de honderd die nog in het magazijn lagen.

En zo zit ik nu op de bank. Met een bloedende knie want op schaafwonden horen geen pleisters. Een reden om op te staan heb ik niet. Dus ga ik liggen, en druk ik mijn in plastic verpakte badponcho tegen mijn borstkast.

Links, want daar zit mijn hart.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden