Ruimte voor ruimte

In Den Bosch zijn twee tentoonstellingen te zien waarin de kerk op verschillende wijze een belangrijke rol speelt. Pieter Saenredam en Marc Mulders lieten zich elk op eigen wijze inspireren.

Marc Mulders, The Moonlight Garden, Het Noordbrabants Museum. Den Bosch.


T/m 21/9.


'Mulders' werk ontstaat in dialoog met grote voorgangers', schrijft kunstcriticus Jurriaan Benschop in de publicatie bij het overzicht van Marc Mulders' werk (schilderijen tekeningen, collages, wandtapijten) in Het Noordbrabants Museum. Precies deze voorgangers leken Mulders lang in de weg te zitten. Dat kwam zo: Mulders is een schilder met uitgesproken christelijke thema's - lijden, bloei en verval, de weg van alle vlees en dergelijke - en dus liep hij aan tegen gelijkaardige collega's: Bacon, Rembrandt, Soutine. Alleen, hij kon hen nooit evenaren.


In de eerste zaal van The Moonlight Garden (de tentoonstelling is vernoemd naar een tuin bij de Taj Mahal) zie je Marc Mulders (54) worstelen. Daar hangen ze, de doeken uit de late jaren tachtig en vroege jaren negentig, de schilderijen die altijd aan andere schilderijen doen denken: het everzwijn, de hangende vogel, Deijmans lijk voor een plattegrond van de Sint Pieter, Da Vinci's tafel uit Het Laatste Avondmaal onder grauwe hompen vlees. Volgens literatuurcriticus Jaap Goedegebuure 'openbaren' deze doeken het leven in zijn 'pulserende vitaliteit', maar dat is catalogusretoriek: dit werk is niet best. Slap van toets, modderig van kleur, vaag van opzet en gefnuikt in de ambitie om overtuigende illusies op te roepen.


De beoogde transsubstantiatie (theologische term die de verandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus beschrijft, red.), om in het thema te blijven, blijft uit.


Dat everzwijn, bijvoorbeeld. Dat heeft, zoals bekend, twee voorgangers: de één van Rembrandt, nu in het Louvre, de ander van Soutine, in de collectie van het Stedelijk Museum in Amsterdam; voorgangers die barsten van de vitaliteit, zo vlezig, zo animaal-zinnelijk, je wordt er week van. Zo'n doek maak je niet zomaar, dat spreekt. Bravoure is nodig, een trefzekere hand en een haviksoog (om nog te zwijgen van een sterke maag). Soutine en Rembrandt hadden dat. Mulders niet. De dikke lagen verf op zijn doek zijn wat de schmierende strijkers zijn voor de filmregisseur: een noodgreep.


Was het hierbij gebleven, dan was deze expositie teleurstellend geweest. Maar Mulders breidde zijn praktijk uit. Hij maakte collages en wandkleden. Hij leerde de kunst van het glasschilderen en produceerde een raam voor de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Hij ging van somber expressionisme naar fleurige arts and crafts. Ook verhuisde hij van Tilburg naar het landgoed Baest. Dat was in 2008.


Zeggen dat deze verkenningen van andere media Marc Mulders omvormden tot een nieuw soort schilder is onzin - al een jaar of vijftien was hij in de weer met kleuren en bloemen, ook daar zijn voorbeelden van te zien in Den Bosch - maar dat ze invloed hadden, is zeker. Ze versnelden een proces dat, sorry, ik blijf een beetje hangen in de reli-metaforiek, je het best kunt omschrijven als exorcisme. Eruit: de plastiek, het krampachtige realisme, de spoken uit het verleden. Erin: decoratie, lebensbejahende kleuren, lila, geel, de abstractie, ook. Steeds vaker balanceerden Mulders' werken op de rand van het herkenbare. Inmiddels gaan ze er ruimschoots overheen. Zijn recentste werk is nagenoeg geheel abstract.


In Den Bosch vormen deze doeken het hoofdprogramma. Het is meteen duidelijk: Marc Mulders heeft iets moois te pakken. Het zijn grote dingen, deze doeken. Ze meten een paar bij een paar meter. Ze hebben exotische titels (Persian Garden, bijvoorbeeld), een liggend formaat en een - kuch - rijk kleurengamma: paars, lichtgeel, mintgroen, soms dik, soms zo schraal dat het canvas erdoorheen schemert. Een vreugdevuur van verf, pulserend en ritmisch aangebracht, en ja, wie wil kan er ook nog bloementuinen in zien. Bekeken door je oogharen. Tegen het ochtendgloren. In Iran? Welja, in Iran. Of in de Keukenhof.


Ze zijn hoe dan ook een genoegen om naar te kijken. Dat komt niet doordat Mulders' religieuze symboliek afwezig is, want dat is enkel zo op het eerste gezicht. Bovendien: kunst wordt niet slechter van een openlijk christelijke iconografie (tenzij de maker Bill Viola is, natuurlijk). Het zit 'm meer in basale ambachtelijke zaken: de, hoe zal ik het zeggen, zegeningen van het decoratieve, de vrijheid van Mulders schildershand, nu hij geen objecten meer in een ruimte hoeft te plaatsen. Ook: dat hij zich op een meer natuurlijke en overtuigende manier tot 'grote voorgangers' verhoudt: de bekende vijverschilderijen van Monet, De Koonings zeegezichten. De dialoog, blijkt, was niet Mulders' probleem; hij had alleen de verkeerde gesprekspartner gekozen.


Stefan Kuiper


28.517 kanonskogels


Toen Pieter Saenredam op zomerreis naar Den Bosch ging in 1632, trof hij een stad in transitie aan. Een stad die net geconfisqueerd was door de Republiek, maar helemaal niet klaar of willig was om zijn katholicisme op te geven. Den Bosch had een bisschopszetel sinds 1559, en de Sint-Jan - daar kom je niet aan. Drie dagen, 28 duizend soldaten en 28.517 kanonskogels had Frederik Hendrik nodig om de Bossenaren eronder te krijgen, in 1629.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden