Rossi's museum moet nu voor zichzelf spreken

Het eerste constructiefoutje openbaart zich nog voordat je het Bonnefanten Museum in Maastricht betreedt. Het regenwater, dat donderdag overvloedig valt, vormt plassen op de trap naar de entree en maakt de treden spiegelglad....

Van onze verslaggever

Arno Haijtema

MAASTRICHT

Zo'n honderd journalisten - behalve Nederlanders ook veel Duitsers en Belgen - hebben zich voor een eerste kennismaking met het gebouw neergevleid op de trap die als een slagader door het museum aan de de oevers van Maas loopt. De Italiaanse architect Aldo Rossi, die het gebouw van 45 miljoen heeft ontworpen, staat de pers te woord. Helaas gaan zijn woorden galmend verloren in het trappehuis van twintig meter hoog, twintig meter lang en een meter of vijf breed. Of het erg is dat hij niet te verstaan is, valt te betwijfelen. Het museum is klaar, het resultaat van Rossi's inspanningen moet nu voor zichzelf gaan spreken.

De nieuwe behuizing van het provinciale museum is al van verre herkenbaar aan de kegelvormige, bijna dertig meter hoge toren die Rossi aan de Maaszijde van het museum liet bouwen. Deze 'sigaar' is een stijlkenmerk van de Milanese architect. Op het eerste gezicht lijkt het museum karig bedeeld met ramen, maar binnen blijkt er een overvloed aan daglicht.

Drie etages telt het museum, waarvan de collectie is onder te verdelen in een archeologische (met vooral vondsten uit de regio Limburg) en een Middeleeuwse verzameling en een uitgebreide - maar enigszins willekeurige - greep uit de hedendaagse beeldende kunst. De eerste etage bevat de archeologische voorwerpen en Middeleeuwse schilderijen van onder anderen Pieter Brueghel de Jonge en Pieter Coeck van Aelst.

Op de tweede verdieping wordt de hedendaagse kunst tentoongesteld. Het werk van Joseph Beuys hangt weinig prominent in een zaal die, in de nabijheid van de grote trap, iets wegheeft van een overloop. De (ongetitelde) gipsafgietsels van Iannis Kounellis, tegen een door de kunstenaar van een houtskooltekening voorziene wand, zijn in een centrale zaal op de etage aanmerkelijk beter bedeeld.

Zowel de 'oude' als de hedendaagse kunst lijkt zich thuis te voelen in het Bonnefanten Museum. Met zijn neutrale witte wanden, zijn onbewerkte parketvloeren van Maleisisch hout en de bescheiden (aan het oude Rome herinnerende) zitbankjes heeft het interieur iets tijdloos. Het gebouw heeft zich ondergeschikt gemaakt aan zijn museale functie.

Door de gigantische trap, die het gebouw diagonaal doorklieft, weet de bezoeker altijd in welk gedeelte van het museum hij zich bevindt. De trap is een vast referentiepunt, die desoriëntatie (zoals bijvoorbeeld in het Amsterdamse Stedelijk Museum of het Rijksmuseum wel eens kan voorvallen) vrijwel uitsluit.

De trap leidt de bezoeker uiteindelijk naar het bovendeel van de grote toren. Daar ligt op de grond egaal grijs zeil. De zeker tien meter hoge, nog onbeduimelde wanden met schilderijen van Jan Dibbets, lijken te verdampen in de welving van de sigaar.

Als je fluit - nu durf je nog, want je bent alleen, het publiek mag pas vanaf 11 maart naar binnen -, galmt het geluid zeker tien seconden na. Het is alsof je, na een pelgrimage, een kapel voor de kunst betreedt. Een kapel die dwingt tot fluisteren, of - liever nog - zwijgen. Nu maar wachten op een kunstenaar die dit soort heilige huisjes omschopt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.