Roodkapje en de wolf

Vaak, zegt de Algemene Rekenkamer, hebben regering en parlement zich niet afgevraagd wat ze nu eigenlijk beogen met het zelfstandig maken van overheidsdiensten....

HARRY VAN SEUMEREN

Dat spoort met de breed aangehangen gedachte dat de overheid kleiner en het financieringstekort opgevuld moet worden. Maar is er ook nagedacht over het nut van de verrichtingen van een dienst, of ze nu is ondergebracht bij een departement of zelfstandig is gemaakt?

Ongeacht de juridische structuur berust het bestaansrecht van dit soort diensten op het oordeel van regering en parlement dat het algemeen belang vereist dat bepaalde activiteiten van overheidswege worden geregeld. Dat geldt voor een goed openbaar vervoer, het beveiligen van het vliegverkeer, het vastleggen van octrooien, de financiering van de omroepen. Deze activiteiten komen dus niet voort uit particulier initiatief.

Ongeacht de vorm waarin deze nuttige bezigheden worden verricht, is het dus van belang dat de overheid controleert of deze taken - waarvoor doorgaans een wettelijke basis is gelegd - naar behoren worden uitgevoerd. Daaraan ontbreekt het in hoge mate, zegt de Rekenkamer. Het kabinet heeft laten weten dat het zich de kritiek aantrekt en het primaat van de politiek zal herstellen. Is dat genoeg?

De rijksoverheid houdt er tegenwoordig een paar modieuze opvattingen op na. De ene is dat uitgaven van het rijk worden verlaagd door taken af te schuiven op de gemeenten. Het rijk vertaalt het financiële voordeel in een lager tekort en de gemeenten zijn gedwongen de lasten van de burger te verhogen, of voorzieningen te schrappen. Deze aantasting van de koopkracht - hogere gemeentebelasting en minder waar - telt Den Haag niet mee als zij straks debatteert over het koopkrachtplaatje.

De andere opvatting is dat de economie en dus de burger altijd beter af zijn als de rijksoverheid minder doet. De Markt mag het doen en die doet het per definitie beter, luidt de geloofsbelijdenis. Het rapport van de Rekenkamer doet vermoeden dat een geloof belijden zonder na te denken, weinig zoden aan de dijk zet.

Zo was er het idee van staatssecretaris Linschoten van Pensioenen en minister Zalm van Financiën om de bedrijfstakken die gezamenlijk een pensioenfonds hebben, te dwingen die regeling om zeep te helpen. Een bedrijfstak-pensioenfonds verplicht de ondernemingen eraan deel te nemen, al is er de mogelijkheid van dispensatie.

Hebben de bedrijven de vrije keuze tussen dit pensioenfonds en een eigen regeling - doorgaans dus via een commerciële verzekeraar - dan is dat profijtelijk, omdat de kosten lager zijn. Concurrentie leidt immers tot kostenverlaging, zegt het leerboekje.

De praktijk laat wat anders zien. De kosten van commerciële verzekeraars zijn anderhalf tot twee keer hoger dan die van pensioenfondsen. Logisch, want de verzekeraar moet winst maken, het fonds niet. Maar wie stapt uit een bedrijfstakfonds? Het is voordelig voor bedrijven met veel jong personeel, nadelig voor bedrijven met veel oud personeel.

Zo gezien is het idee Zalm/Linschoten een zoveelste bijdrage aan het vervroegd dumpen van ouder personeel, hoewel dat strijdig is met het standpunt van hun politiek leider Bolkestein dat mensen op latere leeftijd met pensioen moeten, om het stelsel betaalbaar te houden.

De werkelijke reden onthulde deze week Linschoten. De pensioenen moeten goedkoper, want dat drukt de loonkosten en daardoor kost de sociale zekerheid minder. Het kabinet zelf zorgt wel voor het opdoeken van de AOW, nu de bedrijfspensioenen nog.

Harry van Seumeren

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden