Rood uit de tube

De vreugde en vrijheid van het schilderen, het tobben en trekken van het schrijven - de tegenstelling doet het altijd....

Nu lees ik de tobbende woorden van een schilder en zijn vrije taal over het schrijven, dat hij ook doet. Schilderen heet een 'gevecht'. En het gaat 'treiterend, tergend, tartend'. En het proces van de laatste voorbereidingen, tubes leegknijpen op het palet, het doek prepareren, kwasten meteen weer schoonmaken, met een houtskooltje schetsen - hij roept het op als levenslange dwangarbeid. Als het helemaal niet meer gaat, neemt de taal het beeldende werk over. Hij krijgt weer lucht. Maar misschien is zijn beschrijving van de verschillen in resultaat het origineelst:

'Die velletjes papier gaan in een mapje, dat koester ik. Maar die schilderijen geven een geweldige rompslomp, daar moet nog een lijst omheen, het opbergen kost ontzettend veel ruimte. Wil ik ze nog even zien, dan moet ik ze uit zo'n enorm rek trekken. Terwijl dat mapje, dat is zo tevoorschijn gehaald. Het strikje is zó los, ik haal er een velletje uit en bij wat simpel schaars lamplicht kan ik het lezen, geeft het weer al zijn geheimen prijs. Voor die schilderijen moet het altijd volop daglicht zijn (. . .).'

De schilder vertelt dat en nog veel meer in een lange monoloog die de uitgave van zijn gedichten en tekeningen met een erin geschreven gedicht opent. Hij heet Anton Martineau. Hij is in 1926 geboren, hoort na de oorlog en in het begin van de jaren vijftig bij de groep experimentelen, maar kreeg pas succes in het begin van de jaren tachtig. De tekening-gedichten in het boek laten een gelijk handschrift zien als dat van Lucebert, in dubbele zin!

De gedichten in het boek dateren voor het grootste deel uit de periode 1980-1990; er werd nooit iets van gepubliceerd. Bij de opening van zijn exposities las hij er - met muzikale begeleiding - altijd enkele voor. Dan hoefde hij ook geen kunstgeleerde in te huren voor de openingstoespraak.

Nu ik de gedichten heb gelezen, spijt het me ze nooit te hebben gehoord. Ze zijn meer voor het oor dan voor het oog, lijkt mij. Martineau is een verbalist van grote gretigheid, hoe smal de regels van zijn gedichten ook zijn. Het is een zeer beeldend verbalisme, dat ook in de monoloog - resultaat van een interview - te zien is. (Een heel mooie passage over zijn wandelingen in het Nescio-gebied van Amsterdam-Noord.)

Het eerste gedicht werd bij de opening van een tentoonstelling uitgesproken. Het is twee grote pagina's lang. Ik citeer uit het begin:

Zeg ik je

ik schilder een goedlachs landschap

over je gezicht

water, gras, kleine wolken

verdring ik in je droom de onrust

de winter die haar loverloze bomen

pijnscherp in de hemel krast

over de zachtheid van jou

die van witveren duiven

schilder ik mijn huid over jouw huid

schilder ik de regen voor de bloem in je haar

De laatste twee regels zijn natuurlijk het bijzonderst. Het hele gedicht gaat over het schilderen van de vrouw in alles wat hij schildert. Uit het hele gedicht laten zich talrijke schilderijen te voorschijn lezen, een hele tentoonstelling, maar altijd de vrouw.

Lees het geciteerde fragment en je weet: dat moet je horen. Maar je weet meteen ook: dat is taal van een beeldend kunstenaar, vooral in die opeenvolging van verschillende beelden, in wat ik nu maar noem de dichterlijkheid, in de weinige doorwerktheid, in de heel lichte bravoure, misschien zelfs in een nog lichtere retoriek, maar vooral in de vitaliteit. (Bij Lucebert heb ik de gedachte aan de taal van de beeldend kunstenaar nooit gehad, die aan verbalisme ook nooit, ondanks de overvloed, maar een beheerste overdaad.)

In bijna alle gedichten staan schitterende regels van een groot beeldend vermogen; wie in alles de vrouw schildert, moet wel triomferen in metaforen. Er is natuurlijk ook nogal wat grootspraak: 'De radio/ spuwt een droog/ en ziek verdriet'. Het allermooiste gedicht is een 'rood vers', een gedicht om naar te kijken. Het is te lang om de citeren.

Het begint zo:

Een nog volle tube

zeshonderd twee en dertig

een tube rood de verf

voor de daken van Ransdorp

en jouw appels

en het rood voor de duiven

die verdwijnen

in het aarzelend rood van de avond

De gedichten in de tekeningen zijn van gelijk karakter als de afzonderlijke, misschien iets wilder en daardoor soms geforceerder en wat grootsprakig.

Ik ben blij die stem te hebben gehoord. Wel laat, want het boek Poëzie van een dubbeltalent verscheen - schitterend uitgegeven - vijf jaar geleden, met uitvoerige in- en uitleidingen van Marianne Bertina.

Ik heb het boek nooit ergens gezien en er ook nooit iets over gelezen. Ik kreeg het dezer dagen in handen. Het verdient de onbekendheid niet. Zo vaak loopt de Nederlandse poëzie niet over.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden