ROMAN IN CRISIS Bas Heijne herformuleert het belang van literatuur

De vrees voor literaire verpaupering is een sentiment dat schrijvers generatie op generatie aan elkaar doorgeven. Bas Heijne houdt met 'Echt zien' een hartstochtelijk pleidooi voor de roman.

Hoe lang verkeert de roman al in een crisis? Tien, veertig, honderd jaar? En is de duur van die crisis niet inmiddels een jubileumviering waard? In 1889 signaleerde schrijver Marcellus Emants een culturele malaise: 'Van een leeslust, geboren uit liefde voor de kunst (..), is bij ons zelden sprake. Wij kennen alleen nationale onwaarde.' Emants voorzag een fatale verpulvering van de elite: 'Een ondergaand volk sterft van boven af.' In datzelfde tijdvak tijd was Lodewijk van Deyssel het roerend met Emants eens: 'Het hele leven der thans officieele Neder- landsche letterkunde is een voortdurende belediging, der literatuur aangedaan.'


De vrees voor literaire verpaupering is kennelijk een sentiment dat schrijvers elkaar generatie op generatie aan elkaar doorgeven. In 1928 trok dichter en criticus J.C. Bloem een vrijwel identieke conclusie als Emants en Van Deyssel: 'Overziet men de Nederlandsche romanliteratuur (...), dan is het beeld verre van opwekkend en bepaald troosteloos.' Weer iets later, in 1936, trok Menno ter Braak van leer tegen het literaire klimaat van zijn tijd, waarin 'iedere week minstens drie meesterwerken verschijnen', zoals hij het sarcastisch typeerde. Ter Braak hekelde de overproductie, de overdaad aan middelmaat.


Na de Tweede Wereldoorlog was het opnieuw weer huilen met de pet op in literair Nederland. Slechts een enkeling waagde het een kanttekening te maken. Adriaan Morriën schreef in 1947: 'Is het werkelijk zo erg met de huidige Hollandse literatuur als de zwartkijkers menen en ons dagelijks onder de neus wrijven?' Het toen kennelijk belabberde niveau van de Nederlandse literatuur werd de lezer dus dagelijks onder de neus gewreven. Maar terwijl men vlak na de oorlog dagelijks klaagde over het belabberde niveau van de literatuur, staat 1947 tegenwoordig in de literaire naslagwerken vermeld als het wonderjaar waarin Gerard Reve met De avonden en W.F. Hermans met Conserve debuteerden.


Kennelijk zijn literatuurcritici niet altijd in staat de in aantal luttele maar naar het kwaliteitscriterium toch echt grandioze zegeningen van de eigen tijd naar waarde te schatten. De ergernis over de overvloed aan middelmaat won het ook toen van de vreugde over de schaarse meesterwerken die toen, recht onder de neus van de cultuurpessimisten, aan de openbaarheid werden prijsgegeven.


Iets meer dan honderd jaar na Marcellus Emants vond P.F. Thomése het buskruit uit. In het artikel De narcistische samenzwering spuwde hij zijn gal over de massa-mens die vanwege een inferieure smaak het literaire klimaat uitholde. Samenzwerend met die massa-mens fabriceerden weerzinwekkende en talentloze schrijvers formuleboeken, afgestemd op 'het publiek'. Omdat het blockbuster schrijvende supertrio Kluun, Heleen van Royen en Saskia Noort nog moest worden uitgevonden, richtte Thomése in concreto zijn pijlen op Connie Palmen. Voor Thomése was Palmen eind jaren tachtig de belichaming van de barbarij en het ontalent in de letteren.


Nóg grotere vijand van de ware literatuur was het eerdergenoemde 'publiek'. Thomése: 'Het publiek is namelijk een gemiddelde, de grootste gemene deler.' En: 'het ideale publiek weet helemaal niets.' Thomése deed alsof Emants, Bloem, Ter Braak nooit hadden bestaan en deed alsof de totale apocalyps ons voor het eerst overkwam: 'Voor het eerst in de geschiedenis zal de literatuur moeten worden verdedigd tegen de (...) spontane woordbagger (...), tegen de overmacht van het tweederangse.'


Voor het eerst? Het minste wat je kunt zeggen is dat Thomése even weinig wist als het door hem geminachte publiek; hij kende zijn klassiekers van het cultuurpessimisme niet.


Toch verschilde Thoméses aanklacht in één essentieel opzicht van die van zijn voorgangers. Anders dan bij Emants en Ter Braak was zijn aanklacht doortrokken van de walm van rancune, een persoonlijke rancune zelfs tegen Palmen en andere schrijvers. De rancune verbreedde zich bij hem tot een regelrechte haat tegen al diegenen die andere boeken lazen dan hijzelf: het vermaledijde Publiek.


Thomése hoopte zelfs dat boeken van schrijvers die hij bewonderde uit handen bleven van dat publiek: 'Er zijn schrijvers die je het beste fluisterend aan elkaar kunt doorgeven - om ze uit handen te houden van het Grote Publiek, die door marketing-deskundigen geleide terreurorganisatie.' Thomése pleitte voor een 'fluisterliteratuur voor dissidenten'.


Het publiek als een verzameling terroristen - sjongejongejonge. Boekenfluisteraar Thomése zette nogal een keel op tegen dat publiek. Van de daken schreeuwen dat dat je uit fijngevoeligheid fluistert - zo zie je het niet vaak.


Sindsdien gebeurde er voor Thomése iets opmerkelijks; het Publiek, die verafschuwde moloch, ontdekte sommige van zijn boeken - waarna bij deze cultuurpessimist de wind drastisch draaide. Wat verzuchtte deze zelfbenoemde strijder tegen het publiek vorige week in NRC Handelsblad? Dit: 'Commissies, jury's, besturen, overal kom je dezelfde namen en gezichten tegen. Niet het publiek, maar de kunstenaars beoordelen de kunst. De makers maken onderling uit wat goed is en wat niet. Voordat het publiek mag meepraten, is in rancuneuze wedijver al vastgesteld is of het grote kunst is of niet.' Van publiekshatende boekenfluisteraar tot fiere kruisridder die datzelfde publiek aanspoort om de 'makers' en 'kenners' eens een toontje later te laten zingen: soms is er weinig verschil tussen gedaanteverwisseling en zelfontbranding.


Bas Heijne doet in het onlangs verschenen pamflet Echt zien een poging te formuleren voor zichzelf én voor ons wat literatuur nu precies de moeite waard maakt. Waar zijn maatschappijkritische column steeds vaker een sleetse en vermoeide indruk maakt, met de zelfherhaling als meest voorkomend stijlmiddel, is het alsof Heijne zichzelf in Echt zien in toon, stijl en inzet opnieuw heeft uitgevonden. Het pamflet beweegt zich van herinneringen aan ingrijpende leeservaringen via vraagstellingen over nut en noodzaak van romankunst naar een herformulering van wat literatuur altijd - en in principe voor iedereen - kan betekenen in een mensenleven. Heijne haalt veel overhoop, onder meer het feit dat cultuurpessimistische oprispingen inderdáád tot de traditie van de cultuurkritiek zijn gaan behoren. Ook erkent hij dat de moedeloosheid die hem kan overvallen bij het zien van de huidige overproductie van inwisselbare romans misschien óók is toe te schrijven aan zijn leeftijd en leesgeschiedenis.


Op zeker moment wordt een hartstochtelijke lezer onvermijdelijk een herlezer, die het kakelverse en het eigentijdse uit de weg gaat, niet om redenen van cultuurpessimisme, maar juist uit behoud van die ongebroken passie voor de literatuur.


Intussen heeft Echt zien naar de vorm en dankzij de wijze van vertellen de spankracht van een spannende novelle, en dat is misschien wel het krachtigste element van dit pamflet. Heijne bevraagt in Echt zien niet alleen de literatuur, maar ook zichzelf, uitmondend in deze broze notie: 'Zeker, de roman wordt bedreigd, maar dat is nooit anders geweest; in het genre zelf ligt het gevaar van zijn eigen overbodigheid besloten.'


Umberto Eco constateerde eens dat 'een van de merkwaardigste en meest emotionele uitvloeisels van het verschijnsel cultuurindustrie de kritiek op die cultuurindustrie zelf [is].' Eco trok een montere conclusie: hoe eloquenter de cultuurkritiek, hoe frisser en bloeiender dit culturele klimaat. Met dit schrandere criterium in gedachten staat het er met onze literatuur zo slecht niet voor, getuige het inspirerende pamflet van Heijne.


Want het kan niet anders of Echt zien heeft op de lezer inderdaad een inspirerend effect, dankzij de passie waarmee Heijne het belang van literatuur (her) formuleert en de broosheid van het genre van de roman blootlegt en duidt. Dát is het grote verschil tussen Echt zien en De narcistische samenzwering. Echt zien is het pleidooi van iemand die zijn levenslange hartstocht voor literatuur ontvouwt. P.F. Thomése liet in zijn geschrift alleen maar zien dat hij uitsluitend hartstochtelijk van zichzelf hield.


De aanval (als bij Thomése) is lang niet altijd de beste verdediging; de (zelf)bevraging, het onderzoek, de twijfel, het tastende schrijven is, getuige Echt zien, toch echt de vruchtbaarste verdediging van een genre, de romankunst. Idealiter is de noodzaak van de roman te herleiden tot, zoals Heijne het omschrijft, 'de worsteling met woord en wereld' door de schrijver.


In de beste gevallen legt die worsteling van de schrijver inderdaad dwingend en onontkoombaar 'de mystiek der zichtbare dingen' bloot.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden