‘Rolmodel word je ongemerkt’

Madeleine Albright (70) was de eerste vrouwelijke minister van Buitenlandse Zaken in de Verenigde Staten. In haar jongste boek, een bijna driehonderd pagina’s tellend ‘memo’, geeft ze de volgende president ongevraagd advies....

Vergis je niet. Madeleine Albright oogt misschien als een vriendelijke vrouw op leeftijd van wie je, als ze in een iets te grote stoel tegenover je zit, vanzelf gaat denken: was ze mijn oma maar.

Maar ze is wel een vrouw die bereid was oorlogen te beginnen. Toen ze minister van Buitenlandse Zaken was onder Bill Clinton, van 1997 tot 2001, stond ze bekend als een havik, een hardliner. Niet bang om geweld te gebruiken. De NAVO-luchtaanvallen op Servië in 1999, bedoeld om de Servische etnische zuiveringen in Kosovo te stoppen, worden nog steeds Madeleine’s War genoemd. Dat besluit – háár besluit – is het belangrijkste moment van haar carrière.

‘Ik vond dat de Verenigde Staten iets moesten doen, moesten ingrijpen. Door in te grijpen hebben wij er mede voor gezorgd dat er een eind kwam aan de etnische zuiveringen. Mensen werden niet langer vermoord, verkracht of verbannen. En ik was degene die de Amerikaanse regering zover kreeg.

‘Op diplomatiek vlak bereikte ik in die tijd iets dat misschien niet zo groot lijkt, maar toch fundamenteel was: een dagelijkse conference-call met alle bondgenoten. Zodat we konden samenwerken. En het is natuurlijk best grappig dat er een hele generatie jonge meisjes is opgegroeid in Kosovo met de voornaam Madeleine.’

Een paar jaar eerder, als Clintons ambassadeur bij de Verenigde Naties, beet Albright de belangrijkste militaire adviseur van de president, Colin Powell, toe: ‘Wat heb je aan dat geweldige leger waar je het altijd over hebt, als we het niet kunnen gebruiken?’

Dat was in 1993, het was oorlog in Joegoslavië en het lukte de VN-vredesmacht niet om een einde te maken aan het geweld. Jaren later was het dezelfde Powell die haar opvolgde als Secretary of State en die met president George W. Bush de wereld probeerde te overtuigen van het gevaar van de – uiteindelijk nooit gevonden – massavernietigingswapens van Saddam Hoessein.

‘Een tragische blunder’, noemt ze de invasie in Irak in haar nieuwe boek Memo aan de president, een reeks adviezen aan de nieuwe president van Amerika. Wie dat ook wordt, hij of zij zal volgens Albright de fouten van Bush moeten herstellen.

Haar kritiek op het besluit van Bush om Irak binnen te vallen is spijkerhard. ‘Wat er precies is gebeurd, weet niemand. Dat was iets tussen vicepresident Dick Cheney en minister van Defensie Donald Rumsfeld. Bob Woodward (de journalist die met collega Carl Bernstein het Watergate-schandaal onthulde, red.) zei dat het besluit niet in één overleg is genomen. En dat is het probleem.’

Is dat de grootste fout geweest?

‘In de VS ben ik de eerste om Bush te bekritiseren, maar als ik in het buitenland ben, is dat wat lastiger. Er zijn ontelbaar veel boeken over Irak geschreven, die titels dragen met woorden erin als fiasco, catastrofe of mislukking. En toch is het heel moeilijk om er de vinger op te leggen hoe, waarom en wanneer de beslissing is gemaakt Irak binnen te vallen. Mijn belangrijkste kritiek is dus: het besluitvormingsproces is niet goed doorlopen.’

Wat is het belangrijkste advies dat u de nieuwe president zou geven?

‘De nieuwe president moet het talent bezitten om te kunnen luisteren naar veel verschillende en soms tegenstrijdige visies en ideeën. Hij of zij moet het zelfvertrouwen bezitten om te accepteren dat adviseurs het met elkaar oneens kunnen zijn en dat ze zelfs ruzie kunnen maken.’

Albright vervult momenteel geen officieel politiek ambt meer. Wel steunt en adviseert ze haar goede vriendin Hillary Clinton, die de Democratische presidentskandidaat wil worden, maar in Barack Obama een onoverwinnelijke tegenstander gevonden lijkt te hebben.

Heeft Hillary Clinton uw adviezen al gelezen?

‘Ik heb haar het boek nog niet gegeven. Maar ik gok erop dat ze op dit moment geen tijd heeft.’

U noemt Kosovo een hoogtepunt in uw loopbaan. Bent u ook blij met de recent door de Kosovaren uitgeroepen onafhankelijkheid van Servië?

‘Absoluut. Wel had ik liever gezien dat de internationale gemeenschap de afgelopen zeven jaar meer gefocust was op Kosovo. De vertraging die dat opleverde is niet goed geweest. Ik denk dat daarmee de kans is verspeeld op een andere oplossing, een andere manier om de Serviërs en de Kosovaren met elkaar te verzoenen.

‘Enkele dagen geleden heb ik met Hashim Thaçi gesproken, de nieuwe premier van Kosovo. Hij zei dat hij de Verenigde Staten en mij persoonlijk dankbaar is. Dat vond ik heel bijzonder.’

De verdeling van voormalig Joegoslavië op etnische gronden is nu compleet, kun je zeggen.

‘Wij hebben altijd gehoopt dat de landen op de Balkan multi-etnische samenlevingen zouden worden. In Bosnië is dat gelukt. In Kosovo is het belangrijk dat de burgerrechten van etnische minderheden goed in de gaten worden gehouden. De meerderheid regeert, de minderheid heeft rechten, dat heb ik ook tegen Thaçi gezegd.’

Heeft u eigenlijk spijt van iets in uw carrière?

‘Natuurlijk. Het is heel belangrijk om toe te geven dat je fouten hebt gemaakt. Dat we niets hebben gedaan in Rwanda vind ik betreurenswaardig. Hoewel ik niet de enige verantwoordelijke was. Bovendien was ik VN-ambassadeur en niet minister van Buitenlandse Zaken.’

Albright doelt op de genocide in Rwanda in 1994. Een half miljoen mensen kwamen om.

‘Ik heb al zo vaak over Rwanda nagedacht, ik geef er ook les over. Inmiddels kan ik zeggen dat ik de situatie begrijp, maar indertijd was het helemaal niet duidelijk. De informatie was beperkt. Het was een vulkanische uitbarsting van geweld. We hadden waarschijnlijk niet snel genoeg kunnen ingrijpen. Maar we hadden meer ons best moeten doen.

‘Het doet me denken aan een sollicitatiegesprek, waarin je je slechte eigenschappen moet noemen en dat je dan zegt: ik werk te hard. Maar zo was het wel. Het was zo lastig om prioriteiten te stellen, we probeerden zoveel dingen tegelijk op te lossen.’

U staat bekend als een harde werker en bent heel ambitieus. U bent niet voor niets minister geworden. Wat is uw drijfveer?

‘Ik ben geboren in Tsjechoslowakije, mijn ouders zijn met ons de nazi’s ontvlucht. Na de Tweede Wereldoorlog zijn we teruggekeerd, maar vervolgens zijn we voor het communisme naar Amerika gevlucht.

‘Op latere leeftijd kwam ik er ook nog achter dat ik eigenlijk van joodse afkomst ben. In Praag ben ik naar het Holocaustmuseum gegaan. Daar vond ik de namen van mijn familieleden op de muren. Als mijn ouders niet waren vertrokken, had mijn naam daar ook gestaan.

‘Ik heb de kans gekregen om te bestaan én de mogelijkheid om het verschil te maken, zo heb ik het altijd gezien. Dat is mijn drijfveer. Daarom geloof ik ook zo sterk in democratie, mijn leven toont aan welke kansen het biedt om in een democratie op te groeien.

‘Maar dat ik minister van Buitenlandse Zaken kon worden is nooit in me opgekomen, echt niet. Niet dat ik niet ambitieus was, maar ik had gewoon nog nooit een minister van Buitenlandse Zaken in een rok gezien. Ik wist niet dat dat kon gebeuren.’

Drie dagen na uw afstuderen bent u getrouwd en werd u huisvrouw. Had u geen carrièreplannen?

‘Jawel. Ik wilde journalist worden. Ik schreef voor de universiteitskrant van mijn college en ik heb stage gelopen bij een andere krant. Daar ben ik mijn man tegengekomen. Na ons huwelijk verhuisden mijn man en ik naar Chicago, waar hij een baan kreeg bij een van de vier grote dagbladen van de stad. Tijdens een etentje zei zijn chef tegen mij: ‘so honey, wat ga jij eigenlijk doen?’ ‘Ik wil journalist worden’, zei ik. ‘Dat denk ik niet’, antwoordde hij toen. ‘Door vakbondsregels kun je niet bij dezelfde krant werken en je wilt het je man natuurlijk niet aandoen om voor een concurrent te werken. Waarom zoek je niet wat anders?’ En het gekke was, ik zei: ja.’

U gaf hem gelijk?

‘Je moet wel bedenken dat dit in 1960 was. Nu zou ik wel weten wat ik zou antwoorden. (Ze lacht venijnig.) Maar toen nam ik gewoon aan wat die man zei en begon ik een ander leven. Ik ging parttime werken voor de Encyclopaedia Britannica en ik werd zwanger.’

Albright bleek zwanger van een tweeling. De kinderen werden te vroeg geboren en ze moest ze ruim acht weken in het ziekenhuis achterlaten. Het is tekenend voor haar ambitie hoe ze die tijd vulde. ‘Ik had altijd al Russisch willen leren, dus toen zij in het ziekenhuis lagen, begon ik daarmee.’ Ze studeerde elke dag acht uur en na acht weken beheerste ze de taal vloeiend. Eenmaal thuis met haar dochters begon het te kriebelen. ‘Ik hou heel veel van mijn dochters, maar ik dacht dat ik gek werd. Ik bleef maar denken: heb ik hiervoor gestudeerd?’

Ze begon aan een dissertatie. Elke ochtend stond ze om half vijf op om in alle vroegte aan haar proefschrift te werken, zonder jengelende kinderen in de buurt. ‘Het is gelukt, maar ik heb er een eeuwigheid over gedaan.’

Voor het werk van haar man Joseph verhuisde het gezin Albright naar Washington. Een carrièreplan had Albright absoluut niet. Via via rolde ze een politiek campagneteam binnen. Ze was fondsenwerver voor de school van haar dochters. Dat deed ze zo goed, dat ze gevraagd werd om Edward Muskie te helpen, een Democratische senator die zich kandidaat had gesteld voor het presidentschap. Dat laatste mislukte, maar Muskie stelde Albright aan als assistent. ‘Ik heb gewoon veel verschillende dingen gedaan en uiteindelijk heeft dat tamelijk goed uitgepakt’, zegt ze daar zelf over, met gevoel voor understatement.

Het pakte héél goed uit: Albright werd in 1992 door Clinton benoemd tot ambassadeur bij de VN. Vier jaar later werd ze de eerste vrouwelijke minister van Buitenlandse Zaken in de VS, een baan die ze ‘nog altijd mist’. Een baan die ze naar eigen zeggen nooit had gekregen als ze jaren eerder niet – tegen haar zin – was gescheiden van haar man. Die had haar na 23 jaar huwelijk voor een andere vrouw verlaten en op haar 45ste woonde ze voor het eerst alleen. Om de pijn te stillen ‘vluchtte’ ze in haar werk.

In haar memoires uit 2002 schrijft ze openhartig over haar misgelopen huwelijk. Daarmee hoopt ze andere vrouwen te laten zien dat je jezelf, na een moeilijke scheiding, bij elkaar kunt rapen en toch heel veel kunt bereiken.

De emancipatie van vrouwen vindt ze belangrijk. Mede daarom zou ze Hillary Clinton graag in het Witte Huis zien. ‘Het presidentschap is het laatste glazen plafond in Amerika. Ik denk dat het tijd is dat het wordt doorbroken.’

Komt Hillary andere struikelblokken tegen tijdens haar campagne doordat ze vrouw is?

‘Absoluut. Het lijkt volstrekt normaal te zijn om haar te bekritiseren in seksistische termen. Mensen maken grappen over haar stem, dat ze iets draagt in een kleur die hen niet aanstaat. Ze zou te ambitieus zijn. Bij een man zouden mensen het over moedig of krachtdadig hebben, bij een vrouw wordt ambitieus vaak gezien als iets negatiefs.’

Heeft u zelf met vooroordelen te maken gehad?

‘Zeker. Ik had bijvoorbeeld uitgesproken ideeën over Bosnië, daar was ik heel gepassioneerd over. Dan zei men dat ik te emotioneel was. Bij een man hadden ze dat nooit gezegd.’

Heeft u zich wel eens aangepast?

‘Ik heb geleerd op een andere manier te discussiëren, om dingen niet te persoonlijk te nemen. Dat was heel moeilijk. Ik heb ook leren interrumperen en voor mijn beurt te spreken.

‘Als een vrouw tijdens een vergadering iets wil zeggen, gaat ze er eerst nog een tijdje op broeden. Voor je het weet, zegt een man wat jij wilde zeggen, vind iedereen het briljant en baal je dat jij het niet hebt gezegd. Of de vrouw steekt haar hand op en wacht op haar beurt, maar tegen de tijd dat ze aan de beurt is, slaat haar opmerking nergens meer op.

‘Ik zei het vroeger al tegen mijn studentes: interrumpeer! Maar tijdens mijn eerste vergadering van de Veiligheidsraad – je zit trouwens niet in die grote zaal, maar in een kleintje erachter – was ik mijn eigen les bijna vergeten. Ik zag veertien mannen uit verschillende landen naar me kijken, ik dacht: ik wacht even om uit te vinden wie wie is, tot me opeens te binnen schoot: ojee, dat kan niet, ik ben de Verenigde Staten, ik móet iets zeggen. Dat was zo’n moment waarop ik de girl thing niet kon doen.’

Wat voor obstakels bent u als vrouw nog meer tegengekomen?

‘Er waren mensen die vonden dat een vrouw geen minister van Buitenlandse Zaken kon zijn. Omdat een vrouw niet in staat zou zijn om met buitenlandse leiders te onderhandelen, vooral niet uit Arabische landen. Maar ik was net vier jaar ambassadeur bij de Verenigde Naties geweest en daar zeiden Arabische ambassadeurs: we hebben geen enkel probleem met Madeleine.

‘Dat bleek ook. Ik heb nooit problemen gehad, in geen enkel buitenland. Ik wás de minister van Buitenlandse Zaken. Iedereen die zaken wilde doen met de Verenigde Staten, deed zaken met mij. Zo simpel was het.

‘De enige mannen met wie ik problemen had, zaten in onze eigen regering! Niet dat het slechte mensen waren, maar ze kenden me al zo lang in andere rollen. Als vriendin van hun vrouw, moeder of staffer (een staflid van een partijteam, manusje van alles die even koffie haalt en kopietjes maakt, red.). Ik heb een lange politieke ladder beklommen.

‘Maar ik wil wel benadrukken dat ik ambitieus ben op een gezonde, goede manier. Ik heb altijd geprobeerd anderen niet te vernietigen op mijn weg omhoog en vind het heel belangrijk dat vrouwen elkaar helpen.’

Is dat ook een drijfveer, dat u een rolmodel voor andere vrouwen kan zijn?

‘Ik heb mezelf nooit als rolmodel gezien, ik wilde gewoon goed werk leveren. Je wordt ongemerkt een rolmodel. Nu komen er vrouwen naar me toe die zeggen dat ik hun inspiratiebron ben, dat ze geworden zijn wie ze zijn door naar mijn loopbaan te kijken.’

U heeft drie dochters. Heeft u die opgevoed met het idee dat het belangrijk is een carrière na te streven?

‘Ik heb ze vooral opgevoed met het idee dat ze hard moeten werken. We hadden het thuis altijd over ‘het verschil maken’. Mijn familie heeft zoveel geluk gehad! Even afkloppen.

‘Mijn dochters hebben een fantastische opleiding kunnen volgen en ze hebben altijd willen werken. We hebben de discussie vaak gevoerd, over mij. Ik kom uit een generatie – en dit gaat weer over vrouwen – van wie de vrouwen tegen mij zeiden: waarom ben je niet thuis? Vrouwen hebben de neiging om andere vrouwen een schuldgevoel aan te praten. De vrouwen die thuis blijven proberen de vrouwen die werken een schuldgevoel te geven, en andersom. Dat doen we elkaar aan. En als ik het er dan met mijn kinderen overhad, antwoordden die: we vinden het prettig, de manier waarop jij dingen doet.’

Stilzitten kan de ex-minister nog steeds niet. ‘Als ik alle dingen opsom die ik doe, schrikken mensen soms.’ Ze is voorzitter van het National Democratic Institute, een instelling die democratie promoot. Ze heeft een consultancybedrijf en een eigen investeringsmaatschappij. Ze schrijft boeken, geeft lezingen en zit in het bestuur van een aantal non-profit organisaties. Glimlachend vertelt ze dat ze ‘niet anders zou kunnen of willen’. ‘Ik heb nooit hoeven kiezen, dus doe ik dat ook niet.’

Stel dat de nieuwe president van de VS haar eind dit jaar zou vragen opnieuw minister van Buitenlandse Zaken te worden, zou ze ja zeggen? Haar leeftijd kan geen bezwaar zijn. De Republikein John McCain is even oud en hij gaat voor het presidentschap. ‘Het heeft niets met leeftijd te maken’, roept ze bijna beledigd uit. Maar ze denkt er niet over na. ‘Er is maar één persoon in de Amerikaanse geschiedenis die twee keer minister van Buitenlandse Zaken is geweest, en dat was heel lang geleden, dus*’

Maar stel nu dat u toch gevraagd wordt?

‘Het is de mooiste baan die er is, en ik heb hem gehad. Dat is geweldig. Meer zeg ik niet. Ik stoor me in Washington aan mensen die meer bezig zijn met wat zij zelf doen of gaan doen dan met de verkiezingen. Ik richt me op de verkiezingen.’ *

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden