Roger Norrington maakt van Elgars symfonie een grabbelton

Concertgebouworkest o.l.v. Roger Norrington. Amsterdam (26/11)...

MUZIEK

In Engeland, waar men de gewoonte heeft dirigenten in de adelstand te verheffen (en ondersteuning te weigeren aan hun gezelschappen), was kortgeleden de beurt aan Roger Norrington. Met John Eliot Gardiner heeft hij zich aangesloten bij de eerbiedwaardige broederschap van Sir Thomas, Sir Henry, Sir Malcolm, Sir George, Sir John (Barbirolli) en Sir John (Pritchard), en hun nog springlevende collega's Sir Colin (Davis) en Sir Simon (Rattle).

In dit verband hoort onvermijdelijk ook de naam te vallen van Edward Elgar, wiens muziek bij het opnoemen van de rij al automatisch meeklinkt. Dat Sir Roger (Norrington) deze week zijn debuut bij het Concertgebouworkest maakte met Elgars Eerste Symfonie, bewees dat het toeval soms over een ijzeren logica beschikt.

Helaas werd niemand er beter van, en zeker niet Edward Elgar, wiens symfonie als een plumpudding in elkaar zakte. Het is misschien niet Elgars sterkste werk, deze symfonie met haar boeiende openingsthematiek en haar moeizame vervolg, maar er bestaat wel een verschil tussen dirigeren en de boel laten versukkelen.

De beweging waarmee Elgar opent, een bedachtzaam voortstappen, waarbij zich een melodie ontspint waarin de componist op van alles en nog wat lijkt te broeden - het miste ook donderdag zijn uitwerking niet. Maar er hoefde maar een crescendo aan te pas te komen of de narigheid sloeg toe. Van balans in de orkestklank heeft Norrington geen kaas gegeten. Hij lijkt er ook niet in geïnteresseerd. Zijn gebaar is er niet op afgestemd (met een linkerhand die werkloos blijft of de rechter nabootst), en het is de vraag welk ander middel hij ervoor achter de hand heeft.

Het gaat van 'wat mee doet doet mee, en we zien wel wat er boven komt'. Motieven in boven- en middenstemmen, mixturen van hout en koper, het duikt op, het blijft weg; het is willekeur hier en verbrokkeling daar. Voeg er Norringtons gewoonte bij om nu eens zomaar een cadanswisseling in te zetten, en dan weer glashard heen te spelen over een expliciete caesuur, en je krijgt iets dat geen Elgar is maar een grabbelton.

Even werd het mooi en warm (eind derde deel, waar het langzaam verstomt), maar ook in warm is Norrington niet geïnteresseerd. Zijn ideaal is een kale orkestklank, die ten onrechte wil doorgaan voor transparant.

Transparant wil het bij Norrington alleen zijn als hij weet wat hij met de noten aanwil. Dat was donderdag het geval in onderdelen van het Pianoconcert nr 2 van Beethoven. Die componist kent Norrington nog uit de tijd van zijn snelle opmars door het repertoire, met zijn ensemble The London Classical Players. Zeg maar de tijd dat Norrington de achtste van Beethoven stond te zwaaien, terwijl de Classical Players nog bezig waren aan de zevende.

Omdat ook de pianist Ronald Brautigam van Beethoven houdt, werd het nog bladzijden lang een vrolijke boel met het pianoconcert nr 2. Temeer omdat Sir Roger heer Ronald niet achter zich maar voor zijn neus had opgesteld, wat de eenheid ten goede kwam.

Het probleem is niet dat Beethovens hoofdthema's geen onthaal vinden bij Norrington. De narigheid is dat hij niet thuis geeft als Beethoven aan het doorwerken slaat. Daar begint een dof afwachten tot de riedel weer langskomt. Wat moet het Concertgebouworkest daar eigenlijk mee?

Roland de Beer

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden