Roetmop-Otello wekt schrik en mededogen

Otello, door de Nederlandse Opera. Amsterdam, Muziektheater, t/m 24 juni. Televisie: NPS, 20 oktober...

Een Otello-partituur die als een laaiend vuur voorbijtrok. De triomf van een Otello-tenor - en dat in tijden van tenorenschaarste. Een regie die de rassentegenstelling fel en meedogenloos belichtte. Hemellichamen die ervan in de war raakten, in een firmament dat van kleur verschoot.

De Verdi-opvoering die zich zaterdag ontrolde bij de Nederlandse Opera kon zo schitterend niet zijn of er was iets mis mee - naar de mening althans van een groep hardnekkige boeroepers.

De fluitconcerten die vanaf de balkons neerdaalden op de Vladimir Bogatsjov (Otello) en Timothy Noble (Jago), op het Concertgebouworkest en op Verdi's hoogsteigen heraut Riccardo Chailly, konden worden opgevat als Begeisterungspfiffe. Maar toen de regisseur Klaus Michael Grüber, de decorontwerper Eduardo Arroyo en de kostuumtekenares Moidele Bickel hun gezichten lieten zien, sloeg in het Muziektheater de gekke-koeienziekte weer toe.

Terwijl Grüber en Bickel toch weinig meer op hun geweten hadden dan een uitmonstering van hem die moet worden uitgemonsterd (de Moor maakte roetzwart zijn opwachting), en Arroyo zich maar een kleine vrijheid had gepermitteerd, bij de situering van het slaapvertrek waarin Desdemona de dood vindt.

Het was, toegegeven, niet het intieme salet dat Verdi's librettist Boito in gedachten had toen hij haar echtgenoot Otello, vrij naar Shakespeare, liet binnensluipen di una porta segreta. Bij Grüber en Arroyo zingt Desdemona haar Wilgenlied bij een bruidsbed op een groot open capitool, hoog boven de stad.

Het beeld doet in zijn desolaatheid enigszins denken aan de poolvlakte met Elsa's bruidssponde in de ijzige Lohengrin-enscenering van Werner Herzog in Bayreuth. Maar schitterend is de vondst van de adelaars op de rand van Desdemona's stenen bruidsbed - ze zijn aan komen vliegen uit Desdemona's Wilgenlied, waarin 'vogels neervlogen van donkere takken'.

Als de door jaloezie verteerde Moor haar wurgt, valt een bruidskleed uit het zwerk - een citaat uit de befaamde Otello-enscenering van Peter Stein in Cardiff en Brussel. Maar fraaier nog is het beeld van de reusachtige maan, die langzaam benaderd wordt door een roodgloeiende zon - tot de zon achter de maan verdwijnt, als in de slotmaten de stervende Otello zijn dode bruid de laatste kus geeft.

Met deze astronomisch twijfelachtige actie creëert Grüber een fantastisch beeldrijm, samenvallend met het herinneringsmotief dat Verdi in de slotmaten heeft aangebracht. De muziek echoot daar de lyriek van de eerste akte: het duet waarin Otello zijn liefde heeft getoonzet, en Desdemona haar bewondering bezong voor haar militair en landvoogd.

Grüber zet dat duet neer op de kade van Cyprus. Otello staat op het havenhoofd. Desdemona/Lucia Mazzaria nadert hem langzaam, tot zij haar kus kan drukken op des Moren 'dikke lippen'.

De hemellichamen in de slotscène geven een sterk ruimtelijk cachet, welkom omdat Verdi in zijn wijsheid besloten heeft Otello niet al te veel noten meer te geven. Otello is, na de ontluisterende scène waarin 'de gevleugelde leeuw' Desdemona ter aarde werpt en zelf publiekelijk ineenstort, min of meer uitgezongen. Het volk klampt zich in die sleutelscène vast aan een kooi met een slapende leeuw (alweer een fantastisch beeldrijm).

Maar in Otello is elke scène een sleutelcène, zoals niet alleen Chailly laat horen, maar Grüber ook laat zien. Het is een even liefdevolle als schrille Otello-enscenering, waarin het menselijk tekort aan de kaak wordt gesteld met quasi-romantische middelen.

Onvermijdelijk is de associatie met Victor Hugo, die de Moor van Shakespeare vergeleek met 'de nacht, verliefd op de dag'. Voor negentiende-eeuwers moet de vereniging van zwart en wit minder onvoorstelbaar zijn geweest dan voor Elisabethanen. Maar de veelzijdigheid van Shakespeares Othello en Jago, de intrigant, zijn in Verdi's Otello minder aan de orde.

Grüber, consequent, zoekt niet naar Shakespeariaanse psychologieën, maar naar schrik, ontzetting en deernis. Desdemona - vertolkt door een vocaal niet volgroeide, maar bewonderenswaardig pure Mazzaria, ingevallen voor Charlotte Margiono - is blank en blanco.

Even choquerend als de schommelende harnassen in Grübers jongstleden Parsifal-regie, is het rondtasten van Desdemona en de waanzin van de tot roetmop gesublimeerde Moor - wiens tragiek niet zozeer het leed is van de verdenking die hem door Jago wordt opgedrongen, als wel het besef dat hij buiten de gemeenschap staat.

Bogatsjov vertolkt hem met n rollende ogen, maar ook met subtiele gebaren van machteloosheid - en met een 'Russische', ietwat smekende, maar ongelooflijk klankrijke tenor.

Geniaal is de uitwerking van Jago door de Amerikaan Timothy Noble. Geen 28-jarige intrige-artiest, maar oud en ranzig, schmierderig op het publiek spelend in zijn grote negatieve Credo-aria (en daarmee de toeschouwer medeplichtig makend), maar tegelijk zeldzaam geraffineerd in zijn vocale en mimische aanpassing aan de slachtoffers die hij bespeelt - zoals de flamboyante Cassio (de tenor Vicente Ombuena).

Chailly's scherp geëtste partituurweergave levert de felle gloed zonder welke dit alles lachwekkend zou wezen.

Roland de Beer

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden