Rocco on a roll

Rocco Granata kan nog altijd leven van zijn rechten op de hit Marina. Deze week ontvangt hij een oeuvreprijs en gaat een speelfilm over zijn leven in première.

Eén keer is Rocco Granata (Figline Vegliaturo, 1938) hier als mijnwerkerszoon naar beneden gegaan, in de schacht die tot een diepte van ruim 1.000 meter reikte. 'Ik zag er slaven. Nee, erger. Met een soort mitraillettes stonden ze tegen de wanden te kloppen. Dat lawaai, het stof. Weet je waarom ze dennenhout gebruikten om de gangen te stutten? Dat maakt onder druk een knappend geluid. Dan weet je dat de zaak op instorten staat en je ervandoor moet.'


Hij dwaalt vandaag wat verloren tussen de gebouwen van de steenkoolmijn van Waterschei, Belgisch Limburg. Een aantal is vervallen, het hoofdgebouw is gerenoveerd, de schachtbok staat nog overeind. 'Was de lift hier? Ik ben er niet zeker van.' Twee oud-kompels die gidsen op het terrein, Barto Di Liddo en Brando Aurelio, frissen zijn geheugen op. Daar, over de passerelle, van de lampenzaal naar het schachtgebouw, moet hij gelopen hebben.


Die ene keer in de donkerte, de hitte en de herrie volstond. Rocco ging niet in navolging van zijn vader, Salvatore uit Calabrië, de mijnen in, zoals Barto en Brando en met hen duizenden immigrantenzonen wel deden. Hij staat hier als gevierd zanger uit Vlaanderen, met immer hese stem. Vertolker en schepper van Zomersproetjes, Buona Notte Bambino en Du schwarzer Zigeuner. Maar eerst en vooral van Marina, het nummer dat hem in 1959 en de jaren daarop vanuit Waterschei naar Carnegie Hall in New York en de verdere wereld katapulteerde.


Ergens tussen '0 en 100 miljoen keer' moet het zijn verkocht - hij is de tel kwijtgeraakt. Dean Martin, Louis Armstrong, Marino Marini, Dalida, The Gipsy Kings, onder vele anderen, maakten er hun eigen versie van.


Wat eraan voorafging, is nu te zien in de bioscoopfilm Marina van de Belgische regisseur Stijn Coninx. Als 10-jarige reisde Rocco in 1948, met zijn zusje en moeder, vader Salvatore achterna, die een jaar eerder de ijzersmederij in Calabrië had ingewisseld voor de kilometers lange mijngangen van Waterschei. Rocco ging er naar school, sleutelde aan Vespa's, BSA's en Horexen en trad op met zijn accordeon - eerst een Hohner, daarna een zwarte Stradella met inleg van parelmoer - in cafés, totdat Marina hem wereldberoemd maakte.


Bijna 500 duizend Vlamingen zijn al naar de film geweest, de Nederlandse première is donderdag. Het succes brengt de herinneringen weer naar boven, gevoed door een tocht langs de plekken van toen.


Wie was Marina eigenlijk, Rocco? Nee, niet een meisje aan wie een jonge zuiderling zijn liefde verklaarde. Marina was een sigarettenmerk. Granata stond met zijn trekzak alleen op het podium van Het Berkenhof in Diest, de overige leden van zijn Quintetto Internazionale pauzeerden. Hij improviseerde, zijn vingers gleden over de toetsen, zijn oog viel op een reclamepaneel aan de wand achter de bar. Een mooi meisje, een kringeltje rook. En daar was ineens de melodie, daar kwamen de woorden. Mi sono innamorato di Marina, una ragazza mora ma carina.


Het kwintet nam de instrumenten op. Hij zei dat de drummer 'tikketikke tikketikke' moest doen, een rumba, en de bassist simpel 'pom, pom, pom, pom' en de gitarist 'tsjakke, tsjakke'. G majeur, D7, G majeur, D7. Meer was niet nodig. Marina, Marina, Marina.


Rocco loopt door de Kwikstaartstraat, in de cité van Waterschei, de voormalige mijnwerkersbuurt. Een rijtje van drie 'tweegevelwoningen', de middelste was van de Granata's. 'Mooi. Rustig. Kijk hoe breed de lanen hier zijn.' Hij wijst waar vroeger de Economat was, de kruidenierswinkel, en hotel Concordia, waar Italiaanse mijnwerkers zonder vrouw verbleven. 'Die kwamen graag als ik ergens speelde.' Het gezin woonde eerst een jaar in een barakkenkamp, waar het vaak koud was en modderig.


Salvatore vertelde zijn zoon al snel dat hij niet in de mijn moest gaan werken. Beestenwerk was het, hij heeft hem een keer de smerige douches getoond. Later zou zijn broer, zio (oom, red.) Pasquale, overlijden aan stoflongen, opgelopen in de mijnen van Limburg en Mons. Zelf hoestte Salvatore veel.


Er is nog een andere herinnering aan de Kwikstaartstraat. 'Mijn vader heeft mijn accordeon eens naar buiten gesmeten.' Dat Rocco hier staat als zanger-muzikant was niet vanzelfsprekend. De mijn was geen toekomst, vond zijn vader, maar het podium evenmin. Een andere broer, zio Vincenzo, had thuis in Calabrië het slechte voorbeeld gegeven. Veel optreden, 's avonds laat stomdronken thuis en geen lire verdiend. Muzikant, dat is geen beroep.


Rocco was om zijn vader te plezieren het vak van monteur gaan leren, bij de Vespagarage van Hans Kumberger. Maar intussen speelde hij stiekem kuskesdansjes met zijn kwintet in cafés als Krak Pils, America, Smets en De Leuvenaar. Zijn vader kwam er uiteindelijk toch achter. Toen Rocco bij een auto liters olie bijvulde in een al vol carter en het voertuig om de hoek met een luide knal tot stilstand kwam, riep Kumberger, die hem graag in de cafés hoorde spelen, Salvatore bij zich. Rocco moest maar eens kiezen: muzikant of mekanieker. Terug thuis zag hij hoe de Hohner de deur uit vloog.


Hoe Marina op de band kwam, zegt Rocco, dat is ook 'een story op zichzelf'. Hij had gespeeld op een festival in Seraing, bij Luik, met een eigen lied, zijn eerste eigen nummer, E primavera, het is lente. De zwaluwen keren terug, enkel jij keert niet naar mij terug. De jury koos een lokale zanger tot winnaar, maar de zaal riep No, no vogliamo Rocco! Hij kwam weer op, hij zei tegen zijn muzikanten dat ze weer G majeur, D7 moesten spelen. Ze moesten het drie keer herhalen. Muziekuitgevers kwamen na afloop op hem af. Ze boden tot een half miljoen francs, 12.000 euro. Hij weigerde. 'Ik was net 20! Mijn vader verdiende dit niet met jaren werken in de mijn.' Het was uiteindelijk een schoonzoon van een café-eigenaar die voor hem een studio in Brussel regelde.


Manuela werd de A-kant, een nummer 'met wel acht, negen, tien akkoorden'. Volare (oh oh) moest de B-kant worden. 'Maar ik kon het ineens niet. Hoe kon ik Domenico Modugno zingen? Hij was een god voor mij.' Marina dan maar? De tekst was nog niet eens af. De technicus werd ongeduldig, de tijd begon te dringen. Waar blijft die regel? No non mi lasciare, non mi devi rovinare. Maar daarna? Dit viel hem in: o, no no no no no. Af. Catchy. Bepalend voor het lied. 'Straf, nietwaar?'


De tap in het verenigingsgebouw van de Associazioni Cristiane Lavoratori Italiani, in het hart van de tuinwijk in Winterslag, staat open. Deelnemers van de Rocco & Marinatours, die met een busje langs de filmlocaties en oude mijnsites zijn gereden, drinken een pint ter afsluiting. En ineens staat daar Rocco! Rocco zelf! Ze klampen hem aan, ze omhelzen hem. Hij lacht, gaat met ze op de foto, zet handtekeningen. Kent ge me nog, Rocco? Provinciaal voorzitter van de ACLI, de christelijke vereniging van Italiaanse werknemers, Fernando Marzo, noemt de zanger 'een van onze pioniers'. 'Hij heeft bewezen dat je als migrant de horizon kunt bereiken.'


Zo vriendelijk zijn de Belgen niet altijd voor u geweest, toch, Rocco? Voor zijn school - zijn klas was het vierde raam van rechts - had hij nog verteld dat leerlingen die kleine spaghettivreter nogal eens omver hadden gestoten. 'De paters zagen me wel graag. Ik was misdienaar.'


In de cafés had hij gezien hoe ouders van Vlaamse meisjes verstijfden als hij de rumba of bolero inzette en de mooie, donkere Italianen hun dochters ten dans vroegen. Denk erom, geen gefoefel, no foefelare! Bij de mijn herinneren oud-kompels Barto en Brando zich nog Vlaamse synoniemen van de Italianen: luierik, hoerenbok, vlooizak.


Fernando Marzo begrijpt het wel. 'Het was een andere tijd. De Vlamingen zagen ons als concurrenten. Het evenwicht werd verstoord. Het was een invasie, eens in de veertien dagen kwam er een trein met vijf- tot vijftienhonderd Italianen aan. Eerst uit het noorden, die waren al modieus gekleed, die hadden stijl. En dit hier was een boerendorp.'


Rocco: 'Ik ben blij in België te zijn. Ik ben ook blij in Nederland te zijn. Of in Amerika. Maar ik ben er fier op Italiaan te zijn.'


Nog een 'story op zichzelf': hoe Manuela/Marina aan de man werd gebracht. Geen enkele maatschappij wilde een plaat van de opname maken. De man die Rocco ook de studio in Brussel had binnengeloodst, besloot er dan maar zelf driehonderd te laten persen. Het Quintetto Internazionale ging er de boer mee op, Rocco's boezemvriend Jozef Vliegen bracht exemplaren naar de foorkramers, die het nummer wel tien keer op een dag op de kermis draaiden.


Betty Gyselinck, toen Peeters, vertelt hoe de vijf muzikanten de zaak met witgoed van haar ouders betraden, met het verzoek of ze er vijfentwintig mochten achterlaten. Ze wilde het plaatje eerst horen, ze viel voor de melodie in combinatie met het ritme. Betty bracht de platen naar cafés, waar ze in de jukebox belandden. Een paar dagen later moest ze op zoek naar Rocco. Ze wilde er nog vijftig bij. Iedereen wilde Marina.


Een muziekuitgever, die ook eigenaar was van een kleine maatschappij in Antwerpen waar de productie van de single nu wel op gang kwam, had contacten in de Verenigde Staten. Marina kwam binnen op 98 van de Cashbox 100 en begon aan een gestage opmars, tot de twaalfde plek.


Op zondag 22 november 1959 stond Rocco, mijnwerkerszoon van 21 uit Waterschei, in Carnegie Hall. Presentator Lou Spencer had hem opgedragen eerst het podium te betreden, waarna een assistent hem de zwarte Stradella zou aanreiken. Foert, dacht Rocco. Hij rukte het instrument al achter de gordijnen uit diens handen en liep zo het licht van de schijnwerpers in. Een accordeon is als een vrouw, die laat je je niet aanreiken, die omhels je, druk je tegen je aan. En hij speelde zijn loopjes, op G majeur, D7.


Hij heeft de rechten nooit verkocht, hij kan er nog steeds van leven. Rocco: 'Achteraf is het mijn geluk geweest dat niemand mij wou.'


Ze willen hem nu nog altijd. Rocco Granata krijgt zaterdag 8 februari een Lifetime Achievement Award uitgereikt tijdens de show van de Music Industry Awards in Vlaanderen. Hij is er blij mee. Maar in de slagschaduw van de schachtbok in Waterschei houdt hij even de pas in om te bekrachtigen wat hij nu gaat zeggen. 'Ik draag alle eerbetoon, alle prijzen die ik heb gekregen altijd op aan één groep: die van de mijnwerkers.'


De mijn en de garage


De film Marina heeft geleid tot de Rocco & Marinatour (Il Giro Ufficiale). Toeristen gaan langs de Vlaamse locaties waar de film is opgenomen, zoals de mijn in Beringen, de garage waar Rocco werkte, de platenwinkel waar hij zelf zijn single naartoe bracht en de tuinwijken voor de mijnwerkers. Er is mogelijkheid voor lunch of diner bij de club van de Italiaanse werknemersvereniging in Genk. Miningandmore.be










Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden