Interview

Rob Bauer was 3,5 jaar ’s lands hoogste militair: ‘Je kunt niet volstaan met alleen maar kletsen’

Admiraal Rob Bauer neemt afscheid als commandant der strijdkrachten. Hij is benoemd tot voorzitter van het NATO Military Committee. Beeld Kiki Groot
Admiraal Rob Bauer neemt afscheid als commandant der strijdkrachten. Hij is benoemd tot voorzitter van het NATO Military Committee.Beeld Kiki Groot

Rob Bauer zwaait af als Commandant der Strijdkrachten. Hij was als hoogste militair van het land betrokken bij zowel de nasleep van de luchtaanval op Hawija in Irak, als die van de slag bij Chora in Afghanistan. ‘Oorlog heeft heel veel nare kanten en wij kennen ze omdat we er dagelijks ons werk in doen.’

‘We dachten altijd dat iedereen wel begrijpt dat je geld nodig hebt om het land veilig te houden. Het doet dus ook pijn, en de commandanten schamen zich er een beetje voor, ik ook, dat we met zo’n boodschap naar buiten moeten. Zeker voor een land als Nederland, wat de zesde economie is van de EU en de 18de of 19de economie van de wereld.’

Luitenant-admiraal Rob Bauer, die donderdag zijn positie als hoogste militair van het land inruilt voor een hoge post bij de Navo, refereert aan het opmerkelijke interview dat de vier commandanten van de krijgsmachtonderdelen onlangs gaven aan dagblad Trouw – waarin ze beschreven de klaplopers te zijn van de Navo.

Bauer ziet een wereld die aan alle kanten onveiliger wordt, maar waarvan de urgentie in Nederland nauwelijks doordringt. Naast toenemende digitale dreigingen en aanvallen op civiele doelen, zijn landen als China en Rusland ook bezig met een grote opbouw en modernisering van hun conventionele wapens én hun kernwapenarsenalen, signaleert Bauer. ‘Je ziet in onze samenleving een neiging om ons vooral te richten op die digitale dreiging, want dat is iets dat men in Nederland nog voelt en begrijpt. Die andere zaken voelen we minder omdat we ver van Rusland afwonen en ver van de Middellandse Zee. Ons besef van onveiligheid is beperkt.’

De grote Russische troepenopbouw langs de grens met Oekraïne en op de Krim is een actueel voorbeeld van ‘hoe de Russen hun spierballen laten zien’, zegt Bauer. ‘Iedereen begrijpt hoe nijpend de situatie is waarin Oekraïne zich bevindt. Het is een boodschap.’

‘Stervende organisatie’

De afgelopen jaren is er voor het eerst structureel geld bijgekomen voor defensie, maar de effecten van een kwart eeuw bezuinigen en inkrimpen zijn nog lang niet weggewerkt, zegt Bauer. Al ziet hij wel lichtpuntjes: ‘Onze mensen zitten beter in hun vel dan 3,5 jaar geleden. Betere arbeidsvoorwaarden hebben een deel van het cynisme en de boosheid weggenomen. Dat cynisme was er ook omdat mensen na dertig jaar eigenlijk dachten: waarom zou ik willen blijven werken bij een dying organisation?’

‘Maar het herstel is heel kwetsbaar, heel fragiel’, voegt hij eraan toe. ‘Als er niet extra geld komt, dan moeten er ingewikkelde keuzen worden gemaakt in de nabije toekomst. Er is bijvoorbeeld, ondanks investeringen, nog steeds te weinig geld voor munitie. We zetten de tering naar de nering door schepen aan de kant te leggen, vliegtuigen aan de grond te houden en oefeningen voor landeenheden niet door te laten gaan. Dat is de pijn. En ook dat we op een aantal gebieden minder kunnen aanbieden aan de Navo en de EU.’

Desondanks is defensie wel blijven bijdragen aan internationale operaties – waarbij militairen ook steeds vaker in oorlogssituaties verzeild zijn geraakt. Momenteel speelt een rechtszaak over gevechtshandelingen bij het Afghaanse Chora in 2007, eerder moest minister van Defensie Ank Bijleveld zich vier keer verantwoorden voor een luchtaanval op een bommenfabriek van terreurorganisatie Isis in Hawija, Irak, in 2015, waarbij tientallen burgerslachtoffers vielen.

De les van Srebrenica

Maar net als bij andere Nederlandse defensiedebatten ontbreekt ook hier vaak de militaire stem. Wat opmerkelijk is in een samenleving die gevoelsmatig net zo ver afstaat van hedendaagse dreigingen als van krijgsgewoel. ‘Wat vaak ontbreekt’, zegt Bauer, ‘is de context en de kennis.’

‘De les van Srebrenica is dat je over militair escalatievermogen moet beschikken. We hebben na Srebrenica gezegd: het kan ons nooit meer gebeuren dat we voor het inrijden van de vallei de wapensystemen van de militaire voertuigen laten halen. Onze inzet is veranderd over de jaren. In 1999 in Kosovo hebben we echt Milosevic op zijn lazer gegeven, in die coalitie. Wij hebben daar ook aan geloofwaardigheid gewonnen, als land. Dat we niet alleen bereid zijn te kletsen over dingen, maar het ook te doen. Er is zoiets als risk sharing. Dat laat je zien door verantwoord een risico te nemen, het gevecht aan te gaan.

‘Er is geen schone oorlog. Oorlog heeft heel veel nare kanten en wij kennen ze omdat we er dagelijks ons werk in doen. Ik heb nog nooit een militair gehoord die blij uit een wapengevecht terugkwam. Zo’n gevecht heeft een enorme impact op onze mensen. Daarom deed die waanzinnige uitspraak van Özturk (het toenmalig Denk-Kamerlid noemde Nederlandse militairen tijdens een Kamerdebat over Hawija ‘moordenaars’, red.) ook zoveel. Het is natuurlijk nooit de bedoeling, maar het oorlogsrecht is geschreven vanuit de wetenschap dat burgerslachtoffers niet altijd te voorkomen zijn.’

Ook in de Tweede Kamer, die deelname aan oorlogen goedkeurt, horen we militairen eigenlijk heel weinig. Waarom?

‘Nou, ik geef voorafgaand aan missies vaak wel vertrouwelijke presentaties. Maar de Kamer gaat erover wie ze uitnodigen. Het is misschien de Nederlandse cultuur: ik word minder vaak uitgenodigd in de Tweede Kamer dan een aantal Navo-collega’s van me. Maar het is dus niet zo dat we worden uitgenodigd en zeggen ‘ik ga niet’.’

Wat is de context van de luchtaanval op Hawija in 2016?

‘Men wilde dat we wat gingen doen aan Isis. Er was vanuit de samenleving en de Tweede Kamer een roep om hard optreden. Er moest gebombardeerd worden. In Hawija ging het om een legitiem militair doel: een fabriek waar bermbommen gemaakt werden. Maar er lagen meer explosieven dan uit inlichtingen duidelijk was geworden. Daardoor is die explosie groter geweest dan de inschatting op het hoofdkwartier waar die missie werd gepland. Dat we daarover destijds als Nederland niet transparant over waren, wordt ons verweten. Ik denk dat we die les geleerd hebben. Maar hoeveel burgerslachtoffers waren er gevallen als we die fabriek niet hadden aangevallen?’

Ook de gevechten in het Afghaanse Chora in 2007 staan weer in de schijnwerpers.

‘Wij waren in 2007 heel transparant en drie onafhankelijke onderzoeken concludeerden dat wij het oorlogsrecht niet hebben geschonden. We hebben toen gezegd dat er oorlogsslachtoffers waren gevallen en een vergoeding betaald, ook voor de quala (een ommuurde woning, red.) die nu speelt in een rechtszaak. Je kunt nu zeggen: dat is niet genoeg. Dat mag. Maar als je dit verhaal vertelt in 2021, voor een deel – zeg ik er bewust bij – uit de context, dan krijg je een ander verhaal dan wanneer je spreekt met de militairen die daar hebben gevochten. En dat is het dilemma: hoe is het voor militairen die ergens naar eer en geweten hebben opgetreden, in naam van de regering, die zich hielden aan het internationaal oorlogsrecht, om later impliciet een soort veroordeling te krijgen via de krant of andere kanalen? Het probleem is dat er niet altijd kennis is over dit onderwerp, maar mensen wel een mening hebben – en als militair zit je dan soms, zoals nu, gevangen in een rechtszaak waardoor we er minder open over kunnen spreken als sommigen zeker zouden willen.

‘Chora was een verdedigend gevecht waarbij honderden Talibanstrijders in dat gebied aan het uitwaaieren waren. Het gaat bij dit soort discussies vaak niet over goed of fout, maar over dilemma’s. Het is de keuze die een commandant maakt gegeven de omstandigheden, op basis van de informatie die hij had, en zijn opdracht. Voor hetzelfde geld hadden we ons teruggetrokken en hadden we nu een rechtszaak gehad als daar een massamoord was geweest door de Taliban – en ‘waar waren wij?”

Het is opmerkelijk dat het Reuters-bericht direct na Hawija, dat sprak over tientallen burgerdoden, destijds geen enkele Nederlandse krant haalde.

‘Sterker, de luitenant-generaal die daar de leiding had, heeft het in zijn persbriefing ook gezegd. Hij heeft het expliciet gehad over grote aantallen burgerslachtoffers. Dus je ziet een soort uitgestelde verontwaardiging.’

Een veteraan vroeg mij: waarom verkopen de generaals nooit een keer ‘nee’ als het gaat om nieuwe missies?

‘Toen ik deze functie kreeg, heb ik beloofd dat ik nee zou zeggen als dat nodig was. En dat heb ik ook gedaan. Maar het is niet zo’n zwart-witte discussie als mensen denken. Dat als er een vraag komt ‘kunnen we op missie naar Mali’, dat ik dan zeg: ‘Nee.’ Zo werkt het niet. Als er bijvoorbeeld een maximumaantal troepen is dat je wilt uitzenden, dan zal ik de missie daarop aanpassen. Dan moet je ambitie naar beneden. Maar er is een mooie uitspraak van admiraal Michiel de Ruyter uit de 17de eeuw: ‘De heeren hebben mij niet te verzoeken doch te gebieden. Al had ik één schip, ik zou te zee gaan.’ Dus dat is iets in onze genen.’

U krijgt bij de Navo te maken met Amerikanen die willen dat Europa meer doet. Horen Irak, Afghanistan en de Sahel daar ook bij?

‘De dreiging is niet weg omdat de Amerikanen stoppen. Ons achter de dijken terugtrekken in neutraliteit, dat hebben we eerder geprobeerd – en de vraag is of dat in deze wereld nog een optie is. De harde werkelijkheid van die dreigingen in de wereld is dat je niet kunt volstaan met alleen maar kletsen. Je zult ook spierballen moeten kunnen laten zien.’

Commando-overdracht

Donderdag is in de Ridderzaal in Den Haag de commando-overdracht van luitenant-admiraal Rob Bauer aan luitenant-generaal Onno Eichelsheim. De overdracht gebeurt vanwege corona op sobere wijze.

Bauer wordt de nieuwe voorzitter van het Militair comité van de Navo in Brussel. Dat comité, waarin de commandanten der strijdkrachten van de dertig Navo-lidstaten vertegenwoordigd zijn (drie keer per jaar persoonlijk, anders via de permanente militaire vertegenwoordiger), geeft onafhankelijk militair advies over alle kwesties waarover politieke besluitvorming nodig is.

Eichelsheim, de nieuwe Commandant der Strijdkrachten (CDS) verdiende onder andere zijn sporen als commandant van het 301 Apache Squadron, als detachementscommandant in Uruzgan (2006) en als directeur van de Militaire inlichtingendienst MIVD (2016-2019). Sinds juli 2019 diende hij als plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden