Rituelen van respect

De Mongolische nomaden zijn na een regenloze zomer en de ergste winter sinds dertig jaar met hun overgebleven paarden en koeien naar graziger weiden getrokken....

Op haar krukje troont Tsevelsonom als een vorstin in haar tent. De gasten dienen zich te melden bij haar, de matriarch van de vier gezinnen die hier in de wildernis van de Gobi-woestijn hun ger hebben opgeslagen. Ze heet hen welkom en vraagt waar ze vandaan komen. Gids Ariunbold behandelt ze als een oude bekende. Ze biedt zelfgebakken broodkoekjes aan en gebiedt een van haar dochters thee te zetten en een homp gedroogd vlees fijn te stampen.

Tsevelsonom weet alleen dat ze geboren is in het jaar van de Hond. Haar kinderen, zeven heeft ze er, hebben haar verteld dat ze 94 is. Ze ziet er verweerd uit, het gezicht één en al rimpel, de handen één en al knook. De del die ze draagt, de lange mantel van de Mongolische nomaden, moet al vele jaren geleden zijn kleur hebben verloren.

Haar ogen, oren en benen zijn niet best meer. Toch is ze onafgebroken bezig. Op haar ongelijke krukken schuifelt ze de tent in en uit. Voortdurend is ze met haar sleutelbos in de weer om wrakke kastjes open en dicht te maken. Intussen regeert ze volop. Vanaf zijn foto op het boeddhistisch huisaltaartje kijkt haar lang geleden gestorven echtgenoot toe.

De mannen zijn met de overgebleven paarden en koeien naar graziger weiden getrokken. Tsevelsonom is met de vrouwen en kinderen, de kamelen, schapen en geiten achtergebleven. Na een regenloze zomer hebben ze de ergste winter sinds dertig jaar achter de rug, met temperaturen tot veertig graden onder nul en een dik pak sneeuw. Het weinige gras was daardoor voor de dieren onbereikbaar geworden.

Maar nu moeten de beesten én de mensen nog de zomer zien te halen. Hopelijk valt er dit jaar genoeg regen om het leven te laten terugkeren. Wat het centrale deel van de Gobi het vee op dit moment te bieden heeft, is niet veel soeps: magere sprietjes, pollen en distels. Alle sprietjes bij elkaar wekken de indruk van een immens lichtgroen tapijt, maar van dichtbij gezien bestaat het tapijt vooral uit zand en stenen.

Steppenbranden teisteren Mongolië. Deze streek heeft er geen last van, want er is niets dat branden kan. Voor koeien zijn er vaak alleen nog maar distels. Normale kost voor geiten en kamelen, maar voor koeien onverteerbaar. In paardenmagen zijn stenen aangetroffen. De gevolgen van de ramp zijn overal te zien, ook bij Tsevelsonoms tent: krengen en karkassen van dieren die door de honger zijn geveld.

Het zijn er al tweeënhalf miljoen. Voordat het nieuwe gras hoog staat, kunnen het er vijf miljoen worden. De lijkopruimers van de natuur - gieren, honden, zon en wind - kunnen het werk niet aan. De regering wil vanwege besmettingsgevaar de krengen verbranden. Makkelijk gezegd. Wie kan de benzine betalen?

Op een heuvelrand doemt een groep kamelen op, die na het grazen terugkeert naar het bescheiden tentenkampje. Een dochter van Tsevelsonom gaat hen voor op de fiets. Ze had op een paard moeten zitten, maar paarden zijn er niet meer. Sommige herders rijden tegenwoordig zelfs op een motorfiets. Het vloekt met alle tradities, de dieren worden schichtig van het lawaai, maar waarom zouden de herders de Middeleeuwen niet mogen verlaten?

De dochter, Tserenhand, is zelf moeder van elf kinderen, van wie er vier zijn getrouwd. Haar man Muntag is sinds oktober weg. Met zijn paarden is hij naar het zuiden van de Gobi getrokken, waar het beter grazen is voor het vee. Veel getroffen herders zijn op dezelfde gedachte gekomen, zodat daar een nieuw drama dreigt: overbegrazing, dus verdere woestijnvorming.

Tserenhand vertelt over de zud, de door het barre weer veroorzaakte hongerramp. 'De zomer was erg heet, daardoor konden we geen hooi maken voor de winter. Vroeger, onder het socialisme, werd hooi aangevoerd uit het noorden. Daar zijn veel betere weidegebieden dan hier. We hebben wel wat hooi gekocht, maar het was veel te weinig.'

In het begin dacht ze dat het mee zou vallen, maar de sterfte ging door. 'In één nacht verloren we dertig schapen. We hadden twaalfhonderd schapen en geiten. Er zijn er vijfhonderd over. We hadden tweehonderd paarden en koeien, en nu 22. Gelukkig zijn van onze twaalf kamelen alleen de twee jongste doodgegaan. Er zijn mensen die al hun vee kwijt zijn.'

Het ergst is de dood van de paarden. Een paard is voor een herder niet alleen zijn vervoermiddel, het is ook zijn trots. Dankzij hun paarden en hun moed veroverden de Mongolen onder Dzhenghis Khan en zijn opvolgers de halve wereld, van de Grote Oceaan tot Midden-Europa. Naast worstelen en boogschieten is paardrijden nog altijd de nationale sport.

Iedere ovoo, een ritueel heuveltje van keistenen waar reizigers driemaal omheen lopen om een behouden tocht af te smeken, is getooid met typische geluksbrengers: blauwe linten en de doodshoofden van de beste paarden. Herders spreken schande van het afhakken van paardenstaarten onder aan de rug van het dier, dat doodbloedt onder helse pijn. De staarten worden verkocht in Ulaan Baatar voor het miserabele bedrag van tweeduizend togrog per stuk, vijf gulden.

'Ik heb gehoord over herders', zegt Tserenhand, 'die na het verlies van hun paarden zelfmoord hebben gepleegd of hun verstand zijn kwijtgeraakt. Ik weet niet wat er met ons gaat gebeuren als we nog meer dieren verliezen. Het zal lang duren voordat we er weer evenveel hebben als vroeger.' Het Mongolische Rode Kruis, dat de hulpverlening aan getroffen mensen en dieren leidt, heeft kritiek op de regering vanwege het gebrek aan planning. Tserenhand deelt die kritiek niet. 'Er wordt voer en hooi rondgedeeld, maar er zijn zoveel getroffen families dat de regering niet iedereen kan helpen.'

De tent van Tsevelsonom stroomt vol met vrouwen en een stoet kinderen. Het is de eerste keer dat die een buitenlander van dichtbij zien. De oudste kinderen zijn veertien en vijftien. Ze zijn nooit naar school geweest, of er voortijdig vanaf gehaald. Een van de moeders legt uit dat er voor haar zoon op het internaat in de districtshoofdstad Erdenedalai geen ruimte was, en dat ze daar niemand kende om voor hem te zorgen.

Wat willen de kinderen worden? 'Herder', zegt een vijftienjarige. 'Ik niet meer', zegt Otgonbaatar ('Jongste Held') van veertien. 'Ik vond het vreselijk dat de dieren dood zijn gegaan. Ik heb hun huid afgestroopt en de kadavers bij elkaar gesleept en op een hoop gegooid. Dit kan ik niet vergeten. Ik wil leren lezen en schrijven. Ik wil graag chauffeur worden.'

Het begint zowaar te regenen en zelfs even te hagelen. Goed voor het gras, maar slecht voor de pasgeboren dieren. Het regent in. Iemand duwt gauw de nok-raampjes, het enige lichtgat van de ger, op hun plaats. De avond valt. Er wordt een kaarsje opgestoken. Stroom is er niet. Missen ze geen televisie? 'Hoe kun je missen wat je niet kent?'

Het gat Erdenedalai, de grootste plaats in de wijde omgeving, heeft alleen 's avonds drie uur elektriciteit. Tenminste, licht de districtsgouverneur toe, voor de honderd huishoudens die de nota kunnen betalen. En dan moet de generator niet kapot zijn, zoals nu. De telefoon werkt al even ongewis. Stromend water heeft niemand. Water moet worden gehaald aan de pomp.

Na de val van het communisme in 1990 zijn veel putten in de Gobi onklaar geraakt omdat onduidelijk was wie de eigenaar was en wie ze moest onderhouden. Daardoor zijn in de buurt van de nog functionerende putten steeds meer herders gaan wonen, en dat heeft weer geleid tot overbegrazing.

In de ger van Tsevelsonom ontbreekt alles wat op comfort lijkt. Tenten met stromend water en afvoer, laat staan een toilet, bestaan niet. Water is schaars. Kommen en pannen worden na gebruik niet gewassen, maar met een vuile doek schoongeveegd. Douchen, zelfs wassen na het opstaan: vergeet het.

Alle afval wordt buiten gestort. Jong en oud, man en vrouw, iedereen die aandrang voelt, gaat naar buiten. Er is geen hok, er is geen gat, er is alleen de woestijn. De enige privacy biedt de lange del, die het intieme gebeuren onttrekt aan indiscrete ogen.

In de ger is voor privacy geen plaats. Ouders, kinderen en gasten, soms ook pasgeboren dieren, iedereen slaapt in hetzelfde vertrek, in een ijzeren ledikant of op de grond. Hoe moet dat nou tussen een verliefde herder en een verliefde herderin? 'Die hebben elkaar op het veld al leren kennen', zegt tolk Oyuna, zelf een dochter van herders. 'Als de jongen zich komt voorstellen aan haar ouders, sturen ze hem weg als hij hun niet bevalt. Valt hij in de smaak, dan zeggen ze niets en mag hij het bed van hun dochter in, en dan doen de ouders of ze niets merken.'

Met een schep en met de hand gooit Tserenhand droge paardenvijgen in de gietijzeren kachel midden in de tent. In een teiltje borrelt een soep van gedroogd vlees. De gasten hebben tarwebloem, bakolie, suiker en wodka meegebracht, die waardig worden aanvaard. De eigen voorraad is bijna op, geld is er niet, en met zo weinig overgebleven dieren is ruilhandel snijden in eigen vlees geworden.

Rituelen van respect voor god en mens beheersen het leven. Vóór het drinken gaat eerst de wijsvinger vier maal in het wodkakommetje om druppeltjes te sprenkelen in de lucht, op de grond, naar het vuur en op het eigen voorhoofd. De gasten mogen slapen in het heilige gedeelte van de ger, de ruimte tegenover de ingang waar het altaartje staat.

Voordat de gasten de volgende ochtend vertrekken, krijgen ze melkthee. Tsevelsonom legt haar armen op de hunne en geeft voor onderweg snoepjes mee, gewikkeld in een blauw gelukslint. Gids Ariunbold en zij laten elkaar uit hun parfumflesje ruiken. Terwijl de jeep wegrijdt, sprenkelt de matriarch met een opscheplepel melkthee over de grond voor de tent. De woestijnreizigers zijn nu veilig. Zij wel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden