Rijnders zet opera neer als Odoltest

Gerardjan Rijnders is na zijn afscheid als artistiek leider van Toneelgroep Amsterdam aan een tweede jeugd begonnen in de opera....

Roland de Beer

Bij de Nederlandse Opera in Amsterdam was Rijnders' rol betrekkelijk snel uitgespeeld, toen hij in 1993 de première van Peter Schats Symposion voor zijn rekening zou nemen, en als eerste requisiet de coupeerschaar tevoorschijn haalde. Exit Rijnders.

Maar intussen is in het Brusselse Kaaitheater Rijnders' debuutenscenering te zien, van Antigona, een 'tragedia per musica' van de achttiende-eeuwer Tommaso Traetta. Licht bijgeknipt. De voorstelling, opgezet door de Vlaamse productiekern Transparant en gedirigeerd door de barokspecialist Paul Dombrecht, ging vorig jaar in première in Brugge, werd ook gespeeld in Salamanca, en verhuist volgende week naar Antwerpen.

Daarmee is Rijnders' opera-avontuur nog niet afgelopen. Bij de Reisopera regisseert hij komend seizoen Der Prinz von Homburg, van Henze. Daarna volgt Thyeste, een nieuwe opera van Jan van Vlijmen en Hugo Claus, in de Brusselse Munt.

Voor Van Vlijmen valt te hopen dat Rijnders vorderingen maakt. Als de enscenering van Traetta's Antigona één indruk achterlaat, dan is het die van een theaterman die helemaal van voren af aan is begonnen. Zijn Antigona ziet er onbeholpen uit. Rijnders moet zich onwenniger hebben gevoeld dan een kwarteeuw geleden, toen hij een eigen bewerking van Sofokles' Antigone regisseerde bij het theatercollectief FAct.

De stap naar Antigona houdt meer in dan een spellingswijziging. De stof is eender (over het meisje dat tegen het verbod van de koning in het lijk van haar gesneuvelde broer verzorgt, waarna ze ook zelf de dood in de ogen moet zien), maar het is de stap van een lapidaire oertekst naar een wereld van bezield-elegante coloraturen, zacht prikkelende mineur-majeurwendingen en vloeiende vocale lijnen, met oprispingen van woede en verontrusting, gedicteerd door de wetten van de barokke opera seria - waar de componist in één moeite door trouwens ook weer afstand van neemt.

Traetta, een van de vergeten vernieuwers van het Italiaanse genre, was een soort Rijnders avant la lettre. Hij doorbrak vormcodes, sneed koren, recitatieven en aria's door elkaar; monteerde ze aaneen in een dramaturgische lijn, hier en daar op schitterend, bijna Mozartiaans niveau. Traetta presteert het om een aria door mijnheer C (koning Creonte) te laten beginnen, en na bevlogen koorinterrupties als het ware te laten afronden door mevrouw I (Ismene) en de heer E (Emone).

Het is de vraag of Rijnders dat doorziet, want met muzikale vormen doet hij, in tegenstelling tot wat een ex-toneelman als Karl-Ernst Herrmann in barokproducties laat zien, vrijwel niets. Zijn verhouding met de klank blijft moeizaam, en resulteert alleen in speelsheden zoals ouverturespel met zaallicht aan, een slotkoor waarin de monden open blijven hangen; pruikopzetting bij het (in de barok obligate) happy end. Ook aardig: een Antigona (Raffaella Milanesi) en een Emone (Maartje de Lint) die elkaar hun coloraturen als een Odoltest in het gezicht blazen.

Typisch 'Gerardjan Rijnders' is de starende blik waarmee Milanesi in de eerste akte rondstruint, met de armen strak rond haar broeders urn geklemd. Maar de gemiddelde gebarentaal is minder inventief dan die in een conservatoriumklas. De schaarse decorstukken van Paul Gallis staan voornamelijk in de weg.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden