Rijkdom zonder ratio Bellen blazen, en weer laten ontploffen

De ridders van het vrije kapitaalverkeer laten zich niet leiden door de waarde die een bedrijf of staatsobligatie heeft. Ze vertonen kuddegedrag, constateren auteurs die de financiële wereld door en door kennen....

Door Pieter Klok

Michael Lewis bracht de wereld in 1990 in aanraking met een tot dat moment vrijwel onbekende biotoop: de handelsvloer van een zakenbank. In Liar's Poker schetste hij als een antropoloog de merkwaardige gebruiken van de handelaren. Die bleken zich in hun zucht naar winst te gedragen als de apen op de apenrots. Alles was geoorloofd.

De auteur, die zijn verhaal baseerde op de periode dat hij bij zakenbank Salomon Brothers werkte, was er van overtuigd dat de biotoop geen lang leven was beschoren. ‘Ik dacht dat ik een boek had geschreven over een periode waarin een Grote Natie zijn financiële verstand verloor’, schrijft hij in zijn nieuwe boek The Big Short. ‘Vroeg of laat zou iemand mij ontmaskeren als een fraudeur. Honderden, zo niet duizenden jonge mensen zoals ik, die enorme risico’s namen met andermans geld (...) zouden vervolgens voorgoed verbannen worden uit de financiële wereld.’

De geschiedenis nam echter een andere wending. Waar hij dacht een aanklacht geschreven te hebben tegen een ontspoord systeem, werd zijn boek door studenten economie beschouwd als een handboek ‘Hoe word ik steenrijk voor mijn dertigste’. Toen Lewis Liar’s Poker schreef, kreeg zijn baas bij Salomon Brothers een jaarsalaris van 3,1 miljoen dollar. De auteur ging ervan uit dat zijn lezers hiervan steil achterover zouden slaan. Inmiddels liggen de hoogste salarissen twintig, dertig keer zo hoog. De handelaren kregen steeds meer geld tot hun beschikking en bliezen de grootste financiële zeepbel in de geschiedenis van de mensheid.

Met The Big Short heeft Lewis opnieuw een scherp boek geschreven, al is het minder wereldschokkend dan Liar’s Poker. Hij heeft ervoor gekozen zich te richten op de winnaars van de kredietcrisis. Zij die bijtijds zagen aankomen dat er een financieel kaartenhuis werd opgetuigd. Ze speculeerden op de ondergang en verdienden honderden miljoenen. Moest je daarvoor helderziende zijn of bovenmatig intelligent? Geenszins. De mannen en vrouwen die de crisis zagen aankomen gebruikten slechts hun gezond verstand. Ze zagen wat iedereen had kunnen zien na onderzoek van de Amerikaanse hypotheekmarkt. Bijna niemand nam die moeite: de meeste investeerders hadden het te druk met achter elkaar aanlopen.

De hoofdpersonen uit Lewis’ boek zijn allemaal enigszins onaangepaste, contactgestoorde figuren die weinig rekening houden met wat anderen doen en denken. Autisme blijkt een duidelijke pre. De wonderlijkste figuur is Mike Burry, een man met één oog. Hij leidt een geïsoleerd en eenzaam bestaan, maar lijdt daar niet onder. Ook mooi is de beschrijving van Jamie Mai en Charlie Ledley. ‘Beiden hadden moeite om zelf een mening te vormen, maar ze hadden er geen enkele moeite mee om te reageren op de verkeerde meningen van anderen.’ Jamie en Charlie ontdekten dat er een fundamentele fout zat in de rekensommen waarmee handelaren opties waardeerden. ‘Het rekenmodel ging uit van de veronderstelling dat de financiële wereld langs ordelijke en vloeiende lijnen beweegt. Maar de lijnen zijn niet vloeiend.’

Hoewel de hoofdpersonen van Lewis zonder uitzondering steenrijk uit de strijd komen, stemt het boek niet vrolijk. Dat komt vooral door het laatste hoofdstuk waarin Lewis gaat lunchen met zijn oude baas. Uit dat gesprek blijkt dat de financiële wereld geen enkele zelfreinigend vermogen aan de dag legt. Dat is minder verrassend dan het lijkt. De bankiers van Wall Street hebben door de crisis geen pijn geleden. Geholpen door de overheid – die niet alleen de banken heeft gesteund, maar nog steeds gratis geld ter beschikking stelt – gaat de zelfverrijking door.

De handelsvloer is sinds Liar’s Poker ook al niet veel veranderd, blijkt uit Gross Misconduct van de 24-jarige Britse Venetia Thompson.

Thompson schreef over het jaar dat ze bij een Londense bank werkte. Zij en haar collega’s vertonen meelijwekkend junkiegedrag. Ze hebben dagelijks een transactie nodig die veel geld oplevert. Thompson kon amper rekenen toen ze werd aangenomen. Maar dat bleek geen probleem. Haar hele werk is erop gericht om handelaren zover te krijgen haar een transactie te gunnen. Ze probeert klanten te lokken door ze ’s avonds mee te nemen naar de duurste restaurants en daarbij te veel te drinken. Gross Misconduct (in Nederland verschenen als Beursbabe) is een goed medicijn voor wie nog enige jaloezie koestert ten opzichte van bankiers.

Het helpt ook misvattingen te genezen over de zegeningen van het vrije kapitaalverkeer, dat vanaf de jaren ’80 stap voor stap werd ingevoerd. Het idee was dat investeerders rationeel te werk zouden gaan en wereldwijd zouden zoeken naar de meest winstgevende bedrijven of meest solide beleggingen. Bedrijven (en landen) die goed functioneren zouden meer geld aantrekken dan bedrijven of landen die minder goed functioneren. Zo zou de wereldeconomie als geheel gezonder worden.

In werkelijkheid bleek van deze rationaliteit vaak geen sprake. De ridders van het vrije kapitaal onderzoeken niet in alle rust wat een bedrijf of obligatie waard is. Ze kopen een aandeel niet zozeer omdat ze het zelf een interessante investering vinden, maar omdat ze denken dat anderen dat aandeel in de toekomst zullen kopen of al gekocht hebben. Deze instelling leidt tot kuddegedrag. Beleggers hebben de neiging voortdurend hetzelfde te doen, waardoor ze het ene moment zeepbellen blazen om die op een ander moment te laten ontploffen. Je kunt die zeepbellen beschouwen als een noodzakelijk kwaad dat in geen verhouding staat tot de vele voordelen van het vrije kapitaalverkeer, maar dat standpunt is sinds de kredietcrisis wel moeilijker te verdedigen. De winst van het bellenblazen komt nu immers vooral bij bankiers en slimme investeerders terecht, terwijl het verlies door de belastingbetaler moet worden gedragen.

De westerse wereld heeft een ‘100 procent zuivere vorm van socialisme voor de rijken gecreëerd’, schrijft John Lanchester in Whoops Why everyone owes everyone and no one can pay (Nederlandse titel: De Kapitale Crisis). Lanchester vat het gedrag van de bankiers in verfrissende metaforen. Hij deinst er niet voor terug om de crisis in 240 pagina’s in al zijn facetten te behandelen. Daardoor trekt hij nog wel eens overhaaste conclusies. Hij grijpt onder meer terug op John Maynard Keynes, die in de jaren ’30 voorspelde dat de mens zich dankzij de economische vooruitgang zou kunnen bevrijden van de ‘meest smakeloze menselijke kwaliteiten’, zoals hebzucht en inhaligheid. Keynes kreeg ongelijk. Hebzucht en inhaligheid werden in het neoliberalisme juist heilig verklaard. Lanchester legt – niet als eerste – de kiem van de ontsporing in 1989 toen het communisme ineenstortte. Voor die tijd moest het kapitalisme zich van zijn beste kant laten zien. Toen het communisme wegviel, hoefde het zijn superioriteit niet meer te bewijzen. De inkomensverschillen mochten snel oplopen.

Lanchester doet aan het eind van Whoops een dappere poging te beschrijven waar het met de financiële wereld heen moet. Hij vindt dat aandeelhouders en crediteuren van banken in de toekomst de prijs moeten betalen als het misgaat. Banken in moeilijkheden moeten domweg worden genationaliseerd. De meeste politici zijn echter te laf om een dergelijke oplossing voor te stellen, schrijft hij. De schaamte over het feit dat het Angelsaksische kapitalistische model heeft gefaald, is te groot.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden