Rijk van stilte en duisternis

De nok van België is berucht om het barre klimaat. Elk jaar valt er in de Hoge Venen anderhalve meter regen....

Signal de Botrange, 694 meter. Epicentrum van les Hautes Fagnes. Vierduizend hectare veen en moeras, die soms ook Hoge Venen of Hohes Venn heten, want in België serveert men nog altijd linguïstische hutspot. Terwijl de smeltende sneeuw aan mijn enkels knabbelt en de waterige kou onder mijn huid kruipt, besef ik: op deze plaats ben ik meer geweest.

Ik groeide op in de tijd dat de welvaartsmaatschappij ook in gewone arbeidersgezinnen haar opwachting maakte. Dat betekende voortaan vakantie met een grote V. Eerst werden de nationale recreatieve erfgoederen gekoloniseerd. Het strand van Zoutelande, het Dolfinarium en de mergelgrotten van Valkenburg bevatten al gauw geen geheimen meer voor ons gezin.

De grens over dan maar. Voorzichtig natuurlijk, de nieuwe horizonten niet meteen te ver van huis zoeken. België? Ja, de Ardennen. 'Daar hebben ze échte bergen', juichte mijn vader, wiens geografische blikveld toen nog niet veel verder reikte dan de blanke top der duinen. Op het Signal de Botrange maakte hij die zomer korte metten met mijn illusie dat het Drielandenpunt in Vaals het dak van de wereld was.

Dertig jaar na dato sta ik daar weer. Samen met een beeldend kunstenaar en Odon Borsu (71), de gids uit Spa die het geheim van dit gebied moet ontsluieren. Het valt hem een beetje tegen dat ik gekleed ben op een tocht over zompige grond. Kloeke regenlaarzen, twee paar sokken, een gebreide muts en een dikke trui.

Hij heeft ze liever in het zondagse pak. Plezier verzekerd. Vooral wanneer zich dames op hoge hakken en heren in kostuum in het gezelschap bevinden. 'Dan zijn ze na vijfhonderd meter al zo vaak in de prut weggezakt dat ze omdraaien', grinnikt Borsu sardonisch.

Fagnes des Deux Series, Fagne de la Polleux, Schwarzesvenn, Brackvenn, Fagne Wallonne. Onder de verzamelnaam de Hoge Venen liggen ze versnipperd in het Herzogenwald, een bosgebied dat zich uitstrekt van Spa tot ver in de Duitse Eifel. In 1957 kreeg het veenmoeras in de vierhoek Eupen-Monschau-Malmedy-Spa als eerste gebied in België de status van natuurreservaat.

Daar is wat voor te zeggen, want je treft er zeldzame heidevegetatie zoals pietrus, beenbreek en zonnedauw aan, maar ook stukjes loofbos, sparren, moerasplanten en vele soorten bessen. Een rijke fauna ontbreekt evenmin: herten, reeën, vossen, everzwijnen, wilde katten, hermelijnen, vele soorten vogels plus het pièce de résistance van de Hoge Venen: de korhoender, waarvan er recent nog maar 42 werden geteld.

Bij de toeristen is de hoogvlakte vooral in trek omdat je er in de nok van België zit. Op loopafstand van elkaar liggen Baraque Michel (673 m), Mont Rigi (650 m) en de Botrange (694 m), de drie hoogste heuvels in de Ardennen. Toen deze Duitstalige streek in 1919 bij België gevoegd werd liet de eerste gouverneur, generaal Herman Baltia, op de Botrange een trap van zes meter bouwen zodat hij van een hoogte van exact zevenhonderd meter op zijn bestuursdomein kon neerkijken.

Het Belgische natuurpark is berucht om zijn barre klimaat met arctische trekjes. Er ligt gemiddeld 43 dagen in het jaar sneeuw. Elk jaar valt er anderhalve meter regen, twee keer zoveel als in de rest van het land. En de veen- en heidemossen houden al deze nattigheid vast, zodat het lijkt of je op een reusachtige verende spons loopt.

Hooguit éénderde van de tijd komt het kwik er boven het vriespunt. Na een uur wandelen in het Fagne de Polleux neemt Borsu de proef op de som. Hij plukt een thermometer uit een beschermhoes en legt hem op een markeringspaal. Minuten later kijkt hij: twee graden boven nul. Een tref voor de tijd van het jaar, vindt de gids. 'In september vroor het al.' En dan de mist. Een grijs gordijn schermt het gebied vijf maanden per jaar af. Zelfs het helblauwe flikkerlicht op het Signal de Botrange, bedoeld om late reizigers door het donker te loodsen, is dan niet meer te zien.

De sneeuw is er vroeg bij, deze keer. Op sommige plekken ligt al meer dan vijftig centimeter. Overdag dooit het licht, maar 's nachts vriest de natte sneeuw weer aan. Daar boffen we niet mee. Er heeft zich een laagje ijs vastgezet op de vele kilometers vlonders die het veenmoeras voor de ongeoefende wandelaar begaanbaar moeten maken. Ik sla de aanwijzingen van Borsu in de wind en probeer een paar maal voet aan de grond te krijgen op het spekgladde hout. Mijn eigengereidheid betaalt zich uit in blauwe plekken; één keer ga ik ongenadig op mijn snufferd.

Ik moet me daarom volledig verlaten op een compaan die sinds tien jaar twee keer in de week de streek doorkruist. Het wordt een trage ploetergang, want de Hoge Venen zijn geen gebied om onbekommerd te kuieren. Zeker niet nu er in de zomer ongehoorde hoeveelheden regen gevallen is. 'Veel paden zijn beken geworden', waarschuwt Borsu. Omzichtig zoekt hij de plekken op waar je niet meteen tot aan je knieën in de zuigende bodem wegzakt. Links en rechts prikt hij met zijn wandelstok gaten in het drassige veen om te kijken welke stukken zonder risico te betreden zijn. Soms verdwijnt de stok tot aan het handvat in de grond. 'Quelle eau', roept hij hoofdschuddend. In het Frans. Want Borsu mag dan uitstekend de Nederlandse taal beheersen, zijn Waalse imborst houdt hij niet onder de korenmaat.

De beschermde veenplassen zijn de trots van de Ostkantone. De bijna tachtigduizend inwoners in deze drie regio's waren na de Eerste Wereldoorlog overwonnenen, die noodgedwongen het keizerlijke Duitsland verruilden voor het koninklijke België. Hun Pruisische wortels hakten ze daarmee niet door. Na 75 jaar zijn ze nog altijd verknocht aan de Duitse spraak en cultuur.

Neem Eupen, voorportaal van de Hoge Venen. Het zeventienduizend inwoners tellende dorp oogt als een popperig stadje aan de Rijn, dat zich opmaakt voor de jaarlijkse Bierfeste. Dat verhindert deze semi-Duitsers niet zich door en door Belg te voelen. Sterker nog, de meesten noemen zich de 'enige echte Belgen', omdat ze niet zijn behept met de bittere animositeit die de relaties tussen de Walen en de Vlamingen zozeer belast. Daar komt bij dat ze zowel Duits, Nederlands en Frans praten, en dan nog het liefst door elkaar. Dat maakt communicatie met hen er niet makkelijker op.

Terug naar het Fagne de Polleux, waar Borsu zijn gasten graag mee naar toeneemt omdat het de vele gezichten van het veen zo zichtbaar maakt. Het is het rijk van de stilte en de duisternis. In de winter gaat het er al vroeg op de middag schemeren. Op die sombere dagen kom je bijna niemand tegen.

Zwijgzaam en koppig laveren we tussen het smakkende moeras en de zacht ruisende watergeulen die de witte heidevelden dooraderen. Op een bruggetje in het midden van het veen geeft Borsu college over het morfologisch systeem in het gebied. Tussen enkele zwerfkeien plukt hij wilgenroos, dopheide, en doodshoofdjes, de alom aanwezige stugge grassprieten, die in een onregelmatig patroon boven de sneeuw uitsteken. De gids had ook graag de zonnedauw laten zien, de vleesetende plant die zich voedt met insecten. 'Maar als het begint te vriezen, verschuilt hij zich in de grond.'

Het weerbarstige veenplateau is de mens altijd vijandig gezind geweest. Negenduizend jaar terug waren de Hoge Venen nog overwoekerd met bos. Rondzwervende Kelten probeerden er als eersten met jacht en landbouw een bestaan op te bouwen. Acht eeuwen terug verrezen de eerste nederzettingen in de periferie van de heuvelketen. De boeren ontgonnen de loofbossen om er hun vee te laten grazen. Van 1700 tot het begin van deze eeuw vormde het gebied zich naar het huidige beeld: duizenden straatarme dagloners vonden domicilie in de Hoge Venen om er de schop te zetten in de zeven meter dikke turflaag.

Het barre klimaat en de kommervolle omstandigheden maken dat de dood altijd nauw verweven is geweest met de geschiedenis van het reservaat. Kriskras verspreid door het gebied tref je in de veen-enclaves tussen de wouden tientallen ruwhouten kruisen aan. Het zijn eerbewijzen aan de turfstekers, reizigers en boerenknechten, die verdwaalden in de kou of verstrikt raakten in het moeras. Ze versterken het desolate karakter van het domein en de Nacht und Nebel-achtige uitstraling die het heeft op de vele natuurvorsers en passanten.

Twee kilometer ten zuidwesten van Baraque Michel stuit ik aan de rand van een naaldbos op het Croix les Fiancès. Het staat daar voor Marie Solheid en haar verloofde François Reiff, die zich op 21 januari 1871 aan een twaalf kilometer lange tocht door de venen waagden. Het verliefde stel wilde in Xhoffraix hun huwelijksdocumenten afhalen, maar raakte in een sneeuwstorm het spoor bijster. Beide lichamen werden pas twee maanden later teruggevonden. Het Croix Mockel herinnert aan de houtvester Jakob Mockel die in 1626 in het veen werd vermoord en het Croix Pickray aan Pierre Pickray die in 1882 onder duistere omstandigheden het leven liet tijdens een wandeling. De meeste kruisen zijn getooid met verse bloemen.

Dergelijke gebeurtenissen prikkelen de fantasie van de bewoners en bezoekers van de streek. De bekende dichter Guillaume Apollinaire verbleef in 1899 in Stavelot, ten zuidwesten van de Hoge Venen. Van zijn omzwervingen door het veen kwam hij doorgaans nog bedrukter terug dan hij van nature al was. Lees er zijn poëtische hartekreet Fagnes de Wallonie maar op na.

Zoveel verdriet

overspoelt mijn hart

in het verlaten veen.

Ook nu bestaat er in de Ostkantone nog een heilig ontzag voor de mysterieuze oerkracht van dit landschap. 'Elk jaar neemt het veen nog een mensenleven', fluistert Borsu op een samenzweerderig toontje. Het zal meer Dichtung dan Wahrheit zijn, maar toch. Kort geleden nog bekocht een Antwerpenaar een nachtelijke helletocht met bevroren ledematen. Koudvuur maakte dat zijn beide benen later geamputeerd moesten worden.

Het Duitstalige België tussen Luik en Aken is zuinig op zijn Nordpol im grüne. Het veen dat onder officiële bescherming valt, is opgedeeld in diverse compartimenten. Slechts een klein deel van dit ecosysteem is vrijgegeven voor wandeltochten onder begeleiding van een kenner van het gebied. Dit heeft een gunstige uitwerking op de dierenpopulatie in de Hoge Venen. Het aantal herten, reeën, everzwijnen en vossen en is de laatste tien jaar bijna verdubbeld. Om te voorkomen dat zich hondsdolheid onder de vossen verspreidt, wordt in de winter vanuit de lucht met medicijnen geprepareerd vlees gedropt in de wouden waar deze schuwe beesten zich ophouden.

De korhoenders worden helemaal in de watten gelegd. Als begin maart het paringsseizoen nadert, worden met veengras en doodskopjes begroeide percelen met de heggenschaar gemillimeterd. De vrouwtjes krijgen de van hitsigheid overlopende korhanen dan sneller op de korrel. Volgens deskundigen vergroot dit de kansen op voortplanting aanzienlijk.

Wanneer ik me enkele honderden meters in het Fagne Wallonne heb gewaagd, stuit ik op een houten stellage. Op dit podium heb ik een indrukwekkend panorama aan mijn voeten. Hier voel ik het volle gewicht van de natuur op mijn schouders. Een nietige mens in een onvergankelijke omgeving. Achter me de bossen met sparren, zo dichtbegroeid dat ze zelfs op de helderste uren het daglicht slechts gefilterd doorlaten. Tussen de bomen loeit een gure wind. Links van me een lager liggende veenkom die de laatste ijstijd heeft achtergelaten. Aan de einder de heuveltoppen waar de mist zich als witte rook omheen kringelt.

Echte bergen, denk ik.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden