Ridderlijkheid in de sport was vroeger heel normaal

Charles Pahud de Mortanges was tot voor kort de succesvolste, en ook wel de minst bekende Nederlandse olympiër. ‘Paardrijden is een gave’, zei de ruiter zelf....

Door Ruud Paauw

Geen Nederlandse ruiter heeft ooit kunnen tippen aan de prestaties van Charles Ferdinand Pahud de Mortanges (1896-1971) in de jaren twintig en dertig op de Olympische Spelen. In het zwaarste onderdeel van de paardensport, de samengestelde wedstrijd (beter bekend als de military), veroverde hij vier gouden medailles en een zilveren. Deze eeuw passeerde zwemster Inge de Bruijn hem als de meest gelauwerde Nederlandse olympiër.

Pahud had iets met paarden en paarden hadden iets met hem. Dieren die voor anderen vaak moeilijk te hanteren waren, aten bij hem uit de hand. Wat dat precies was, viel niet precies te definiëren of uit te leggen. Als cavalerieofficier trok hij in de jaren twintig bijna dagelijks met paarden op, maar daarmee alleen was die speciale band niet verklaard. Tal van anderen verkeerden in dezelfde omstandigheid en bezaten toch niet dat aparte gevoel voor het paard en dat inzicht.

Zelf zei hij er eens dit over: ‘Ik heb altijd goed kunnen zien hoe een paard in elkaar zat. Anderen moeten er absoluut eerst op zitten voordat ze weten waar ze aan toe zijn. Maar als een paard me interesseerde, dan keek ik er naar, noemde zijn eigenschappen op en dan vergiste ik me maar hoogst zelden.’

Over zijn triomfen in drie olympische arena’s was Pahud uiterst bescheiden. In 1948 liet hij zich daarover zo uit: ‘Ach, ik ben natuurlijk wel blij dat ik zoveel succes heb gehad. Je vindt het fijn voor je land. Maar trots, nee, trots ben ik er nooit op geweest. Ik beschouw de kunst om goed te kunnen paardrijden als een gave die je hebt meegekregen, zoals een schilder en een musicus dat op hun gebied ook hebben. Want zonder een natuurlijke aanleg, zonder die gave, kun je het toch nooit tot zulke successen brengen. Ik ben min of meer fatalist, het heeft nu eenmaal op mijn weg gelegen om dit goed te kunnen. Maar daarom mag je er nog niet trots op zijn.’ Het citaat is typerend voor het hele leven van deze latere luitenant-generaal: hij liet zich nooit ergens op voorstaan.

Eigenzinnige Ier
Pahud was een veelzijdig ruiter. Daarom trok de military hem ook zo. Daarin kwam alles samen: dressuur, crosscountry en springconcours. Zijn doorbraak als internationaal ruiter kwam op de Olympische Spelen van 1924 in Parijs met Johnny Walker, door Pahud getypeerd als ‘een eigenzinnige Ier met vrij veel bloed’. Een paard dat tijdens wedstrijden de neiging had alle theorie overboord te gooien. De ruiter verwoordde dat voor zijn paard als volgt : ‘Je hebt me mooi afgericht, maar nu het erop aankomt is de losse teugel wel voldoende.’ Daarin moest hij hem dan zijn zin geven. In het algemeen klassement werd Pahud vierde, maar met drie andere ruiters won hij wel de landenwedstrijd.

Twee jaar later kocht hij het paard dat hem wereldfaam zou bezorgen: de halfbloed ruin Marcroix (1919-1947), een Anglo-Normand. Zijn vorige eigenaar kon niet met hem overweg, met Pahud (en niet te vergeten diens oppasser Feddema) klikte het direct. Ze hadden hetzelfde gevoel voor humor, is wel eens beweerd. Was Pahud niet bepaald van de straat, Marcroix’ afkomst mocht er ook zijn: zijn vader was Marsan, een beroemd Frans renpaard en zijn moeder Coquette stamde eveneens van een voortreffelijk familie.

De Duitse expert Reinier Klimke noemde Marcroix ‘een boven alle andere paarden uitblinkend paard, precies in de dressuur, snel in het veld en een zekere springer’. Marcroix had oersterke benen en gewrichten, een rustig, taai, bijna niet te vermoeien paard met een wat nurks karakter, maar volkomen eerlijk en betrouwbaar. Om hem aan te moedigen dreef Pahud hem niet met de benen aan, maar riep hij als dat nodig was met een ietwat boze stem ‘Mar’.

Magistraal wonnen Pahud en Marcroix de military bij de Spelen van 1928 in Amsterdam, waarbij de dressuur in het Hilversum Sportpark, de crosscountry bij de Lage Vuursche en het springconcours in het Amsterdamse stadion werden gehouden. Aangevoerd door Pahud zegevierde Nederland ook royaal in het landenklassement. ‘De zege van de Hollandsche ruiters werd met een ovatie in het stadion begroet en men werd niet moede het koene drietal toe te juichen’, aldus dagblad Het Vaderland. Pahud kreeg zijn gouden medailles uit handen van koningin Wilhelmina. Markant detail: 34 jaar later zou hij als chef van het Militaire Huis van de Koningin haar uitvaart leiden.

Reservepaard
Hoe uitzonderlijk goed Pahud was in het opleiden van paarden voor de military bleek wel uit het feit dat teamgenoot Gerard de Kruyff, wiens eigen paard tijdens de training kreupel was geworden, met het reservepaard van Pahud in het persoonlijk klassement de tweede plaats bezette!

Vier jaar later toog Pahud met Marcroix naar Los Angeles om zijn Olympische titel te verdedigen. Met twee andere ruiters ging hij er vroeg heen om aan het klimaat te wennen. De reis ging per schip. In Antwerpen werden de paarden aan boord gehesen. In een tredmolen werd de conditie van Marcroix zo goed en zo kwaad als het ging op peil gehouden.

Bij het vervoer in Los Angeles naar de stallen werd Marcroix aangereden door een streetcar en raakte daarbij gewond aan de rechter achtervoet. Pahud stelde alles in het werk om hem nog op tijd fit aan de start te krijgen. Hij masseerde de voet, sprak voortdurend bemoedigende woorden en sliep nachtenlang bij hem. Toen men Pahud bij zijn thuiskomt vroeg wat hij van de stad Los Angeles had gezien, zei hij: ‘Niets. Ik ben steeds bij mijn paard gebleven.’

Marcroix stond er, toen hij er moest staan. En hoewel hij altijd terughoudend was met kritiek, wekte het crosscountryparcours in Los Angeles zijn ongenoegen op. ‘Alleen het gebied van de Mont Blanc kon slechter zijn dan het terrein waarop in 1932 werd gereden.’ Hij trof er stenen, glas en puin. Op zeker moment kwam Marcroix ten val en sloeg Pahud over de kop. Eens te meer bleek het een combinatie die niet kapot te krijgen was.

Na drie loodzware dagen stonden man en paard weer aan de kop van de ranglijst. Voor de equipe was er dit keer zilver, waarbij weer een reservepaard van Pahud een grote rol speelde. ‘Amerika won het landenklassement, maar wij mogen niet vergeten dat de Amerikanen hun paarden injecties gaven tegen blessures. Dat was gewoonlijk niet toelaatbaar, maar werd in Los Angeles door de vingers gezien’, aldus Pahud.

Daarna nam hij met Marcroix, die overigens ook diende als gewoon legerpaard, gas terug. Hij weigerde hem te verkopen ‘Marcroix is een vriend en een vriend doe je niet van de hand.’ Marcroix beleefde een rustige oude dag en stierf in Friesland, waar hij in de oorlogsjaren naar toe was gebracht, in 1947, op de hoge leeftijd van 28 jaar.

Mädel wie Du
Voor de Spelen van 1936 had Pahud inmiddels een ander paard klaargestoomd om op het hoogste niveau door te gaan: Mädel wie Du. Hij hoorde weer bij de grote kanshebbers, zeker nadat hij in Wiesbaden een belangrijke military had gewonnen. Maar dit keer was er geen succes. In het parcours van de crosscountry was een grote diepe vijver opgenomen. Er overheen springen was onmogelijk. De Duitsers wisten wel waar ze door het water moesten, het gros van de buitenlanders werd de verraderlijke vijver noodlottig.

Pahud kwam er wel doorheen, maar Mädel wie Du was zo geschrokken dat het paard bij de volgende hindernis drie keer weigerde en dat betekende uitsluiting. Velen zagen in het gebeurde een nazistreek, maar Pahud weigerde dat te geloven.

Bij de voorbereiding van een grote nachtelijke militaire oefening in 1938 liep Pahud een dusdanig zware verwonding aan de rechterpols op dat even voor het verlies van zijn hand werd gevreesd. Zo ver kwam het niet, maar het lichaamsdeel bleef na operatief ingrijpen pijnlijk. Op aanraden van prins Bernhard begaf hij zich in Duitsland naar een befaamd militair revalidatieoord. Hij gaf er zijn ogen goed de kost. De ‘nazibombarie’ daar stuitte hem tegen de borst, ‘maar medisch gezien was het perfect’. Toch zou het met de hand nooit meer helemaal goed komen.

Na de capitulatie in 1940 ontfermde Pahud zich over in de oorlog ernstig verwonde en verminkte militairen. Met steun van het Rode Kruis richtte hij in het leegstaande, veertig kamers tellende landhuis Kareol in Aerdenhout een revalidatiecentrum in. Zijn in Duitsland opgedane kennis kwam hem daarbij uitstekend van pas. Twee jaar leidde hij het centrum in Aerdenhout, werk dat hem meer voldoening gaf dan al zijn Olympische titels.

Krijgsgevangenen
In 1942 werden Nederlandse officieren als krijgsgevangenen weggevoerd naar een Pools kamp. Op weg daar naartoe ontsnapte Pahud door uit een rijdende trein te springen. Na een tocht vol ontberingen (bij vervoer over de Frans-Spaanse grens bracht hij twee dagen en nachten door onder honderden kilo’s aardappelen) bereikte hij via Gibraltar Engeland. Als ondercommandant van de Prinses Irene Brigade vocht hij zich in 1944 terug naar Nederland.

Na de bevrijding kwam hij niet meer in ruiterwedstrijden uit. Maar het contact met de sport bleef. In 1946 werd hem gevraagd voorzitter van het Nederlands Olympische Comité (NOC) te worden. Hij bleef dat tot 1952. Ook kreeg hij (tot 1964) zitting in het Internationaal Olympisch Comité. Opgevoed in het autoritaire militaire milieu toonde hij als sportbestuurder over opmerkelijke diplomatieke en bemiddelende talenten te beschikken. Toen zijn opvolger in het NOC plotseling vertrok werd in 1958 opnieuw een dringend beroep op hem gedaan. Ter herinnering aan hem stelde het NOC in 1972 de Trofee Charles Pahud de Mortanges in; een onderscheiding die eens in de vier jaar wordt toegekend aan de Nederlandse Olympiër die zich op de Spelen qua prestatie en sportief gedrag het voorbeeldigst heeft gedragen.

De laatste levensjaren van Pahud werden verduisterd door zware reumatische pijnen, die hem ten slotte in een rolstoel deden belanden. Hard voor zichzelf als hij altijd was geweest, aanvaardde hij de dingen zoals ze waren. Hij stierf in 1971, 74 jaar oud. J.P.A. van Ballegoijen de Jong die in 1983 een korte biografie over hem schreef, karakteriseerde hem als ‘Een edel, maar gesloten mens’.

Charles Pahud de Mortanges vertegenwoordigde een (sport)wereld die vrijwel verloren is gegaan. Een wereld waarin commercialisering en geldelijk gewin nog geen plaats hadden, de hang naar publiciteit ontbrak en sportiviteit, wellevendheid en ridderlijkheid de boventoon voerden.

Deel 11: Olympische ruitertriomfen
In de Volkskrant Sportcanon wordt ruim een eeuw sportgeschiedenis in kaart gebracht, te beginnen bij Pim Mulier. Een onafhankelijke commissie van deskundigen heeft een lijst van 35 sporthelden, wedstrijden en ontwikkelingen samengesteld. Samen moeten zij de vlucht schetsen die de sport heeft genomen.

Vandaag het elfde venster over de ruiter Charles Ferdinand Pahud de Mortanges. Donderdag 8 juli verscheen het tiende venster over de sportbestuurder Karel Lotsy.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden