Revival van de jaren tachtig

De postmoderne 'potsenmakers' uit de jaren tachtig onderschatten hun blijvende impact. Nu komt die erkenning er toch.

Ineens lijken de jaren tachtig alomtegenwoordig. Het decennium werd onlangs solide gemusealiseerd in het Londense Victoria & Albert Museum in de tentoonstelling Postmodernism. Style and Subversion 1970-1990.


De invloedrijkste postmoderne activiteiten in popmuziek, architectuur, kunst en design vonden rond 1980 plaats, blijkt uit deze tentoonstelling. Die maakt verder duidelijk dat de creatieven van weleer - de postmoderne 'potsenmakers' - én hun toeschouwers, de blijvende impact van het postmodernisme destijds onderschatten. Postmodernisme legde, zo blijkt inmiddels, de stoffering voor een beeldtaal in kunst en architectuur die diep is doorgedrongen in onze dagelijkse culturele omgeving.


Postmodernism. Style and Subversion maakt duidelijk dat postmodermisme in de jaren tachtig tegelijkertijd radicale afbraak én subtiele voortzetting betekende van de avantgarde en het modernisme uit de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Met name de postmoderne architectuur is sterk schatplichtig aan het modernisme waarmee het juist wilde afrekenen - maar dat is dan wel, zoals gezegd, de bezonnen constatering achteraf.


Hoe dan ook vormde het modernisme een voedingsbron voor het postmodernisme: zonder Bauhaus geen Memphis en Mendini, zonder Dietrich geen Madonna, zonder Dada uit Zürich geen new wave uit Manchester en San Francisco, zonder Marcel Duchamp geen Jeff Koons.


In eigen land brengt uitgeverij Lebowski zoveel jaar na dato de onderbuik van de jaren tachtig in kaart: de postpunk, graffiti, de krakerscultuur van No Future en underground van die jaren komen langs in de memoires Mecano: een muzikaal egoducument van Dirk Polak. Het egodocument heeft hier en daar een zeker Haring Arie-gehalte, maar interessant zijn de memoires vooral vanwege de doorlichting van de jaren rond 1980, toen Polak in de subcultuur van de nederpop school maakte met Mecano, de obscure band die zich entte op de loodzware doem van Joy Division.


Hoe klonk Mecano? Even heel gechargeerd: je zette een grafstem op, plaatste een echo onder die grafstem en deponeerde die stem op een bedje van schelle percussie en drums die klonken alsof er pannendeksels tegen elkaar werden geslagen. Het moest hol, schel, schril en deprimerend klinken, want ieder moment kon de atoombom vallen en ons stervelingen was, lijdend onder het juk van Thatcher en Reagan, hoogstens nog een half jaar of een jaar gegeven. Dus dansten jongeren met bleekgepoederde wangen en zwart kohlpotlood rondom de ogen (denk aan Robert Smith van The Cure) op de spreekwoordelijke vulkaan. Het waren gecultiveerd sombere tijden.


Er wacht ons een revival van die subcultuur rondom het jaar 1980. Komend voorjaar brengt het Centraal Museum de tentoonstelling God Save The Queen, met werk van de toen jonge kunstenaars Rob Scholte, Jiri Georg Dokoupil en anderen. Ook God Save The Queen zal, zo doet de informatietekst op de website van het museum vermoeden, zich concentreren op het subversieve karakter van de 'pomo's', zoals de schilders uit de jaren tachtig half spottend half liefkozend werden genoemd.


Uitgever Oscar van Gelderen van Lebowski bezorgt in de slipstream van die tentoonstelling veel van die subversieve elementen en kopstukken een klein standbeeld. Er is een biografie van Mike von Bibikov in de maak, een naam die vermoedelijk alleen mensen uit de underground- en subcultuur van rond 1980 iets zal zeggen. Hoe Von Bibikov te typeren? Als een cross-over tussen Jules Deelder, Tristan Tzara en Al Capone misschien? Zelfs met die grote namen doe je de onnavolgbaarheid van deze inmiddels overleden quasihumeurige en altijd ontregelende instant-performer nog tekort. Von Bibikov belichaamde de zwarte, ongrijpbare en anarchistische kant van de subcultuur rond 1980; zoveel is zeker.


Waarom ineens die hausse aan terugblikken op en huldebetuigingen aan de rafelranden van de kunst en pop uit begin jaren tachtig? Het kan niet alleen te maken hebben met de onvermijdelijke nostalgie van de betrokkenen die nu rond de vijftig zijn. De huidige tijdgeest vraagt misschien om een herijking van het subculturele klimaat van rond 1980. Met name het ongeorganiseerde verzet van de Occupy-beweging tegen het bancaire roofkapitalisme vertoont kenmerken van het anarchistische do-it-yourself-principe van destijds. De No Future-doemgedachte van de jaren tachtig is weer onder ons, deze keer als reactie op de door witte boorden gepleegde berovingen op staatskapitaal en individuele spaargelden onder het mom van slimme investeringen.


Rijg in kringen van de allerrijksten een mondiale kettingbrief van waardepapieren, en laat de te beroven armen geloven dat zij ooit die kettingbrief in handen zullen krijgen en dus tot de rijken zullen gaan behoren: dié leugentactiek is doorgeprikt, maar het verzet ertegen laat zich moeilijk organiseren of effectief mobiliseren. Het resultaat is, met name binnen de gelederen van de Occupy-beweging, een mix van fatalisme en geïmproviseerde miniverzetsdaden die ludiek ogen maar een grimmige ondertoon hebben. Die mix is vintage jaren tachtig. De fuck-the-systemmentaliteit is weer onder ons en huist in kampeertentjes rondom Wall Street, Damrak en Trafalgar Square.


Sociale media begeleiden het verzet, wat direct het anarchisme een paradoxaal tintje geeft: de van rijkdom verstoken verzetsbeweging communiceert onderling dankzij de uitvindingen van de multinationals van Facebook, Apple, Nokia en Google. Als dát de Occupy-beweging geen post-postmodernistisch tintje geeft...


Postmodernisme laveerde destijds inderdaad tussen style and subversion. Het subversieve lijkt te herleven dankzij de mores van de do-it-yourselfdoctrine - maar hoe zit het met de 'stijl' van toen?


Tja, die stijl... In de popmuziek waren het niet alléén Joy Division, Echo and the Bunnymen en The Comsat Angels die met hun doem de agenda bepaalden. Er was ook een glitzy afdeling in die jarentachtigpop. Lange tijd zijn vooral die overgestileerde, commerciële bands uit de jaren tachtig wegens wansmaak en bombast in de bezemkast van de popgeschiedenis gezet. Was er nog iemand te porren voor bands als Spandau Ballet, ABC, Ultravox en Duran Duran? Over het algemeen konden uitsluitend bands als Talking Heads en The Smiths een ballotage achteraf doorstaan.


Maar nu beleeft uitgerekend Duran Duran met de negen minuten durende videoclip Girl Panic een come back. Girl Panic is geregisseerd door Jonas Åkerlund, die ook clips maakte voor Lady Gaga, Rammstein, Madonna en U2. Åkerlund speelt het in Girl Panic klaar om een wereld neer te zetten die meer jaren tachtig is dan de jaren tachtig van origine waren. Let wel: dan heb ik het over de glamourkant van dat decennium.


In Girl panic maken de oudgedienden uit de modellenwereld Eva Herzigova, Naomi Campbell, Helena Christensen en Cindy Crawford hun opwachting, in een Londense omgeving die de decors van de foto's van Helmut Newton naar de kroon steekt. De vergane glorie wordt opgepoetst en als nieuw op een dienblad gepresenteerd. De vier supermodellen van weleer vertolken de bandleden van Duran Duran, die op hun beurt slechts de rol van aangever en figurant spelen. De clip is een ode aan de in champagnebubbels en cocaïnewolken gehulde glamourkitsch van de jaren tachtig. Voor het eerst in jaren valt het niet op dat zanger Simon LeBon een dagje dikker is geworden.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden