Reuzenvoeten die niet verdergaan

U EN IK zijn verwende twintigste-eeuwers. Alles hebben we al honderd keer gezien en, wil een kunstenaar nog onze aandacht trekken, dan kan hij het niet bont genoeg maken....

PIET GERBRANDY

Het kan geen kwaad te beseffen dat die behoefte aan steeds iets nieuws een betrekkelijk modern verschijnsel is. In de klassieke Oudheid streefden kunstenaars er juist naar steeds hetzelfde te doen, zij het op een betere manier dan hun hogelijk gewaardeerde voorgangers, en ook na de Middeleeuwen was traditie nog lange tijd belangrijker dan originaliteit. Niemand heeft dat wat de poëzie betreft treffender verwoord dan Alexander Pope in zijn Essay on Criticism (1711): 'True wit is Nature to advantage dressed;/ What oft was thought but ne'er so well expressed.' Het gaat er niet om iets nieuws te bedenken, maar om datgene wat we allemaal allang weten, beter te verwoorden dan een ander.

Ook de spaarzaam publicerende dichter Tom van Deel is doordrongen van het feit dat wij weinig hebben toe te voegen aan wat sinds de Oudheid gemeengoed is: we zijn dwergen op de schouders van reuzen, zoals Johannes van Salisbury in de twaalfde eeuw al zei. Sterker nog, het is niet alleen de enorme literaire traditie die ons bescheiden zou moeten stemmen, ook de onverzettelijkheid van tamelijk gewone natuurverschijnselen als bergen en kastanjes confronteert ons met het feit dat wij slechts een broodkruimel op de rok van het universum zijn:

Dit zijn de bergen en ze liggen daar

verscholen in de paarse ochtendnevel

breed uitgedeind, kalm en tevreden

als reuzenvoeten die niet verdergaan.

Ik wil straks op ze staan en kijken

naar hoe de zee mij spiegelt aan het al

te grote blauw waar ik weg in val.

Nee, voor briljante nieuwe inzichten zijn we bij Van Deel aan het verkeerde adres, want vrijwel alles wat hij zegt hadden u en ik ook al wel bedacht. Ook stilistisch is hij geen revolutionair of beeldenstormer, want hij formuleert bedachtzaam zonder ook maar één ongewoon woord te gebruiken. Heftige gevoelens kent deze dichter niet. En van complexiteit lijkt al helemaal geen sprake te zijn. Zelden lees je dermate eenvoudige, heldere poëzie: 'Een eenvoud waartoe alles,/ ooit, moet herleid om heel en afgerond/ begrijpelijk te zijn', schrijft hij over Mondriaan.

Van Deel is een classicist van het zuiverste water. Als marmeren zuiltrommels staan de gedichten zonder witregels op de pagina, in het gerechtvaardigd besef dat zij, als degelijke taalconstructies, de tand des tijds niet eeuwig, maar wel voorlopig zullen doorstaan. Dit is oersterke, steengoede poëzie.

Van Deel kent zijn klassieken. In een gedicht met de aan onze zeventiende-eeuwers herinnerende titel 'Epithalamion', polemiseert hij met Aristophanes' parabel als zouden wij altijd naar onze oorspronkelijke wederhelft op zoek zijn. Wie zijn evenbeeld zoekt, vergaat het als Narcissus, denkt Van Deel:

Twee schelpen wordt er wel gezegd

die ooit aaneen ooit van elkaar maar

nu ten slotte. Of zou het eigenste,

het duplicaat, nu juist geen ring, geen

nest of huis, geen woning zijn, alleen

verveelde spiegeling. Wat heel niet past

maar toch gelijkt, aantrekt, vervoert

is waard om goed bezegeld, bestreden

en bemind, in eindeloze aandacht

beslist omarmd te houden. Twee schel pen ja

maar twee in hoogst verrukt onpassen.

De ellips in de eerste volzin benadrukt de onmogelijkheid twee oorspronkelijke helften weer aaneen te voegen. Een te grote gelijkenis betekent dood in de pot: misschien dat Van Deel ook daarom zo subtiel en onopvallend rijmt. Daar staat tegenover dat het laatste woord van dit gedicht een bijna gemaniëreerde indruk wekt, hetgeen Van Deel tot een waardige nazaat van Hooft en Huygens maakt.

Soms gaat hij in zijn hang naar eenvoud iets te ver. 'In memoriam' is zo vanzelfsprekend en waar, dat het associaties oproept met de clichés die men zich bij sterfgevallen van goede kennissen hoort uitbraken. En wat Van Deel over Hans Faverey schrijft, is beslist beneden zijn niveau. Maar in het licht van de kracht die de rest van deze gedichten uitstraalt, zijn dat onbeduidende kleinigheden, want hoewel de bundel slechts 24 gedichten telt, heeft hij een gewicht waarvoor menig dichter ten minste honderd bladzijden nodig heeft.

Bij een dichter die zo concies formuleert als Van Deel, kan de recensent slechts instemmend citeren. Zeker, wat hij zegt is vaak niet meer dan 'what oft was thought', maar het is inderdaad 'ne'er so well expressed'. Een gedicht als 'Beweging' geeft zich reeds bij eerste lezing gewonnen, toch kun je het steeds opnieuw blijven lezen zonder je te vervelen. Ook voor ons, verwaten twintigste-eeuwers, blijkt eenvoud het kenmerk van het ware. Alles stroomt en vergaat, maar het water blijft eeuwig zichzelf:

Waarom die behoefte aan blijven en niet

als het water dat de rivier vertrouwt

in zijn loop en zorgeloos naar zee glijdt

geloven in de noodzaak van vertrek.

Beter is het toch te spotten met de

wil geworteld, stil en onbewogen

te staan alsof het ooit ook anders

had gekund dan hier maar weg te gaan.

Herakleitos had gelijk toen hij stelde dat we nooit tweemaal in dezelfde rivier kunnen stappen. Maar het is Van Deel die ons uitlegt waarom dat niet erg is.

Piet Gerbrandy

T. van Deel: Nu het nog licht is.

Querido; 30 pagina's; * 35,-.

ISBN 90 214 5939 6.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden