Rentetarieven in Europa kunnen nog verder omlaag

De verlaging van de rentetarieven door de Europese centrale banken kwam volgens Alman Metten eerder te laat dan te vroeg....

HOEWEL de renteverlaging door de centrale banken van de toekomstige eurozone vrij algemeen als noodzakelijk is verwelkomd, wekt de Volkskrant in zijn commentaar van 5 december de indruk dat dit vooral onder politieke druk tot stand is gekomen.

Ik ben het met die beeldvorming niet eens. Wie naar de objectieve cijfers kijkt, moet toegeven, dat de centrale banken (gecoördineerd door de Europese Centrale Bank) eerder laat met hun renteverlaging waren dan te vroeg, en dat het waarschijnlijk ook nog niet genoeg is. Dit geheel los van de aangename verrassing van de timing van de verlaging, omdat die nog niet verwacht werd.

Waarom waren de centrale banken desalniettemin laat?

In de eerste plaats stond de rente in de centrale landen van de eurozone (Benelux, Duitsland, Frankrijk, Finland, Oostenrijk) al meer dan een jaar op maximaal 3,3 procent, terwijl de inflatie in dezelfde periode in die landen gedaald is, van 1,5 procent tot 1 procent.

Dat betekent dus, dat de reële rente in die periode met 0,5 procent gestegen is, terwijl zeker aan het eind van deze periode de groeivooruitzichten en het vertrouwen van bedrijven en consumenten gedaald zijn. De reële rente ontwikkelde zich dus in de verkeerde richting.

Weliswaar is in de overige vier landen van de eurozone de rente de laatste twee maanden fors gedaald, maar deze landen maken slechts een kwart van het BBP van de zone uit. Bovendien hadden deze landen een renteverlaging, op Italië na, niet echt nodig. Duitsland zat echter wel om een renteverlaging te springen (met een inflatie van zelfs maar 0,6 procent en een inzakkende groei), goed voor een derde van het BBP van de eurozone.

In de tweede plaats is al lange tijd glashelder dat er geen enkele inflatiedreiging in de eurozone bestaat. Daarmee is er dus geen reden voor te grote voorzichtigheid van de kant van de centrale banken. Sterker nog, een reële dreiging van deflatie steekt de kop op.

Immers, het inflatieniveau in de eurozone staat al een paar maanden op 1 procent, terwijl ook volgens ECB-president Duisenberg er een overschatting in de inflatie-index van de eurozone zit van 0,5 procent tot 1 procent. Dat betekent concreet dat landen als Frankrijk (0,5 procent inflatie) en Duitsland (0,6 procent inflatie) waarschijnlijk nu al deflatie, dat wil zeggen in reële termen dalende consumptieprijzen, kennen.

Wat dat kan betekenen voor de economische ontwikkeling en voor het vermogen die ontwikkeling om te keren, toont de situatie in Japan (hoewel die om andere redenen met Europa volstrekt niet vergelijkbaar is): consumenten stellen koopbeslissingen uit, de economische groei vertraagt en wordt zelfs negatief en de Japanse centrale bank heeft eigenlijk geen instrumenten meer om daar iets aan te doen.

Ik beweer niet dat Europa in een Japanse deflatiespiraal dreigt te geraken. Ik constateer wel, dat de eurozone als geheel, angstig dicht bij deflatie zit en twee belangrijke landen er zelfs al in. Ondanks 'geruststellingen' van Duisenberg in het Europees Parlement dat de inflatie volgend jaar weer licht omhoog zal gaan, lijkt het risico dat dit niet gebeurt mij toch reëel.

De producentenprijzen dalen al sinds juni, de invoerprijzen dalen en drukken de binnenlandse consumptieprijzen en de bodem van de olie- en grondstoffenprijzen lijkt nog steeds niet in zicht.

Als de consumentenprijzen echt gaan dalen en consumenten gaan bestedingen uitstellen, zal het niet eenvoudig zijn die trend om te buigen. Regeringen hebben weinig ruimte binnen het stabiliteitspact om de economie te stimuleren en het is de vraag of in die omstandigheden renteverlagingen (monetair beleid) nog veel kunnen uitrichten.

Kortom, het beste is dus te voorkomen dat deze situatie zich zal voordoen. Daarom moet de ECB, gelijk Alan Greenspan van de Amerikaanse centrale bank, desnoods door alerte renteverlaging in verschillende stapjes voorkomen dat de consumenten hun bestedingen gaan uitstellen.

Want inmiddels is wel duidelijk dat de bijdrage aan de groei in de eurozone van binnenuit moet komen: van de consumenten en de investeringen. Dat geldt, alweer volgens Duisenberg, zeker tot in het jaar 2000.

Vreemd genoeg is de ECB zich het gevaar van de deflatie wel bewust, maar heeft zij nog niet bepaald wanneer zij daartegen gaat optreden. Prijsstabiliteit is volgens de ECB een prijsstijging onder de 2 procent. Boven de 2 procent zal zij spreken van inflatie. Maar van deflatie spreekt zij niet bij prijsdaling, maar al bij een prijsstijging van tussen de 0,5 en 1 procent (omdat de inflatie overschat wordt).

Wanneer er dan precies sprake van deflatie is tussen die 0,5 en 1 procent prijsstijging, kon Duisenberg zelfs op 8 december in het Europees Parlement nog niet zeggen. Dat is, gezien de ernst van de dreiging, een zeer verontrustende uitspraak die er toch op lijkt te duiden dat de ECB het gevaar van deflatie ondanks lippendienst daaraan, niet helemaal serieus neemt.

Gezien het huidige inflatieniveau van 1 procent, precies de marge van die overschatting, lijkt dat een tamelijk onverstandige opstelling.

Mijn eigen advies aan de ECB zou zijn dit deflatiegevaar wel serieus te nemen en, zodra zich een goede gelegenheid voordoet, er tegen op te treden door de rente in een of meer stappen verder te verlagen nu het nog effect kan hebben.

Dat maakt het de ministers van Financiën van de eurozone alleen maar gemakkelijker zich aan hun commitment te houden om het stabiliteitspact te respecteren.

Alman Metten is woordvoerder economie voor de PvdA in het Europees Parlement

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden