Remco Campert

Een grijze voormiddag. Ik sta op een tramhalte te vernikkelen van de kou en wacht op een tram, die maar niet komt. Ik beleef niets anders dan dat wachten, terwijl er om me heen toch genoeg mee te maken valt. Naast me staat een jongeman in zijn iPhone te koekeloeren. Of hij het niet koud heeft, vraag ik hem maar niet. Oude heer knoopt gesprek aan. Wat moet hij ermee? Toen ik jong was, had ik nooit last van de kou. In de oorlog verkeerde ik een paar jaar op het platteland en kende er winters waarin het vroor dat het kraakte. Unverfroren waste ik me elke dag met ijskoud water. In die tijd woedde de slag om Stalingrad. Veel later schreef ik in een ijzig gedicht: 'Hortende tanks in modder bevroren/ vlammend karkas van industrie/ walmende paarden in tuig van ijs'.


Tegenover de tramhalte is een winkel gevestigd, waar je voor veel geld koud bronwater kunt kopen, een aankoop die me op dit moment niet zou verwarmen. Ernaast bevindt zich een fotozaak. In de etalage hangt met het oog op klandizie van de fotograferende wintersportliefhebber een grote foto van twee langlaufende personen in een onmetelijke sneeuwvlakte. De middenstand stelt alles in het werk om mijn gevoelstemperatuur nog verder te doen dalen. Schuin aan de overkant, aan de andere zijde van een plein, waar een bijtende wind je van alle kanten belaagt, is een boekhandel. Voor mijn aankomst op de halte kocht ik er De aarde, de aarde, de nieuwe bundel van Elly de Waard. Ik citeer uit een gedicht over het huis waarin de dichter woont: 'Het huis staat verankerd in/ de grond en als je naar buiten loopt ben je meteen op aarde/ In de winter brengt ochtend/ er een sneeuwwit bericht/ Uit de enveloppe steekt/ een takje; vogelsporen/ zijn in volgorde van gaan/ en komen bevroren'.


Iets dichterbij op dat plein is een tehuis gevestigd, waarin mensen verblijven die het moeilijk hebben met zichzelf en de wereld. Uit een raam van dat huis sprong de dichter Jan Arends zijn dood tegemoet. Arends was een man die je liever vermeed. Ontmoetingen met hem eindigden meestal onaangenaam. Op de ochtend dat het bericht van zijn dood doorkwam, spoedde ik me naar zijn en mijn uitgever. Geert Lubberhuizen zat uit het veld geslagen achter zijn bureau en staarde voor zich uit. Ik zag iets dat ik nog nooit gezien had bij Geert, die het leven liever licht nam: zijn ogen waren nat. Hij had veel vaderlijke zorg en aandacht besteed aan Arends, met het gevolg dat hij bijna elke nacht door de dichter uit zijn bed werd gebeld en overladen met scheldkanonnades. Na wat tegen elkaar gezucht te hebben besloten we, om toch iéts te doen, de vlag van zolder te halen en die halfstok te hangen. Dat was nog een heel gedoe, wat ons recht gaf om een glaasje te drinken op de nagedachtenis van de dichter die schreef: 'Een/ strelende hand/ doet/ mij ook pijn'. Voor het tehuis waaruit hij sprong staan bomen. Uit zijn nagelaten gedichten: 'Het zijn de bomen/ die mij nawuiven./ Mij een vriendelijke/ goede dood/ toewensend.'


De bomen zijn kaal en wuiven niet. Ik krijg het kouder en kouder. Ik probeer De aarde, de aarde in mijn jaszak te proppen, maar de bundel past er niet in, dus houd ik de aarde maar vast, hopend dat de woorden warmte uitstralen. Laat nu de tram maar komen, want een en ander dreigt in grenzeloos ge-oh te verzanden. De tram gehoorzaamt. Thuisgekomen ontdooi ik. Om het proces te bespoedigen duik ik in een gedicht van de Chinees-Amerikaanse schilder Walasse Ting: 'zij in bed/ zon in bed/ kersenbloesem in bed/ kakatoe in bed/ iedereen in bed/ als grote warme grootmoeder/ warme glimlach/ vertelt prachtig verhaal'.


Olifant met grote snuit blaast dit verhaal nu uit.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden