Remco campert

Willem Frederik Hermans heb ik maar een paar keer in mijn leven ontmoet. Die ontmoetingen waren kort. Toch gaat er geen dag voorbij of ik denk even aan hem. Ik sta dan voor het raam en kijk naar buiten. Van begin tot einde staan er in mijn straat acacia's. Via die bomen beland ik bij zijn roman De tranen der acacia's en bij de schrijver zelf. Vanochtend was dat weer het geval, maar deze keer was het anders. Uit mijn onbewuste doemde plotseling een voorval op waar ik nu met schaamte aan terugdenk. Ik herinnerde me de keer dat ik Hermans níét ontmoette.


Ik laat eerst degene die ik liefheb aan het woord. Zij schrijft: 'In 1959 kwam ik vanuit de VS in Nederland wonen. Ik leerde binnen zes weken Nederlands spreken en kon vrij snel gedichten lezen, maar tot 1963 geen roman. Mijn eerste leesboek werd De donkere kamer van Damokles. Toen ik aan het boek begon, was het maart 1963 en ik verwachtte half mei mijn tweede kind. In de derde week van april had ik het boek bijna uit. Op de avond van 26 april - terwijl ik op de bank het boek zat te lezen - begonnen de weeën. In eerste instantie weigerde ik de weeën te geloven - het was toch te vroeg? - én ik had het boek nog niet uit. Toch heb ik de dokter gebeld die mij adviseerde naar het Prinsengrachtziekenhuis te gaan. Mijn kamer - gereserveerd voor half mei - was bezet en ik werd geparkeerd in een hoek van de wachtkamer op de begane grond. Nadat de dokter en mijn (eerste) man gearriveerd waren, hielden de weeën plotseling op. De twee mannen gingen weg en lieten mij achter in die grote kamer mét boek. Ik was allang blij. Na nog geen uur begonnen de weeën opnieuw en dit keer was het menens: op 27 april baarde ik een gezonde mooie zoon. Nadat ik gewassen was, en de baby naar een andere kamer gebracht, kwam een zuster de lamp naast mijn bed uitdoen. 'Niet doen', riep ik verontwaardigd. 'Doe het licht alstublieft weer aan. Ik moet mijn boek nog uitlezen.' En zo gebeurde. Een aantal jaren later werd ik aan W.F. Hermans voorgesteld op het Boekenbal en kon ik hem eindelijk mijn verhaal vertellen. Hij reageerde nauwelijks...'.


Tijdens een winterse auteursbijeenkomst met drank en eten jaren geleden op De Bezige Bij kwam Hermans, die toen nog veel van zijn oeuvre moest schrijven, naast me te zitten. 'Wat vind je mijn beste boek?', vroeg hij. Voor ik het had kunnen zeggen vulde hij het zelf in: De tranen der acacia's, hè?' Ik kon niet anders dan bevestigend knikken, terwijl de grootste van de grote 3 gulzig zijn bord erwtensoep leeglepelde. Waarschijnlijk was het later op dezelfde avond dat Wim van der Linden op de kunstenaarssociëteit De Kring die foto maakte. Hermans en ik zitten naast elkaar achter de Kring- piano en doen met professionele gezichten, sigaretje tussen de lippen gekleefd, alsof we het instrument bespelen. Daarbij worden we gadegeslagen door Miss World 1959, de bloedmooie Corine Rothschäfer.


Op een foto van een andere gelegenheid staat Hermans op een verwaarloosd grasveld, omringd door kale bomen, het kan niet anders of het was winter. Winter 1951 tijdens een weekend van het literaire tijdschrift Podium in Oegstgeest. Hermans blaast op een trompet - het beginsignaal van een partijtje voetbal dat door de Podiummedewerkers onderling werd gespeeld. Ik deed eraan mee en moet hem toen voor het eerst hebben ontmoet. Sport had, geloof ik, niet zijn voorkeur en ik denk niet dat hij heeft meegevoetbald.


De keer dat ik Hermans níét ontmoette, vond plaats in Parijs, waar hij toen woonde. Ik bracht er een paar maanden door met mijn vriend, de schilder Willem van Malsen. Op een middag dat we ons verveelden, kwam Willem op het idee om de schrijver op te bellen. En wat bleek? We waren welkom bij hem thuis tegen het avonduur. 'Hij klonk heel aardig', zei Willem. En vervolgens zagen we ertegenop en gingen niet. Het zal zijn vertrouwen in het Nederlandse kunstenaarsvolkje niet hebben versterkt.


Ik herlees De tranen der acacia's. Naar het einde van het beklemmende boek toe verschijnen de acacia's. Twee zinnen slechts: 'Zie de acacia's, het oude symbool der onsterfelijkheid. De acacia blijft altijd groen.'


Dat kun je ook van Willem Frederik Hermans zeggen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden