Remco Campert

Zes voor twee in de middag. Ik zit te herlezen in Jean-Paul Sartres roman Walging (Singel Pockets, 13de druk, 1999). 'Drie uur. Drie uur, dat is altijd net te vroeg of te laat voor de dingen die je wilt doen. Een raar moment van de middag. Vandaag is het niet om door te komen. Een koude zon kleurt het stof op de ruiten wit. Een bleke hemel met hier en daar wat wittige flarden. Het water in de goten was vanmorgen bevroren.'


Zes voor twee. Ik heb dus nog ruim een uur voor het te vroeg of te laat is voor de dingen die ik wil doen. Bij het schrijven laat ik me tegenwoordig niet meer in de war brengen door deadlines, maar misschien komt zo'n uiterste limiet nu toch wel van pas.


Bleke hemel, bevroren goten. Dat komt overeen met de huidige situatie buiten, drie over twee. Alleen zijn Sartres witbestofte ruiten niet de mijne. Mijn ruiten zijn net gelapt. De glazenwasser wuifde vriendelijk naar me. Achter hem zwenkte een meeuw nieuwsgierig toe. Wil ik om drie uur klaar zijn dan zal ik er vaart in moeten aanbrengen. Geleuter over glazenwassers werkt vertragend. De neiging om naar een bleke hemel te staren moet onderdrukt worden. Jammer. Ik blijf graag wat hangen.


Om mijn dilemma op te lossen verzin ik een ezelsbruggetje, een begrip dat in 1682 opdook in onze taal. Volgens het Etymologisch Woordenboek is de oorsprong waarschijnlijk het verhaal van Plinius (23-79 na Christus) over de ezel die niet over een brug loopt als hij daar doorheen het water kan zien. De planken van mijn ezelsbrug bestaan uit jaartallen. In 1999 las ik de Nederlandse vertaling van Walging. Ik had het eerder gelezen in het Frans, zo omstreeks 1950, en maar half. Mijn kennis van de Franse taal strekte niet ver genoeg. Het steeds maar raadplegen van het woordenboek ging me op de duur vervelen.


In 1999 schreef ik om de dag (Jan Mulder de andere dag) de column CaMu. We begonnen ermee in 1996 en hielden het vol tot 2005, toen ik besloot ermee op te houden, omdat ik het idee had dat CaMu mijn andere schrijven aan het nekken was. De columns verschenen in boekvorm bij De Bezige Bij. In het Jaaroverzicht van 1999 tref ik een stukje aan, getiteld 'Tijd'. Ik citeer eruit: 'Als ik dit schrijf, is het zondagavond, half zeven. Maar het is ook een heel ander uur, een andere tijd. Er is altijd een andere tijd die ons vergezelt. Ons geheugen speelt met de tijd als een poes met een propje. (...) De tijd is een goudmijn waarin het geheugen ongecontroleerd rondzwerft, op het spoor gezet door een geur, een beeld, een woord of een gebaar. (...) In een gedicht schreef ik eens: 'De tijd is dat/ waarop ik nooit het antwoord weet/ als ze mij vragen/ provinciale moeder of klein kind/ weet u ook hoe laat het is?'.


Genoeg van mezelf geciteerd. Zo dreigt het bladvulling te worden. Waar ik die provinciale moeder vandaan haalde, weet ik niet. Hoewel, het was zondag en op zondag lopen er veel niet-Amsterdammers in de stad rond. Misschien had men toen (1962) minder horloges dan nu. Dat kleine kind moest op tijd thuis zijn en was de tijd vergeten.


Ik moet haast maken met mijn schrijven, het is al vier voor drie. Waar vind ik de woorden? Sartre, oude existentialist, die denken en leven als één beschouwt, laat zijn hoofdpersoon schrijven: 'Met holle frasen schiet ik niet op. Ik schrijf om beter inzicht te krijgen in bepaalde omstandigheden. Wacht u voor literatuur. Je moet noteren wat er bij je opkomt, zonder naar woorden te zoeken.'


In het laatste ben ik geslaagd. Dank u, cher maître. Het is nu een halve minuut voor drie, niet te vroeg of te laat, maar precies op tijd om zometeen geen dingen meer te willen doen. De tijd daarvoor is nu.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden