Rembrandt van Rijn en Francis Bacon | De werkruimte van de kunstenaar

Rembrandts lege atelier is de ideale werkruimte

Sinds twee weken heb ik een nieuwe werkkamer. Het is mijn eerste sinds 25 jaar buiten Amsterdam; ik - kuch - 'resideer' tijdelijk in een dorpje. Je hoort dan te zeggen: een vlek op de kaart, in de kop van Noord-Holland. Het is ook de eerste werkruimte van een voor mij nogal overrompelende grootte: 120 vierkante meter schoon aan de haak. In Amsterdam betaal je voor zo'n oppervlakte een jaarhuur die uitsluitend te bekostigen is door lui die goed in de markt liggen bij het huidige kabinet: managers, vrije jongens in het vrije-marktcircuit, fiere types die niet de hand ophouden bij subsidie-instellingen. Halbe Zijlstra zal zijn zin krijgen: kunstenaars, schrijvers en andere subsidieruif-leegvretende parasieten worden weer de spreekwoordelijke zolderkamertjes in gedirigeerd, waar ze, gegeven de kortingen op het kunstbudget, volgens dit kabinet kennelijk thuishoren.


Tegen die zolderkamertjes heb ik eigenlijk nooit zoveel bezwaar gehad, moet ik eerlijk zeggen. Ik behoor niet tot het type schrijver dat floreert in een goed geoutilleerd en imposant werkvertrek waar minstens drie bureaus in slagorde staan opgesteld, waar het pijpenrekje om de dag door een werkster wordt opgepoetst en waar kunstwerken aan de wand en bloemen op de bureaus en scherpgeslepen potloden in een potloodbakje deel uitmaken van een smetteloos decor. Zelfs een kachel of cv vind ik, buiten de wintermaanden om, vaak een overbodige luxe: behaaglijke warmte leidt alleen maar af. Of laat ik zeggen: kou binnenshuis houdt je scherp. Wie het anders wenst, gun ik van harte een (voor schrijvers belastingvrije) Portugese droomstudio waar van alle kanten de zon komt binnendreunen.


Bij een bezoek aan de nieuwe werkkamer zei een vriend: 'Goh. Mooie plek ook om journalisten te ontvangen.' Hij zei het terwijl ik aan de straatkant van de kantoor stond, en hij aan de tegenovergelegen kant. Met die afstand tussen ons in besefte ik pas goed dat ik, voor het eerst van mijn leven, in een soort zaal ga vertoeven.


Wat moet ik eigenlijk met een zaal - en waarom zou ik in dezen óóit een journalist in willen ontvangen? Bijna twintig jaar lang hield ik kantoor in pijpenla's rondom de Albert Cuypmarkt in Amsterdam, en in al die jaren maakte ik slechts één keer de fout er een journalist, ik geloof van de VPRO-radio, te ontvangen. Het was een vrouw, en die vrouw probeerde, herinner ik me, haar schrik, zo niet onthutstheid te verbergen bij het betreden van die pijpenla.


'O. Dus hier werk je?'


Het klonk alsof ze het gevoel had te zijn beland in een strafcel van een verplicht zakjesplakkende tbs'er. Ik geef toe: mijn pijpenla had veel weg van een strafcel. Geen schilderijen of andere malligheden aan de wand, witte muren, hier en daar een boekenkast waarin alleen de noodzakelijkste titels -woordenboeken, naslagwerken, een paar planken met favoriete boeken van favoriete schrijvers en dichters, meer niet, geen tv of radio binnenskamers, geen leesstoel of andere decadente buitenissigheden.


Niet dat ik mij niet hechtte aan wat er wél in die werkkamer stond. Ik schreef in de pijpenla aan dezelfde tafel waaraan ik, in 1988, Gimmick! schreeef en waaraan ik sindsdien, en tot voor een paar maanden geleden, al mijn boeken en stukken voor de krant schreef. Van die tafel kende ik alle krassen op het blad, iedere inkerving of oneffenheid kon ik in verband brengen met het tijdvak waarin ik sommige romans schreef. Ik zat op een oude en destijds heel goedkope bureaustoel die ik lang geleden met opzet had uitgekozen om de hoge mate van ongeriefljkheid. Zitten mocht geen luxe worden, vandaar die stoel die je, zodra je ermee achterover leunde om in plaats van te schrijven te rusten of te niksen, direct pijn in de onderrug bezorgde. Zo moest het, vond ik.


Vlak voor mijn verhuizing, van de pijpenla in de stad naar het kantoor in die vlek op de kaart, was ik niet altijd alert genoeg; de huidige gebruiker van die pijpenla meende dat mijn werktafel en oude bureaustoel behoorde tot overtollig huisraad. Ze demonteerde de burerautafel en zette tafel en bureaustoel bij het grof vuil. Dat was even schrikken. Spartaanse werkomstandigheden zijn één ding; het verlies van stoel en tafel, die op derden kennelijk een haveloze en afgedankte indruk maakte, was nou ook weer niet de bedoeling.


Tot op het moment van de verdwijning van die stoel en tafel meende ik altijd dat ik niet bijgelovig was; nu was het toch alsof ik een talisman was kwijtgeraakt. Het besef nooit meer mijmerend te kunnen staren naar al die kerven in het tafelblad, bezorgde een kerfje in de ziel. Misschien een passend alternatief.


Een van mijn favoriete schilderijen van Rembrandt is De jonge schilder in zijn atelier (ca. 1629). Het hangt in een museum in Boston; ik ken het alleen maar van afbeeldingen op internet en in catalogi. Het lege, spartaanse atelier, zoals Rembrandt het schilderde, verbeeldt voor mij een gedroomde en ideale werkomgeving.


Ik weet niet wat de Rembrandt-Forschung over dit werk meldt en wat de interpretaties zijn, maar naar mijn idee maakte Rembrandt met opzet een kunstenaarsportret dat perspectivisch niet helemaal klopt. Het ventje is, letterlijk, te ijl en nietig in verhouding tot het grote schildersdoek dat op de voorgrond is afgebeeld. Het is alsof Rembrandt wilde benadrukken dat de kunstenaar in vergelijking met datgene wat hij maakt, per definitie nietig dient te zijn: het Werk is groter dan zijn Maker.


Zo zie ik het graag. De schrijver moet, eenmaal verschanst in zijn werkkamer, vooral niet denken dat hij ook maar íets voorstelt: alleen wat geschreven is of geschreven wordt, doet ertoe. Van Louis Paul Boon is de uitspraak: 'Mensen die niets te zeggen hebben, schrijven boeken. Mensen die veel te zeggen hebben, kunnen niet schrijven.'


Boon bedoelde er vermoedelijk mee dat de gestalte en identiteit van de schrijver van nul en generlei waarde is, terwijl het verhaal dat verteld dient te worden van het allegrootste belang is. Niet de schrijver, wel het boek.


Die instelling spreekt ook uit De jonge schilder in zijn atelier. Wie in Amsterdam het Rembrandthuis heeft bezocht, weet dat de meester zich in latere jaren omringde allerlei parafernalia: 'gipsen afgietsels van antieke beelden, botanische rariteiten, wapens en andere attributen van algemene beschaving', zoals Gary Schwartz het typeert in zijn Rembrandt-biografie. Maar het gedroomde ideaal is misschien wel die kale ruimte waar de jonge schilder zich op Rembrandts schilderij bevindt.


De lichtval in het vrijwel lege atelier dirigeert onze blik naar de kale wanden, met in een hoek bij de vloer een rafelrand van baksteen, blootgelegd door afgebrokkelde bepleistering. Dat stukje muur vormt - met opzet? - de enige afleiding in het atelier. Het schildersoog mag niet worden afgeleid door spulletjes en huisraad. De onzichtbaar blijvende afbeelding op het doek op de voorgrond vormt de échte werkelijkheid waar het de schilder om te doen is.


Als het dan toch overvol moet zijn in een atelier of schrijfkamer, dan het liefst chaos en rommel. Ik moet nog altijd een keer naar Dublin, waar in de City Gallery High Lane het met ogenschijnlijke rotzooi volgestouwde atelier van Francis Bacon is gereconstrueerd. Foto's van zijn atelier tonen aan dat er nog geen flinter luxe in was aangebracht.


Buiten deze werkplek was Bacon de dandy en destructieve bon vivant. Maar binnen de muren van zijn atelier was hij een anonieme figuur die zich, gezien de haveloze rotzooi, geen enkel comfort gunde dat hij zich op grond van de verkoop van zijn werken wel degelijk kon permitteren.


Intussen staan in mijn nieuwe werkkamer allerlei dozen hoog opgetast. Er moet worden uitgepakt. Ik stel dat telkens uit, misschien omdat het uitpakken vraagt om orde en overzicht, maar misschien vooral omdat ieder begin van inrichting van het kantoor afbreuk doet aan het ideaalbeeld van De jonge schilder in zijn atelier.


Wat een schrijver nodig heeft als hij aan het werk gaat: niets.


Zo zou het moeten zijn.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden